-A +A

Rijden met andermans voertuig is geen bewaargeving

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Kortrijk
Datum van de uitspraak: 
din, 18/12/2001

Voor het bestaan van dit contract dient het door partijen beoogde doel te zijn de overhandigde zaak te bewaren en te behouden, onder verplichting ze naderhand in natura terug te geven (Cass., 11 december 1845, Pas. 1846, I, 75). De wil om in bewaring te geven en te ontvangen is essentieel (Y. Merchiers, Bijzondere overeenkomsten, Gent, Story, 1981, 211).

Van elke normale zorgvuldige autobestuurder mag verwacht worden dat hij of zij, alvorens de autosleutel in het contact om te draaien, controleert of het starten mogelijk is zonder dat de auto onverhoeds vooruit of achteruit zal rijden; in de Wegcode is een dergelijk nazicht impliciet begrepen in de verplichtingen van art. 8.3, tweede lid, luidens welk men voortdurend zijn voertuig goed in de hand moet hebben.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
675
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV G.M. t/ D. en D.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 16 november 1999, tekent de NV G.M., hierna te noemen appellante, hoger beroep aan tegen een vonnis van de burgerlijke kamer van de Politierechtbank te Kortrijk, op tegenspraak gewezen op datum van 6 oktober 1999 inzake A.R. 2262, tussen, enerzijds, zijzelf als oorspronkelijke verweerster, eiseres op tussenvordering, en, anderzijds, dhr. Jan D., hierna te noemen eerste geïntimeerde, als oorspronkelijke eiser, en dhr. Patrick D., hierna te noemen tweede geïntimeerde, als oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij.

...

1. Feiten en antecedenten

De eerste geïntimeerde is op 17 september 1997 overgegaan tot dagvaarding van de huidige appellant voor de burgerlijke kamer van de Politierechtbank te Kortrijk, teneinde laatstgenoemde te horen veroordelen tot betaling aan de eerstgenoemde van 102.326 fr. schadevergoeding, vermeerderd mat de renten en de kosten.

In de dagvaarding zette de eerste geïntimeerde uiteen dat:

– zijn broer (de huidige tweede geïntimeerde) op 28 september 1996 een bestelwagen Ford Transit, eigendom van eerste geïntimeerde, naar de garage van de appellante bracht teneinde een gewone onderhoudsbeurt te laten uitvoeren; tweede geïntimeerde handelde in opdracht van de eerste geïntimeerde;

– een aangestelde van appellante, de mecanicien Angeline W., het voertuig binnenreed in de werkplaats en het boven de smeerput opstelde teneinde het onderhoud uit te voeren; de deuren van het voertuig bleven openstaan;

– deze mecanicien op een gegeven ogenblik aan de tweede geïntimeerde vroeg om de motor te starten, en dit omdat er niemand anders van het personeel in de werkplaats aanwezig was;

– tweede geïntimeerde hierop de sleutel in het contact omdraaide, maar aangezien het voertuig in eerste versnelling stond, zonder aangespannen handrem, dit voertuig plots vooruit reed en in aanrijding kwam met een andere personenwagen;

– de schade aan het voertuig van eerste geïntimeerde volgens expertise 42.583 fr. bedroeg, te vermeerderen met 6.000 fr. wegens twee dagen wachttijd en twee dagen herstelduur a rato van 1.500 fr. per dag;

– bovendien de bonus-malus naar 15 steeg i.p.v. te dalen naar 10, wat een meerbetaling van 53.743 fr. zou impliceren;

Eerste geïntimeerde achtte de appellante gehouden tot vergoeding van de schade en motiveerde deze eis door te verwijzen naar een tekortkoming van appellante aan haar verplichtingen als bewaarnemer van het voertuig; subsidiair meende eerste geïntimeerde dat de aangestelde van appellante een fout had begaan bij het uitvoeren van de aannemingsovereenkomst (onderhoudsbeurt), waarop appellante kan worden aangesproken; ten slotte werd meer subsidiair ook aangevoerd dat tweede geïntimeerde moet worden beschouwd als «gelegenheidsaangestelde» van de appellante, zodat laatstgenoemde kan worden aangesproken in zoverre wordt aanvaard dat tweede geïntimeerde bij het starten van de motor een fout heeft begaan.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 21 april 1999 kwam de huidige tweede geïntimeerde vrijwillig in het geding voor de eerste rechter tussen teneinde de aanspraken van de eerste geïntimeerde te bevestigen.

2. Bestreden vonnis

Het bestreden vonnis zegt voor recht dat de appellante een aannemingsovereenkomst met eerste geïntimeerde had gesloten, gepaard gaande met een bewaargeving; als zodanig zou de garagist een teruggaveverbintenis op zich hebben genomen, die moet worden beschouwd als een resultaatsverbintenis.

Voorts is de eerste rechter van mening dat de aangestelde van appellante een fout beging bij het uitvoeren van de onderhoudsbeurt door na te laten het voertuig uit versnelling te halen en de handrem aan te spannen; de volledige verantwoordelijkheid voor het ongeval werd bij de aangestelde van appellante gelegd.

De vordering voor voertuigschade en derving werd integraal toegekend.

De vordering voor vergoeding wegens premieverhoging werd herleid tot 42.557 fr., aangezien de eerste rechter een verdiscontering in rekening bracht.

In totaal werd appellante veroordeeld tot betaling aan de eerste geïntimeerde van 91.140 fr. schadevergoeding, vermeerderd met vergoedende en moratoire rente en de gedingkosten.

...

3. Grieven

Appellante voert in de beroepsakte aan dat:

– er geen overeenkomst van bewaargeving was totstandgekomen tussen haarzelf en eerste geïntimeerde;

– er geen fout van haar aangestelde kan worden aangenomen;

– de uitsluitende aansprakelijkheid voor het ongeval bij de tweede geïntimeerde berust;

– de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde dientengevolge als ongegrond moet afgewezen worden;

...

4. Beoordeling

4.a. Wat de aansprakelijkheid van de appellante betreft

4.a.1. Ten onrechte neemt de eerste rechter aan dat er tussen appellante en de eerste geïntimeerde een overeenkomst van bewaargeving zou zijn totstandgekomen.

Conform art. 1915 B.W. is bewaargeving een handeling – (eigenlijk wordt hier een overeenkomst bedoeld waarbij men de zaak van een ander aanneemt, onder verplichting om die te bewaren en in natura terug te geven.

Voor het bestaan van dit contract dient het door partijen beoogde doel te zijn de overhandigde zaak te bewaren en te behouden, onder verplichting ze naderhand in natura terug te geven (Cass., 11 december 1845, Pas. 1846, I, 75). De wil om in bewaring te geven en te ontvangen is essentieel (Y. Merchiers, Bijzondere overeenkomsten, Gent, Story, 1981, 211).

Uit de gestelde handelingen in deze zaak kan de Rechtbank niet afleiden dat bij beide partijen de wil aanwezig was tot het doen ontstaan van een overeenkomst van bewaargeving, wat alleszins vereist is om te besluiten tot het bestaan van een dergelijke overeenkomst (Rb. Mechelen, 22 maart 1989, Pas. 1989, III, 97).

In casu blijkt uit het feitenrelaas onomstotelijk dat:

– de tweede geïntimeerde handelde als lasthebber van zijn broer, de eerste geïntimeerde; hij had in opdracht en voor rekening van zijn broer het voertuig van deze laatste naar de garage van appellant gebracht teneinde aldaar een overeenkomst m.b.t. het uitvoeren van een onderhoudsbeurt te sluiten;

– tweede geïntimeerde de garage nimmer verlaten heeft, maar integendeel aanwezig bleef tijdens het uitvoeren van het onderhoud; de omstandigheid dat de aangestelde van appellante de tweede geïntimeerde verzocht om de motor te starten, bewijst afdoende dat deze laatste zich niet van het voertuig verwijderde, laat staan de garage verliet;

Bij tweede geïntimeerde was aldus geen spoor te vinden van enige wil om het voertuig in bewaring te geven aan appellante; dergelijke intentie zou daarentegen wel mogen (en zelfs moeten) worden aangenomen indien hij de garage van appellante voor enige tijd zou hebben verlaten, wat in deze zaak echter niet het geval is geweest.

Van appellante kan dan ook slechts worden gezegd dat hij een contract van aanneming had gesloten (uitvoeren van een onderhoudsbeurt), maar er is zeker geen sprake van een overeenkomst van bewaarneming.

Ook de overhandiging van de sleutels door tweede geïntimeerde aan de aangestelde van de appellante wijst niet op een contract van bewaargeving, want een dergelijke afgifte strekte er alleen toe om de mecanicien in staat te stellen het voertuig in correcte positie boven de smeerput te plaatsen, en dus enkel om het mogelijk te maken de aannemingsovereenkomst naar behoren uit te voeren; de mecanicien hield de sleutels niet bij zich, maar liet deze in het contact steken, zodat ze volledig ter beschikking bleven van de tweede geïntimeerde.

4.a.2. Eveneens ten onrechte heeft de eerste rechter aangenomen dat de aangestelde van appellante een fout zou hebben begaan die in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

Immers, van elke normale zorgvuldige autobestuurder mag verwacht worden dat hij of zij, alvorens de autosleutel in het contact om te draaien, controleert of het starten mogelijk is zonder dat de auto onverhoeds vooruit of achteruit zal rijden; in de Wegcode is een dergelijk nazicht impliciet begrepen in de verplichtingen van art. 8.3, tweede lid, luidens welk men voortdurend zijn voertuig goed in de hand moet hebben.

Een modaal autobestuurder – en er zijn in deze zaak geen aanwijzingen dat tweede geïntimeerde van een dergelijk modelbeeld zou afwijken – verricht een dergelijk nazicht zo goed als automatisch.

Hoewel art. 8.3, tweede lid, Wegcode uiteraard niet van toepassing is op een privé-terrein, zoals de garage van de appellante, mocht er ingevolge de zorgvuldigheidsnorm van art. 1382 B.W. toch wel degelijk van tweede geïntimeerde worden verwacht dat hij een eenvoudig nazicht zou uitvoeren alvorens de contactsleutel om te draaien. Dit klemt des te meer nu de tweede geïntimeerde er toch niet onwetend van kon geweest zijn dat er in de nabijheid van de smeerput nog andere auto‘s waren opgesteld die beschadigd konden worden indien het voertuig van eerste geïntimeerde onverhoeds vooruit zou rijden.

In de persoon van de aangestelde van appellante mag dan ook worden gesproken van een rechtmatige verwachting dat tweede geïntimeerde hoe dan ook een kort en gebruikelijk nazicht m.b.t. de stand van de versnelling en de handrem zou uitvoeren vooraleer hij de contactsleutel omdraaide, en in deze situatie beging de mecanicien geen fout door het voertuig boven de smeerput achter te laten in eerste versnelling en zonder aangespannen handrem.

4.a.3. Evenmin kan appellante worden aangesproken als zgn. «gelegenheidsaansteller» van de tweede geïntimeerde. Immers, er kan onmogelijk worden aangenomen dat er tussen de mecanicien van appellante en de persoon van tweede geïntimeerde een band van ondergeschiktheid bestond, waarbij deze laatste onder leiding en toezicht van de eerste zou hebben gestaan op het ogenblik dat hij de contactsleutel omdraaide.

Tweede geïntimeerde was immers geenszins verplicht om gevolg te geven aan het verzoek van de mecanicien om de motor te starten; hij had perfect kunnen weigeren om gevolg te geven aan het verzoek, zodat de mecanicien zelf de smeerput had moeten verlaten om de motor te starten; geen enkel element van de zaak laat toe om aan te nemen dat tweede geïntimeerde als aangestelde in de zin van art. 1384, derde lid, B.W. heeft gehandeld, wel integendeel.

Besluit: de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde is volkomen ongegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/05/2016 - 13:52
Laatst aangepast op: vr, 13/05/2016 - 13:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.