-A +A

RIZIV Fraude een vergissing is geen fout

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 09/11/2010
A.R.: 
2009/AA/314

Vergoedingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging kunnen slechts verleend worden op voorwaarde dat aan de verzekeringsinstelling bepaalde getuigschriften worden afgeleverd die moeten ondertekend worden door een geneesheer of verstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren.

Verpleegkundigen en niet-verpleegkundigen zijn, gesitueerd in grondwettelijk perspectief, geen vergelijkbare categorieën.

Door te beweren dat een vergissing in de zin van artikel 164 van de Gec. Wet van 14 juli 1994, het bestaan van een fout veronderstelt, wordt een voorwaarde aan de wet toegevoegd die door de wetgever niet was voorzien.

Een beschikking van buitenvervolgingstelling heeft geen gezag van gewijsde.

elfri.be netwerk Adocaat geschillen RIZIV

en vermeende RIZIV Fraude

 

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

ARREST

A.R. 2009/AA/314

OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN

In de zaak:

1. NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN,
met zetel gevestigd 1000 Brussel, Sint Jansstraat 32-38,

eerste appellant,
 

2. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALI-TEITEN,
met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579,

tweede appellant,
 

tegen:

Mr. F. D.,

handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de B.V.B.A. D.,

geïntimeerde,
op de zitting persoonlijk aanwezig.

Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

1. Procedure

Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging:

- het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 juni 2009, 22 juni 2010, 14 september 2010 en 26 oktober 2010 van het arbeidshof te Antwerpen;

- het eensluidend afschrift van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper, op tegenspraak gewezen en uitgesproken op 12 september 2003 in openbare terechtzitting door de tweede kamer (A.R. nr. 23419 en 23471);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge op 27 oktober 2003;

- het eensluidend afschrift van het arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, op tegenspraak gewezen en uitgesproken op 27 mei 2005 in openbare terechtzitting door de vijfde kamer (A.R. nr. 03/310);

- de akte van betekening van verzoekschrift in cassatie d.d. 25 augustus 2005, waarbij door de bvba D. voorziening in cassatie werd ingesteld tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge d.d. 27 mei 2005;

- het eensluidend afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie, gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van 22 september 2008 door de derde kamer (Nr. S.05.0102.N);

- de akte van betekening van een cassatiearrest met dagvaarding om te verschijnen voor het arbeidshof te Antwerpen, aanhangig gemaakt op verzoek van het NVSM en LCM en betekend aan de bvba D. op 4 mei 2009;

- de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt op 3 juli 2009 en ter kennis gebracht van partijen op dezelfde datum;

- de 'verbeterende' beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt op 28 juli 2009 en ter kennis gebracht van partijen op dezelfde datum;

- de 'eerste conclusie in beroep na cassatie' voor de bvba D., ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 september 2009;

- de 'beroepsbesluiten na cassatie' voor NVSM en LCM, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 17 november 2009;

- de 'besluiten' voor mr. F. D., handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de bvba D., waarbij NVSM en LCM akkoord zijn gegaan met wederzijdse afstand van de gerechtskosten in onderhavige procedure, neergelegd ter zitting van het arbeidshof te Antwerpen op 22 juni 2010;

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 14 september 2010, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 14 september 2010;

- de schriftelijke repliek d.d. 20 september 2010 van mr. F. D., handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement bvba D. op het advies van het openbaar ministerie, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 september 2010.

Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van:

- het administratief dossier van LCM (gehecht aan het inleidend verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Ieper op 6 december 1999 en ingeschreven in de algemene rol onder nr. 23.419);

- het administratief dossier van NVSM (gehecht aan het inleidend verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Ieper op 28 december 1999 en ingeschreven in de algemene rol onder nr. 23.471);

- de stukkenbundel van de raadsman van NVSM bestaande uit 5 genummerde stukken (inventaris I) en 8 genummerde stukken (inventaris II), ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 april 2010;

- de stukkenbundel van de raadsman van LCM bestaande uit 17 genummerde stukken (inventaris I), de brief van CM Kortrijk aan LCM d.d. 26.1.2001 met bijlagen (inventaris II) en 2 genummerde stukken (inventaris III), neergelegd ter openbare terechtzitting van 22 juni 2010;

- de stukkenbundel van de curator van het faillissement van bvba D. bestaande uit 16 genummerde stukken, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 september 2009;

- de bundel met rechtspraak en rechtsleer, neergelegd door de curator van het faillissement van bvba D. ter openbare terechtzitting van 22 juni 2010.

Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 22 juni 2010. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 14 september 2010 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.

2. Feiten en voorgaande rechtspleging

De bvba D. baatte een thuisverplegingsdienst uit en daartoe werd beroep gedaan op verpleegkundigen die in dienstverband prestaties leverden.
De organisatie, de administratie en het personeelsbeleid van de bvba D. was in handen van mevrouw L. D..

De bvba D. maakte in 1999 en 2000 het voorwerp uit van een onderzoek uitgevoerd door de inspectiediensten van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna afgekort RIZIV).

Met aangetekende brieven van 27 april 1999 werd aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (hierna afgekort NVSM) en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (hierna afgekort LCM) opdracht gegeven de verjaring wat betreft de uitgaven derdebetalersregeling te stuiten zoals voorzien in artikel 174, 6° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (zie stuk 1 bundel NVSM: aangetekend schrijven van het RIZIV van 27.04.1999 en stuk 1 bundel LCM: aangetekend schrijven van het RIZIV van 27.04.1999).

Met aangetekend schrijven van 12 mei 1999 van het LCM aan bvba D. werd de verjaring van de eventueel ten onrechte verleende uitgaven inzake de derdebetalersregeling in toepassing van artikel 174, 6° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 gestuit (stuk 4 bundel LCM: aangetekend schrijven LCM aan bvba D. van 12.05.1999).

Met aangetekend schrijven van 27 april 1999 van het NVSM aan bvba D. werd de verjaring van de eventueel ten onrechte verleende uitgaven inzake de derdebetalersregeling in toepassing van artikel 174, 6° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 gestuit (stuk 2 bundel NVSM: aangetekend schrijven van NVSM aan bvba D. van 27.04.1999).

Door de dienst voor administratieve controle van het RIZIV werden volgende controlebezoeken afgelegd:
- op 7 juni 1999 tot 8 juni 1999 bij het Kristelijk Ziekenfonds van het arrondissement Ieper (stuk 6 bundel LCM: schrijven RIZIV aan LCM van 01.07.99 met bijlage);
- op 15 juni 1999 tot 17 juni 1999 bij het Kristelijk Ziekenfonds te Kortrijk (stuk 7 bundel LCM: schrijven RIZIV aan LCM van 08.07.99 met bijlage);
- op 22 december 1999 tot 23 december 1999 bij de Christelijke Mutualiteiten Verbond Roeselare (stuk 12 bundel LCM: aangetekend schrijven RIZIV aan LCM van 20.01.2000);
- op 6 december 2000 tot 7 december 2000 bij de Christelijke Mutualiteit Moeskroen (stuk 15 bundel LCM: aangetekend schrijven RIZIV aan LCM van 21.12.2000);
- op 6 juli 1999 tot 7 juli 1999 bij de Socialistische Mutualiteit Z&M West-Vlaanderen Bond Moyson te Kortrijk (stuk 3 bundel NVSM: controleverslag van 27.07.1999);
- op 21 februari 2000 tot 22 februari 2000 bij de Socialistische Mutualiteit 'La Fraternelle' van het arrondissement Moeskroen (stuk 5 bundel NVSM: controleverslag van 23 maart 2000).

In de controleverslagen van de dienst voor geneeskundige controle wordt vermeld dat, in strijd met de bepalingen van artikel 9ter, §10 van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen, op de verzamelgetuigschriften voor verstrekte hulp naast de naam van de verpleegkundige M. H. (erkenningsnr. 4/37620/44/408) de handtekening werd aangebracht van de niet-verpleegkundige L. D. B., verantwoordelijke voor de administratie en personeelsbeleid van D.

In de controleverslagen van de dienst voor administratieve controle van het RIZIV (zie stukken 6, 7, 12 en 15 bundel LCM en stukken 3 en 5 bundel NVSM) werd aan de verzekeringsinstellingen de opdracht gegeven om de verzamelstaten (opgemaakt op basis van de niet reglementaire verzamelgetuigschriften) terug te vorderen voor volgende bedragen:
- controleverslag 1 juli 1999 aan LCM: (2.809.926 BEF) euro 69.656,25
- controleverslag 8 juli 1999 aan LCM: (8.319.327 BEF) euro 206.230,72
- controleverslag 20 januari 2000 aan LCM: (592.476 BEF) euro 14.687,09
- controleverslag 21 december 2000 aan LCM: (1.322.203 BEF) euro 32.776,56
- controleverslag 27 juli 1999 aan NVSM: (3.680.324 BEF) euro 9.123,85
- controleverslag 23 maart 2000 aan NVSM: (1.034.585 BEF) euro 25.646,69

Bij verzoekschrift van 6 december 1999 vorderde LCM de bvba D. en H. M. solidair of de ene bij gebreke van de andere te veroordelen om aan LCM de som van 275.886,97 euro (11.129.253 BEF) te betalen, wegens onverschuldigde betaling met toepassing van artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
Met besluiten van 28 februari 2000 heeft LCM haar vordering uitgebreid met een bedrag van 14.687,09 euro (592.476 BEF) te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 11 februari 2000 op het bedrag van 275.886,97 euro (11.129.253 BEF) en vanaf 28 februari 2000 op een bedrag van 14.687,09 euro (592.476 BEF).
Bij besluiten van 27 maart 2003 werd de vordering andermaal uitgebreid met een bedrag van 32.776,55 euro (1.322.203 BEF) te vermeerderen met de gerechtelijke intersten vanaf 25 maart 2003.

Bij verzoekschrift van 28 december 1999 vorderde NVSM de bvba D. te veroordelen om aan het NVSM de som van 3.680.324 BEF (91.232,85 euro) te betalen, meer de moratoire en gerechtelijke interesten.
Het NVSM heeft zijn vordering bij conclusies uitgebreid met het bedrag van 25.646,69 euro (1.034.585 BEF) zodat de totale terugvordering 116.879,54
euro bedroeg, te verhogen met de moratoire intresten sedert 29 juli 1999 en gerechtelijke interesten.

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 12 september 2003 werden de zaken samengevoegd en de vorderingen van LCM en NVSM ontvankelijk maar ongegrond verklaard; LCM en NVSM werden elk tot de helft van de kosten van het geding veroordeeld overeenkomstig artikel 1017, tweede lid Ger.W.

De arbeidsrechtbank oordeelde dat de voorschriften van artikel 9 ter, §10 van het K.B. van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen louter op formele wijze werden genegeerd door de bvba D. en er was geen sprake van bedrog of een vergissing in hoofde van de bvba D.; de LCM en het NVSM hebben de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden door bij de bvba D. de indruk te wekken dat zij conform de wettelijke reglementering handelde.

Met een verzoekschrift van 27 oktober 2003 tekenden NVSM en LCM hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 12 september 2003.

Bij aanvullende beroepsconclusie van 24 juni 2004 stelde H. M. een tegenvordering in teneinde LCM te veroordelen tot betaling van 10.000 euro wegens tergend en roekeloos beroep.

Bij arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 27 mei 2005, werd het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard in volgende mate:
- het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 12 september 2003 werd vernietigd behalve waar het de beide zaken samenvoegde, de vorderingen ontvankelijk verklaarde, de vordering tegen H. M. ongegrond verklaarde en de gerechtskosten begrootte;
- de bvba D. werd veroordeeld tot betaling aan:
- het NVSM van een bedrag van 116.879,54 euro, vermeerderd met verwijlintresten vanaf 26 juli 1999 tot en met 27 december 1999 en met gerechtelijke intresten vanaf 28 december 1999;
- aan de LCM van een bedrag van 323.349,89 euro vermeerderd met de gerechtelijke intrest op 275.886,98 euro vanaf 11 februari 2000, op 14.686,35 euro vanaf 28 februari 2000 en op 32.776,56 euro vanaf 25 maart 2003;
- de tegenvordering van H. M. werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard;
- de bvba D. werd veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen, behoudens deze van H. M. die ten laste van LCM werden gelegd.

Het arbeidshof te Gent oordeelde dat de bvba D. alle op de getuigschriften vermelde prestaties diende terug te betalen omdat niet werd voldaan aan de voorschriften van §10 van artikel 9ter van het K.B. van 24 december 1963 zodat de onverschuldigde betalingen wel degelijk het gevolg zijn van een vergissing in de zin van artikel 164, eerste en tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zowel van de uitbetalende instanties, als van de bvba D..

Tegen dit arrest werd door de bvba D. voorziening in Cassatie ingesteld op 25 augustus 2005.

Bij arrest van 5 maart 2007 werd de zaak door het Hof van Cassatie verzonden naar het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) in verband met artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek (kennisgeving bij gerechtsbrief).

Bij arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 16/2008 van 14 februari 2008 oordeelde het Hof dat artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek en met artikel 164, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

Bij arrest van het Hof van Cassatie van 22 september 2008 werd het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 27 mei 2005, vernietigd in zoverre het de terugvorderingen ten aanzien van de bvba D. gegrond verklaarde en uitspraak deed over de kosten. De beperkte zaak werd door het Hof van Cassatie verwezen naar het arbeidshof te Antwerpen.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat het arbeidshof te Gent het algemeen rechtsbeginsel in zake het verbod van rechtsmisbruik heeft miskend door de argumenten van de bvba D. die daar verband mee houden te verwerpen op grond van de overweging dat rechtsmisbruik niet kan leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet.

Op verzoek van het NVSM en het LCM werd het arrest van het Hof van Cassatie van 22 september 2008 bij deurwaardersexploot van 4 mei 2009 betekend aan bvba D. en met hetzelfde exploot werd de bvba D. gedagvaard om te verschijnen voor de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen.

Hangende de procedure voor het arbeidshof te Antwerpen werd de bvba D. in staat van faillissement verklaard door de rechtbank van koophandel te Ieper bij vonnis van 16 september 2009; meester F. D. werd als curator aangesteld.

3. Eisen in hoger beroep

NVSM en LCM (eerste en tweede appellant) vorderen in hun 'beroepsbesluiten na cassatie', ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 17 november 2009:
- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het vonnis van de arbeidsrechtbank te vernietigen en opnieuw wijzend:
* hun oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren;
* geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan eerste appellant, het NVSM, van een bedrag van 116.879,54 euro, som te verhogen met de moratoire intresten vanaf 26 juli 1999 evenals de gerechtelijke intresten;
* geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan tweede appellant, de LCM, van een bedrag van:
* 275.886,98 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 11 februari 2000;
* 14.686,35 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 28 februari 2000;
* 32.776,56 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 25 maart 2003;
- geïntimeerde te veroordelen tot de kosten, aan hun zijde begroot op:
* 55,78 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep NVSM;
* 55,78 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep LCM;

* 20,25 euro expeditierecht arrest Hof van Cassatie;
* 242,18 euro dagvaarding na cassatie;
* 132,47 euro betekening cassatie memorie.

De bvba D. (geïntimeerde) vordert in haar 'eerste conclusie in beroep na cassatie', ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 september 2009:
- het beroep van appellanten onontvankelijk, ontoelaatbaar, dan wel ongegrond te verklaren;
- appellanten te veroordelen tot de kosten, aan haar zijde begroot op:
* 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg;
* 267,73 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
* 15.000 euro Cassatie, Grondwettelijk Hof, Beroep Antwerpen.

In besluiten, neergelegd ter zitting van 22 juni 2010, gaan partijen akkoord met wederzijdse afstand van de gerechtskosten in onderhavige procedure en is mr. F. D. onder deze voorwaarden bereid geweest het geding te hervatten in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de bvba D.

4. Schriftelijke repliek op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie

Op de zitting van 22 juni 2010 werd de zaak gepleit, de debatten gesloten en de zaak medegedeeld aan het openbaar ministerie met het oog op het uitbrengen van een schriftelijk advies op de zitting van 14 september 2010; door het hof werd aan partijen toestemming verleend om een schriftelijke conclusie over het advies van het openbaar ministerie ter griffie neer te leggen binnen een termijn van 10 dagen.

Op de zitting van 14 september 2010 werd er lezing gegeven van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, dat bij het dossier van de rechtspleging werd gevoegd. Een afschrift van dit schriftelijk advies werd in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan de raadsman van partijen verzonden op 14 september 2010.

Gelet op artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek werd de schriftelijke repliek van de bvba D. van 30 september 2010, ontvangen per gewone post op de griffie van dit hof op 1 oktober 2010, laattijdig neergelegd.

5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij arrest van het arbeidshof Gent van 27 mei 2005 werd het hoger beroep, ingesteld door het NVSM en de LCM bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Gent op 27 oktober 2003, ontvankelijk verklaard.

Het Hof van Cassatie heeft het arrest van het arbeidshof Gent niet vernietigd in zoverre het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard.
De door de bvba D. ingeroepen beroepsgrieven omtrent de voorgehouden laattijdigheid van het hoger beroep werden aldus definitief verworpen.

6. Ten gronde

6.1. Artikel 9ter van het koninklijk besluit van 24 december 1963

De inzet van de juridisch discussie in deze zaak heeft betrekking op de tekst van artikel 9ter van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Krachtens artikel 9ter, §1 eerste lid van het KB van 24 december 1963 worden de vergoedingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging verleend op voorwaarde dat aan de verzekeringsinstelling is afgeleverd:
1° een op blauw papier gedrukt getuigschrift van verzorging, conform het model vervat in bijlage 35, wanneer het gaat om verstrekkingen, voor hun eigen rekening verleend door de vroedvrouwen, verpleegsters, ziekenoppassters, verzorgsters en kinesitherapeuten;
2° een op groen papier gedrukt getuigschrift van verzorging, conform het model, vervat in bijlage 36, wanneer het gaat om verstrekkingen voor andermans rekening verleend door de vroedvrouwen, de verpleegsters, ziekenoppassters, verzorgsters en de kinesitherapeuten.

Krachtens artikel 9ter, §1 derde lid van het KB van 24 december 1963 mogen, in afwijking van de bepalingen van 2° (...) van deze paragraaf, de verstrekkingen voor andermans rekening verricht, worden vermeld op een groen verzamelgetuigschrift, conform het model vervat in bijlage 51 wanneer bureauticamiddelen om getuigschriften op te maken worden gebruikt.

Door de ondertekening onderaan de globale getuigschriften voor verstrekte hulp, vervat in de bijlagen 46 en 51, verklaart de ondertekenaar die ofwel een geneesheer moet zijn ofwel een verstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren, dat hij beschikt
over documenten waaruit blijkt dat de verstrekkingen zijn verricht door de praktizerende wiens naam naast elke verstrekking is vermeld. De desbetreffende bescheiden zijn ter beschikking van de dienst voor geneeskundige controle; ze moeten door de hierboven bedoelde praktizerende ondertekend zijn (artikel 9ter, §10 eerste lid van het K.B. van 24 december 1963).

Krachtens artikel 9ter, §10, derde lid van het K.B. van 24 december 1963 mag het in het eerste en tweede lid bedoelde procédé alleen maar worden aangewend op voorwaarde dat er tussen de ondertekenaar en elke betrokken praktizerende een schriftelijke lastgeving bestaat luidens welke de praktizerende (de lastgever) aan de ondertekenaar (de lasthebber), die aanvaardt, de volmacht verleent om, onder zijn handtekening, de door hem verleende verzorging aan te rekenen aan de ziekte- en invaliditeitsver-zekering.

Uit voormelde reglementaire bepalingen volgt dat vergoedingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging slechts kunnen verleend worden op voorwaarde dat aan de verzekeringsinstelling bepaalde getuigschriften worden afgeleverd die ook ondertekend moeten worden door welbepaalde personen.
Artikel 9 van het KB van 24 december 1963 vereist expliciet en zonder enige vorm van nuancering dat verzamelgetuigschriften voor verstrekte hulp die op basis van een schriftelijke lastgeving worden ondertekend, ondertekend worden door een geneesheer of een verstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren.

Het is precies door de ondertekening dat de ondertekende arts of (in casu) verpleegster verklaart dat hij/zij beschikt over documenten waaruit blijkt dat de verstrekkingen zijn verricht door de praktiserende wiens naam naast elke verstrekking is vermeld.

De vereiste dat de verzamelgetuigschriften worden ondertekend door een medisch gekwalificeerd persoon heeft duidelijk als doel, bij het opstellen van die stukken, na te gaan, desnoods bij wijze van een herhaalde controle, of de documenten waarop de te vermelden gegevens zijn gesteund overeenstemmen of kunnen overeenstemmen met de werkelijkheid en dat de toepasselijke reglementering werd nageleefd.

Artikel 9ter, §10 van het K.B. van 24 december 1963 houdt een duidelijke afwijking in op de artikelen 1984 en volgende van het Burgerlijk Wetboek die betrekking hebben op de lastgeving. Lastgeving is een handeling waarbij een persoon aan om het even wie de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen.
Binnen het wettelijk kader van artikel 9ter van het K.B. van 24 december 1963 kan alleen aan hetzij een geneesheer hetzij aan een verstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren, volmacht verleend worden.

Die vereiste hoedanigheid om de verzamelgetuigschriften te mogen ondertekenen heeft niets te maken met handelingsbekwaamheid.

Uit de voorgebrachte stukken blijkt dat geïntimeerde gebruik maakte van verzamelgetuigschriften (bijlage 51) om in de derdebetalersregeling betaling te bekomen van de verstrekkingen van haar verpleegsters.
Onder aan dit document is er een kader met de volgende voorgedrukte tekst: "Ik bevestig over documenten te beschikken die bewijzen dat de verstrekkingen werden uitgevoerd door de beoefenaar wiens naam er tegenover staat".

Mevrouw L. D. plaatste aanvankelijk in dit kader haar eigen naam en handtekening.
Mevrouw D., verantwoordelijke voor de organisatie, de administratie en het personeelsbeleid van de bvba D., was niet in het bezit van een medische kwalificatie.

Bij brief van 6 oktober 1995 werd de bvba D. er door de Christelijke Mutualiteiten - Verbond Kortrijk voor gewaarschuwd dat mevrouw D. de bewuste formulieren niet mocht ondertekenen. Er werd haar medegedeeld dat de "modellen D" dienden ondertekend te worden door een hoofdverpleegkundige, met een RIZIV-nummer. Mevrouw D. was niet gemachtigd deze modellen te ondertekenen. De bvba D. werd verzocht vanaf september 1995 de modellen in orde te brengen en indien er nog vragen waren, met de ziekteverzekeraar contact op te nemen (zie stukkenbundel LCM - inventaris der overuigingsstukken II, brief Kristelijk Ziekenfonds Kortrijk van 6 oktober 1995 aan bvba D.).

Tot september 1995 werd aldus op de verzamelstaten voor verstrekte hulp in het kader voor de ondertekening door de bedoelde verpleegkundige, de naam van mevrouw D. vermeld, tot augustus 1995 gevolgd door haar volledige handtekening. Op 1 september 1995 werd er reeds een verkorte handtekening in plaats van een volledige handtekening geplaatst. Vervolgens werd in de plaats van de naam van mevrouw D. de naam van H. M. (als verpleegkundige in dienst van bvba D. vanaf januari 1995) met haar RIZIV-identificatienummer 143762044400 vermeld, gevolgd door een verkorte handtekening. Deze verkorte handtekening liet niet toe na te gaan van wiens hand zij was. Bij grondig nazicht konden de eerste letters aangenomen worden als "io", de afkorting dus van "in opdracht", maar omdat die letters, op de meeste stukken, vloeiend deel uitmaakten van de verkorte handtekening, kon dit onmogelijk opvallen, zelfs niet voor een aandachtige lezer. Naderhand is gebleken dat de verkorte handtekening niet die van H. M. was, maar opnieuw van mevrouw D.

Om de verzamelgetuigschriften te ondertekenen beschikte H. M. over (niet gedateerde) schriftelijke lastgevingen van de overige verpleegsters, zoals bepaald in artikel 9ter, §10, derde lid van het K.B. van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen. Ze ondertekende echter de verzamelgetuigschriften niet zelf maar liet dit over aan mevrouw D., voor wie zij op haar beurt een gelijkaardige lastgeving had geschreven. Die verklaring luidde als volgt: "Ondergetekende M. H. verleent bij deze volmacht aan L. D. om de formulieren D (gezamelijke prestatieaanvragen per patiënt) voor D. in haar opdracht te ondertekenen."

Na het uit dienst treden van H. M. werden sinds maart 1999 de verzamelgetuigschriften niet meer ingediend met vermelding van "H. M." als ondertekende verpleegkundige, maar met vermelding van I. P., een andere verpleegkundige, eveneens werknemer van de bvba D. Aan mevrouw P. hadden de verpleegkundigen opnieuw een volmacht daartoe gegeven. Mevrouw P. had op haar beurt een volmacht aan mevrouw D. gegeven.

Voormelde werkwijze werd door mevrouw L. D. bevestigd in de processen-verbaal van verhoor van 5 december 1996 en 7 februari 1997 alwaar zij verklaarde:

"Wat betreft het aanrekenen van de prestaties: daarvoor maak ik gebruik (van) "Verzamelgetuigschriften voor Verstrekte Hulp".
Er wordt geen opleg aangerekend. Nergens in de streek wordt dit gedaan.
In het verleden werden deze door mij getekend, later door M. H., na verwittiging door een ziekenfonds van Kortrijk."
(zie stuk 1 inventaris der overtuigingsstukken III bundel LCM: proces-verbaal van verhoor van 5 december 1996)

"Oorspronkelijk werden de prestaties aangerekend met H-formulieren en getekend door de verpleegsters zelf.
Toen mijn programmeur mij vertelde dat het gemakkelijker zou zijn gebruik te maken van D-formulieren - vermits ik dan zelf mocht tekenen als niet-verpleegkundige, heb ik mij speciaal een printer aangeschaft met brede wagen en vanaf dan met laatstgenoemde formulieren gewerkt en zelf ondertekend. Daarna - een hele tijd later contacteerden de Christelijke Ziekenfondsen van Kortrijk mij met de vermelding dat het wel degelijk een verpleegkundige moest zijn die ondertekende. Vermits ik dat niet geloofde nam ik contact op met de programmeur die mij vertelde dat hij zou contact opnemen met een inspecteur via het RIZIV - waarvan hij de naam vernoemde - maar die ik vergeten ben. Later belde hij mij terug dat het inderdaad juist was maar dat ik met of bij volmacht mocht ondertekenen. Wat ik dan ook deed."
(zie stuk 2 inventaris der overtuigingsstukken III bundel LCM: proces-verbaal van verhoor van 7 februari 1997)

Ook in de controleverslagen van de dienst voor administratieve controle van het RIZIV (zie stukken 6, 7, 12 en 15 bundel LCM en stukken 3 en 5 bundel NVSM) wordt melding gemaakt dat op de verzamelgetuigschriften voor verstrekte hulp naast de naam van de verpleegkundige H. M. de handtekening werd aangebracht van L. D.

Tenslotte kan ook verwezen worden naar de beschikking van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Ieper van 24 mei 2002 (zie stuk 16 bundel geïntimeerde: raadkamer Ieper van 24 mei 2002) waarin de raadkamer met betrekking tot de tenlastelegging D (ondertekenen van globale getuigschriften voor verstrekte hulp zonder de vereiste hoedanigheid) het volgende overweegt betreffende het materieel bestanddeel:

"Uit de elementen van het gerechtelijk onderzoek blijken voldoende aanwijzingen voor het materiële bestanddeel van het misdrijf. De inverdenkinggestelde heeft meteen al toegegeven dat zij geen medische of paramedische kwalificaties had (zie al proces-verbaal Festjens van 5 december 1996)."

Uit alle voormelde gegevens blijkt dat alle door geïntimeerde ingediende verzamelgetuigschriften waarop de prestaties zijn vermeld waarop huidige terugvordering slaat, niet werden ondertekend door een arts of een verpleegkundige.

De bvba D. laat in ondergeschikte orde gelden dat artikel 9ter, §10 van het KB van 24 december 1963 strijdig is met het grondwettelijk gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel zodat, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, voornoemd artikel buiten toepassing moet gelaten worden.

Het Grondwettelijk Hof definieert de draagwijdte en de evaluatiecriteria van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod als volgt (zie o.m. Arbitra-gehof, nr. 1/94, 13 januari 1994):

"De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde catego-rieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een ob-jectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschon-den wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel."

Gelet op voormelde jurisprudentiële begripsomschrijving komen het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod slechts te berde bij ongelijke behandeling van gelijke of vergelijkbare gevallen en bij gelijke behandeling van ongelijke of onvergelijkbare gevallen.

Aangezien de bvba D. de grondwettigheid van een ongelijke behandeling in vraag stelt moet vooreerst onderzocht worden of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, kunnen worden vergeleken (zie Arbitragehof nr. 1/98, 14 januari 1998, A.A. 1998, 1; F. Meerschaut, Overzicht van de rechtspraak. De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk (1992-1997), T.P.R., 1998, p. 917, nr. 47).

In huidig geschil zijn de categorie van verpleegkundigen, zijnde personen die middelbaar of hoog opgeleid zijn in het uitvoeren van verpleegkundige taken (algemene en gespecialiseerde geneeskundige zorgen aan zieken, gewonden, bejaarden, personen met een handicap) en in het bezit zijn van een diploma in de verpleegkunde, en de categorie van niet-verpleegkundigen, zijnde personen die geen verpleegkundige opleiding hebben genoten en niet in het bezit zijn van een diploma in de verpleegkunde, geen vergelijkbare categorieën zodat hun ongelijke behandeling niet moet worden verantwoord en er geen sprake is van discriminatie.

Tenslotte houdt artikel 9ter, §10 van het KB van 24 december 1963 evenmin een belemmering in van de vrijheid van arbeid en handel.
Ook een niet-verpleegkundige kan perfect een dienst voor thuisverpleging uitbaten; enkel dient deze erover te waken dat de interne werking van de dienst zo georganiseerd is dat het nazicht van de medische stukken en het ondertekenen van de verzamelgetuigschriften toevertrouwd wordt aan een medisch gekwalificeerde persoon.

Samenvattend dient besloten te worden dat de door geïntimeerde ingediende verzamelgetuigschriften die opgemaakt en ingediend werden in strijd met de bepalingen van artikel 9ter, §10 van het K.B. van 24 december 1963 geen recht geven op vergoedingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging.

6.2. Terugvordering van ten onrechte betaalde prestaties

De verzekeringsinstellingen vorderen lastens de bvba D. de ten onrechte betaalde prestaties terug die langs de derdebetalersregeling zijn betaald.

Artikel 164, eerste en tweede lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de versie van toepassing vanaf 2 januari 1996 (dus na de wijziging ervan bij wet van 20 december 1995) tot 10 januari 2000 (dus tot aan de wijziging ervan bij wet van 24 december 1999) luidde:

"Hij die, ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging, van de uitkeringsverzekering of van de moederschaps-verzekering, is verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. De waarde van de aan de rechthebbende ten onrechte uitgekeerde prestaties dient evenwel terugbetaald te worden door diegene die de verzorging heeft verstrekt of verklaard heeft ze te hebben verstrekt indien het onverschuldigd zijn van de prestaties te wijten is aan het feit dat hij daarvoor de hoedanigheid niet bezat of zich, ten gevolge van een vergissing of bedrog, niet geschikt heeft naar de wets- of verordeningsbepalingen die hij moet naleven. (...)De prestaties vermeld op getuigschriften, facturen of magnetische dragers, die niet werden ingediend of verbeterd overeenkomstig de in de terzake door de Koning of bij verordening vastgestelde modaliteiten, worden beschouwd als ten onrechte uitgekeerde prestaties en dienen derhalve te worden terugbetaald door de betrokken zorgverlener, dienst of inrichting.

De ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging die langs de derdebetalersregeling zijn betaald, moeten terugbetaald worden door de zorgverstrekker die de wets- of verordeningsbepalingen niet heeft nageleefd. Indien een natuurlijk persoon of een rechtspersoon de prestaties voor eigen rekening heeft geïnd, is deze samen met de zorgverlener hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling ervan."

De gecoördineerde wet van 14 juli 1994, en meer bepaald de derdebetalersregeling, opent een recht op betaling van prestaties op voorwaarde dat regelmatige, door de wet vereiste, documenten worden overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen.
Betalingen die gebeuren op grond van documenten die niet in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen zijn onverschuldigd en dienen in toepassing van artikel 164, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 te worden terugbetaald door de rechtspersoon die de prestaties voor eigen rekening heeft geïnd.

In huidig geschil heeft de bvba D., zoals hoger vermeld, artikel 9ter, §10 van het KB van 24 december 1963 niet nageleefd; de globale getuigschriften voor verstrekte hulp werden ondertekend door L. D., zaakvoerster van de bvba D., die niet de hoedanigheid van verpleegkundige bezat.

Artikel 164 van de gecoördineerde wet stelt geenszins als voorwaarde voor de terugvordering dat het moet gaan om prestaties die niet uitgevoerd zijn of waarmee onregelmatigheden gebeurd zijn.

De terugvordering impliceert evenmin een verrijking in hoofde van het NVSM en de LCM want de verzekeringsinstellingen zijn verplicht met alle middelen tot recuperatie over te gaan zoniet komen de uitgekeerde bedragen ten laste van de administratiekosten.

De bvba D. laat ten onrechte gelden dat een terugvordering op grond van een loutere vergissing, zonder te beoordelen of dit een fout betreft, niet mogelijk is.
De wetgever heeft er immers duidelijk voor geopteerd gebruik te maken van het begrip 'vergissing' en niet van een foutbegrip.
Door aan te voeren dat een vergissing in de zin van artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 het bestaan van een fout veronderstelt voegt de bvba D. een voorwaarde toe aan de wet.

De buitenvervolgingstelling van L. D. wegens afwezigheid van een moreel bestanddeel verhindert geenszins de terugvordering van ten onrechte betaalde prestaties in het kader van de verplichte ziekteverzekering; uit de elementen van het gerechtelijk onderzoek blijken voldoende aanwijzingen voor het materiële bestanddeel van het misdrijf, met name het ondertekenen van globale getuigschriften voor verstrekte hulp zonder vereiste hoedanigheid (zie stuk 16 bundel geïntimeerde: beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Ieper van 24 mei 2002).

Terecht merkt het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies van 14 september 2010 op (stuk 3 dossier rechtspleging arbeidshof Antwerpen) dat gans de discussie over het gezag van gewijsde van de beslissing van de raadkamer volstrekt overbodig is aangezien een beschikking van buitenvervolgingstelling, zelfs indien ze op naam is van de initiële verweerder in het burgerlijk proces, wat in casu niet het geval is aangezien L. D. hierin niet is betrokken, geen gezag van gewijsde heeft.
De raadkamer oordeelt immers slechts over bezwaren en niet over bewijzen zoals een vonnisgerecht. Bovendien heeft de beslissing van de raadkamer slechts een voorlopig karakter (Declercq, R. Onderzoeksgerechten, A.P.R., 1993, Story scientia, 118).

Nu vaststaat dat de in het geding zijnde verzekeringsinstellingen ten onrechte prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging langs de derdebetalersregeling hebben uitbetaald aan de bvba D. zijn ze verplicht deze prestaties terug te vorderen, overeenkomstig artikel 164 vierde lid van de gecoördineerde ziektewet hetwelk bepaalt:

"Alle ten onrechte betaalde prestaties worden op een bijzondere rekening geboekt. Die prestaties worden teruggevorderd door de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend binnen de door de Koning bepaalde termijnen en met alle middelen, de gerechtelijke inbegrepen."

Een verzekeringsinstelling kan niet beschikken over de gelden van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zodat zij geen enkele manoeuvreerruimte heeft om de terugvordering van wat onrechtmatig werd verkregen te beperken.
De beperking van de terugvordering van het onverschuldigde kan alleen door verjaring, zoals voorzien in artikel 174 van de gecoördineerde ziektewet.

Geïntimeerde kan zich niet steunen op de onwetendheid van mevrouw L. D.; de elementen van het dossier tonen aan dat L. D. wel degelijk wist dat de door haar gevolgde werkwijze niet in overeenstemming was met de reglementering (zie processen-verbaal van verhoor van 5 december 1996 en 7 februari 1997 - stuken 1 en 2 inventaris der overtuigingsstukken III bundel LCM).

Trouwens de specifieke reglementering met betrekking tot de wijze waarop globale getuigschriften voor verstrekte hulp aan de verzekeringsinstelling moeten afgeleverd worden is niet ingewikkeld en wordt helder geformuleerd in artikel 9ter van het KB van 24 december 1963.

De ingeroepen onwetendheid kan niet volstaan als een vrijbrief om te ontsnappen aan een terugvordering. Het volstaat immers niet dat men niet weet of het verkeerd heeft begrepen, vereist is tevens dat het niet-weten of verkeerd begrip onoverkomelijk was door omstandigheden buiten de wil om.
Geïntimeerde toont niet aan dat de door haar ingeroepen onwetendheid te wijten was aan een onoverkomelijke gebeurtenis waarop zij geen vat had en dat ze alles in het werk heeft gesteld om het foutief handelen te voorkomen.

In ondergeschikte orde laat geïntimeerde nog gelden:
- dat de opdracht van het RIZIV aan de verzekeringsinstellingen om tot terugvordering over te gaan rechtsmisbruik uitmaakt gelet op het feit dat het RIZIV de werking van de bvba D. kende, dienaangaande géén PV heeft opgesteld noch enige waarschuwing heeft gegeven, vervolgens de bvba twee jaar laten verder werken heeft om dan uiteindelijk opdracht te geven aan LCM en NVSM om alles terug te vorderen;
- dat ook de terugvordering van de verzekeringsinstellingen rechtsmisbruik uitmaakt omdat LCM op de hoogte was van de facturatie-methode van de bvba D. en zonder opmerkingen overging tot uitbetaling van de gefactureerde prestaties.

Rechtsmisbruik houdt in dat de titularis van een subjectief recht bij zijn uitoefening kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht.
De grenzen van een recht overschrijden betekent dat zonder recht, dit is onrechtmatig wordt gehandeld. Aldus komt rechtsmisbruik als een aquiliaanse fout in de zin van de artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking.
Afgezien van een fout (het rechtsmisbruik) dient de bvba D. - overeenkomstig de artikelen 1315 B.W. en artikel 870 Ger.W. - te bewijzen dat dit rechtmisbruik schade heeft veroorzaakt in oorzakelijk verband met de fout.

Aangezien het RIZIV geen procespartij is in huidig geschil dienen de door geïntimeerde ingeroepen grieven inzake rechtsmisbruik enkel onderzocht te worden in de verhouding appellanten en geïntimeerde.

Appellanten benadrukken terecht dat in het kader van de beoordeling van een rechtsmisbruik, de handelingen en/of houding van het RIZIV niet lastens hen kunnen ingeroepen worden en dat zij een wettelijke verplichting hebben om ten onrechte uitbetaalde prestaties terug te vorderen; deze terugvorderings-plicht strekt zich niet alleen uit tot de gevallen aangebracht door het RIZIV maar ook tot deze die de ziekenfondsen zelf opsporen.

Behalve het feit dat er geen vordering wordt gesteld wegens schade uit onrechtmatige daad lastens appellanten, bewijst geïntimeerde niet dat appellanten zich op één of andere manier schuldig hebben gemaakt aan rechtsmisbruik.

Het arbeidshof sluit zich volledig aan bij de volgende overwegingen in het geschreven advies van het Openbaar Ministerie:

"Appellanten hebben door de terugvordering van het onverschuldigde consequent hun doelgebonden bevoegdheid uitgeoefend in het algemeen belang: de terugvordering van ten onrechte uitgekeerde gemeen-schapsgelden. Van enige schuldige afwending van het doel van de reglementering is geen sprake. Appellanten hadden éénvoudigweg geen enkele andere keuze.

Het probleem ligt niet bij appellanten, maar bij de BVBA D. die door de onderzoeken die hebben plaatsgevonden vóór de periode waarop de terugvordering slaat (vanaf 1997), meer dan voldoende gewaarschuwd was over foutieve manipulatie van de verzamelgetuigschriften.

Dit wordt trouwens voldoende bewezen door de omstandigheid dat de BVBA D. er alles aan gedaan heeft om, onder meer via een cascade van lastgevingen en verkorte handtekeningen de documenten louter administratief te kunnen afhandelen.

Bovendien is het ondenkbaar dat een vennootschap die gespecialiseerd is in thuisverpleging en meerdere verpleegkundigen in dienst heeft niet op de hoogte zou geweest zijn van de wettelijk voorgeschreven werk-wijze om de verzamelgetuigschriften in te vullen, terwijl deze bepalingen van publieke bekendheid zijn bij artsen en verpleegkundigen waarvan de grote meerderheid spontaan bereid is tot de naleving ervan.

In deze materie moet elk dalend normbesef en afnemende mate van bereidheid van de doelgroep van de reglementering om zich te conformeren streng en consequent worden aangepakt.

Het systeem van het invullen en ondertekenen van de verzamel-getuigschriften situeert zich in het breder perspectief van een geïntegreerde aanpak van de sociale fraude.

De instellingen hebben in deze zaak perfect gehandeld binnen de juridische grenzen van hun handhavingsrecht."

Tenslotte roept geïntimeerde, in ondergeschikte orde, een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet worden ingeroepen indien ze leiden tot een beleid dat tegen wettelijke bepalingen ingaat of wanneer de aangelegenheid wettelijk geregeld is.
Anders dan de beginselen van behoorlijk bestuur is het legaliteitsbeginsel immers rechtstreeks gegrond op een grondwettekst, namelijk artikel 159 van de Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen bepaalt uitdrukkelijk het procédé en de voorwaarden voor indiening van de globale getuigschriften voor verstrekte hulp met het oog op uitbetaling van de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging.

Dienvolgens kan, met verwijzing naar een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en/of vertrouwensbeginsel, niet beslist worden dat geïntimeerde toch gerechtigd blijft op de uitgekeerde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging indien vaststaat dat de globale getuigschriften voor verstrekte hulp niet werden ingediend overeenkomstig de wettelijke voorwaarden van artikel 9ter van het koninklijk besluit van 24 december 1993 (Cass., 29 november 2004, J.T.T., 2005, 104 en Soc. Kron. 2005, 9; Cass. 14 juni 1999, R.W. 1999-2000, 1450).

Vanuit deze invalshoek beschouwd zijn bijgevolg de door geïntimeerde aangevoerde grieven i.v.m. een mogelijke schending van voornoemde beginselen van behoorlijk bestuur, en ongeacht of ze al dan niet feitelijk gegrond zijn, niet terzake dienend.
Bovendien, en voor zoveel als nodig, dient te worden opgemerkt dat de sanctie voor het miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur een toepassing uitmaakt op de zorgvuldigheidsnorm vervat in de artikelen 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, wat aanleiding zou kunnen geven tot schadeloosstelling voor bewezen schade wat door geïntimeerde in huidig geschil niet wordt gevorderd.

Samenvattend besluit het arbeidshof tot de gegrondheid van de initiële vorderingen van appellanten lastens de inmiddels in staat van faillissement verklaarde bvba D. De ten onrechte uitgekeerde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, die cijfermatig niet worden betwist, dienen in toepassing van artikel 164 van de gecoördineerde wet te worden terugbetaald.

Er is geen enkele reden om de loop van de intresten te beperken in tijd; appellanten hebben tijdig hoger beroep ingesteld en procespartijen beschikken over zelfde middelen om het verloop van de procesgang te bespoedigen.

Gelet op de overeenkomst tussen partijen tot wederzijdse afstand van de gerechtskosten in onderhavige procedure, wordt er geen uitspraak gedaan inzake de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoedingen.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 14 september 2010.
Geïntimeerde heeft schriftelijk gerepliceerd op 20 september 2010 (ontvangen ter griffie van dit hof op 22 september 2010) en 30 september 2010 (ontvangen ter griffie van dit hof op 1 oktober 2010).

Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak.

Zegt voor recht dat de schriftelijke repliek van geïntimeerde d.d. 30 september 2010, ontvangen per gewone post op de griffie van dit hof op 1 oktober 2010, laattijdig is.

Verklaart het hoger beroep van appellanten gegrond.

Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 12 september 2003 in de openbare terechtzitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Ieper (A.R. nr. 23419 en 23471) in zoverre de vorderingen van appellanten ongegrond werden verklaard.

Opnieuw recht doende.

Verklaart de initiële vorderingen van appellanten tot terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde prestaties in de verzekering voor geneeskundige verzorging gegrond.

Zegt voor recht dat het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten een schuldvordering heeft op het faillissement van de bvba D. ten bedrage van honderdzestienduizend achthonderd negenenzeventig euro en vierenvijftig eurocent (116.879,54 euro), som te verhogen met de moratoire intresten vanaf 26 juli 1999 evenals de gerechtelijke intresten.

Zegt voor recht dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een schuldvordering heeft op het faillissement van de bvba D. ten bedrage van:
* tweehonderdvijfenzeventigduizend achthonderd zesentachtig euro en achtennegentig eurocent (275.886,98 euro), vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 11 februari 2000;
* veertienduizend zeshonderd zesentachtig euro en vijfendertig eurocent (14.686,35 euro), vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 28 februari 2000;
* tweeëndertigduizend zevenhonderd zesenzeventig euro en zesenvijftig eurocent (32.776,56 euro), vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 25 maart 2003.

Verzendt de zaak naar de rechtbank van koophandel te Ieper opdat deze zou oordelen over de opname van deze schuldvorderingen in het passief van het faillissement van de bvba D.

Verleent akte aan partijen van hun wederzijdse afstand van de gerechtskosten en bekrachtigt, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid deze overeenkomst.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 05/05/2011 - 13:54
Laatst aangepast op: di, 13/03/2012 - 11:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.