-A +A

Revindicatievordering en strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 18/10/2016

De macht van de beslagrechter is normaliter beperkt in de zaken waarvoor hij op grond van art. 1395 Ger.W. bevoegd is. Zijn beslissingen mogen geen nadeel toebrengen aan de grond van de zaak (art. 1489, tweede lid, Ger.W.). De beslagrechter oordeelt immers niet over de grond van de zaak, maar enkel over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van het beslag/de tenuitvoerlegging. Hij mag niet ingrijpen in de materieelrechtelijke verhoudingen tussen de partijen noch hierover een oordeel vellen en hij wordt in zijn beoordeling (dus) niet gehinderd door het adagium «le criminel tient le civil en état», omdat deze regel enkel geldt voor de civiele bodemrechter (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 317, nr. 455).

In het kader van een revindicatieprocedure is de rol van de beslagrechter evenwel anders, aangezien hij in een dergelijke procedure eerder optreedt als bodemrechter dan als executierechter (met toepassing van art. 1395 Ger.W.). De beslagrechter is immers – als enige – bevoegd om te beoordelen of eigendomsaanspraken van de revindicant terecht zijn. De beslagrechter beslist ten gronde over de eigendomsaanspraken en is dan ook zoals een (andere) bodemrechter gebonden door het adagium «le criminel tient le civil en état» (E. Dirix en K. Broeckx, o.c., p. 416, nr. 651).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
229
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA V.C. e.a. t/ Faillissement NV O.B. e.a.

...

IV. Beoordeling

...

Het staat buiten kijf (en wordt niet betwist) dat de eerste eiseres in de huidige procedure een revindicatievordering instelt. Zij is immers van oordeel dat het in beslag genomen voertuig Porsche haar exclusieve eigendom is en wenst dit door de beslagrechter bevestigd te zien.

Krachtens art. 1514 Ger.W. moet een dagvaarding tot revindicatie de bewijzen van eigendom (op het ogenblik van het beslag) bevatten, en dit op straffe van nietigheid. Deze bewijzen moeten voldoende precies worden opgegeven teneinde de beslagleggende schuldeiser meteen in de gelegenheid te stellen de bedoelde revindicatie te evalueren. De opgave van de bewijzen van eigendom slaat op de rechtsfeiten en/of de rechtshandelingen die het eigendomsrecht in zich sluiten en op de bewijsmiddelen dienaangaande.

Bewijzen van eigendom die niet in de dagvaarding tot revindicatie voorkomen, kunnen in beginsel niet meer worden aangewend. Aanvullende bewijzen van eigendom zijn wel mogelijk (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 416-417, nr. 652).

De niet-opgave van de bewijzen van eigendom en zodoende de miskenning van art. 1514 Ger.W. krenkt in principe het belang van de beslagleggende schuldeiser, omdat hij op die manier wellicht de bedoelde revindicatie niet afdoende kan evalueren. De uitoefening van het recht van verdediging van de beslagleggende schuldeiser (die de ernst en de waarachtigheid van de eigendomsaanspraken moet kunnen beoordelen) onderstelt een behoorlijke opgave van de bewijzen van eigendom. De beslagleggende schuldeiser moet dit wel in limine litis opwerpen en hij dient een belangenkrenking te kunnen aantonen.

De beslagrechter stelt vast dat de eerste eiseres, de revindicant in de gedinginleidende dagvaarding, op voldoende gedetailleerde wijze uiteenzet op welke stukken zij zich baseert om haar exclusief eigendomsrecht op te eisen. Met name verwijst zij op gedetailleerde wijze naar de verkoopfactuur uitgaande van de beslagen schuldenaar en gedateerd op 10 februari 2015, naar de inschrijving van deze factuur in haar boekhouding op 28 februari 2015 en naar het feit dat dit voertuig sindsdien bij haar aanwezig is (met twee sleutels, boordpapieren en dat zij het te koop aanbiedt).

Deze in de gedinginleidende dagvaarding aangebrachte bewijzen van (exclusieve) eigendom werden door de eerste eiseres in de loop van de procedure voor deze zetel nog aangevuld met wat de eerste eiseres omschrijft als de «betalingsbewijzen». Het is een revindicant die voldoet aan de voorschriften van art. 1514 Ger.W. perfect toegelaten om zijn bewijzen aan te vullen met andere daarbij aansluitende elementen, zoals betalingsbewijzen (zie bv. Beslagr. Brussel, 30 januari 1989, JLMB 1989, 859).

Het voertuig (...) zou immers volgens de eerste eiseres door de beslagen schuldenaar (P.) aan haar verkocht zijn op 10 februari 2015 tegen een prijs van 500.000 euro. De verkoper (beslagen schuldenaar) heeft daarvoor zelf – als particulier – een factuur opgesteld (vrij van BTW) voor de prijs van 500.000 euro en op deze factuur heeft hij verklaard dat alles betaald was. De handtekening van zowel de verkoper als de (zaakvoerder van de) koper komen op deze factuur voor.

Volgens de eerste eiseres werd deze prijs van 500.000 euro door haar betaald door de levering aan de beslagen schuldenaar (P.) van een voertuig Aston Martin (model DB 2/4 MARK III Fixed Head Coupe) ter waarde van 300.000 euro, waarvoor zij factuur (...) heeft opgesteld op 10 februari 2015 ten bedrage van 300.000 euro (zonder BTW) waarop de h. P. blijkbaar een handtekening heeft geplaatst. Deze prijs van 300.000 euro diende door de h. P. niet te worden betaald, maar werd volgens de eerste eiseres gecompenseerd met (een deel van) de door haar te betalen prijs voor de Porsche.

Voorts voert de eerste eiseres aan dat zij een bankcheque van 100.000 euro ter beschikking van de beslagen schuldenaar zou hebben gesteld, maar dat deze in bewaring mocht worden gehouden door één van haar zaakvoerders als waarborg voor eventuele herstelkosten aan de Porsche. Volgens de voorgelegde stukken werd deze bankcheque (pas) op 13 februari 2015 aangemaakt.

Daarnaast stelt de eerste eiseres dat zij 50.000 euro in contant geld aan de beslagen schuldenaar (op diens uitdrukkelijk verzoek) zou hebben gegeven. Van deze betaling legt zij geen afgiftebewijs voor noch enig ontvangstbewijs ondertekend door de verkoper (P.). Zij legt wel stukken voor waaruit dient te blijken dat zij (in verschillende schijven) op 13 februari 2015 50.000 euro van haar bankrekening (...) heeft gehaald.

Ten slotte voert zij aan dat zij ook nog een rechtstreekse storting van 50.00 euro heeft uitgevoerd naar de rekening van de verkoper (P.), zijnde rekening (...), wat volgens de voorgelegde stukken is gebeurd op 11 februari 2015. Bij deze storting werd vermeld «saldo aankoop Porsche – verkoop Aston Martin».

Met betrekking tot deze «betalingsbewijzen» merken de curatoren terecht op dat de eerste eiseres geen enkele verduidelijking verleent over de wijze waarop zij deze betaling van 500.000 euro in verschillende schijven en op totaal verschillende manieren (compensatie, bankcheque, contanten en storting) boekhoudkundig heeft verwerkt.

Op de terechtzitting van 4 oktober 2016 hebben de curatoren de beslagrechter een bijkomend stuk voorgelegd en uiteengezet dat zij via het openbaar ministerie hebben vernomen dat er ten laste van onder meer de beslagen schuldenaar P. een gerechtelijk onderzoek lopende is onder leiding van onderzoeksrechter S. (dossier 133/216) wegens (o.a.) de misdrijven misbruik van vennootschapsgoederen, overtredingen van de Bankwet en bedrieglijk onvermogen en dat in het kader van dit onderzoek in opdracht van de onderzoeksrechter op 7 juli 2016 overgegaan werd tot het leggen van strafrechtelijk bewarend beslag op (onder meer) de Porsche die in de huidige procedure door de eerste eiseres wordt gerevindiceerd. Het onderzoek zou zich toespitsen op onder meer de vraag of deze wagen eigendom is van de beslagen schuldenaar, van O.B. of van één van de eiseressen.

De curatoren hebben de beslagrechter de vraag voorgelegd of het niet raadzaam voorkomt om de huidige (burgerlijke) procedure op te schorten met toepassing van het adagium «le criminel tient le civil en état». De vraag rijst derhalve of de beslagrechter de huidige revindicatieprocedure sine die dient op te schorten (cfr. art. 4, eerste lid VTSv.).

De macht van de beslagrechter is normaliter beperkt in de zaken waarvoor hij op grond van art. 1395 Ger.W. bevoegd is. Zijn beslissingen mogen geen nadeel toebrengen aan de grond van de zaak (art. 1489, tweede lid, Ger.W.). De beslagrechter oordeelt immers niet over de grond van de zaak, maar enkel over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van het beslag/de tenuitvoerlegging. Hij mag niet ingrijpen in de materieelrechtelijke verhoudingen tussen de partijen noch hierover een oordeel vellen en hij wordt in zijn beoordeling (dus) niet gehinderd door het adagium «le criminel tient le civil en état», omdat deze regel enkel geldt voor de civiele bodemrechter (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 317, nr. 455).

In het kader van een revindicatieprocedure is de rol van de beslagrechter evenwel anders, aangezien hij in een dergelijke procedure eerder optreedt als bodemrechter dan als executierechter (met toepassing van art. 1395 Ger.W.). De beslagrechter is immers – als enige – bevoegd om te beoordelen of eigendomsaanspraken van de revindicant terecht zijn. De beslagrechter beslist ten gronde over de eigendomsaanspraken en is dan ook zoals een (andere) bodemrechter gebonden door het adagium «le criminel tient le civil en état» (E. Dirix en K. Broeckx, o.c., p. 416, nr. 651).

Gelet op het feit dat er op de Porsche op instructie van de onderzoeksrechter ook een strafrechtelijk (bewarend) beslag werd gelegd op 7 juli 2016 en dat het gerechtelijk onderzoek zich toespitst op onder meer de vraag naar het eigendomsrecht op deze Porsche, bestaat er duidelijk een risico op tegenstrijdige uitspraken waardoor er een mogelijk conflict zou bestaan tussen het oordeel van de burgerlijke (beslag)rechter en dit van de strafrechter. De onderzoeksrechter, vervolgens de onderzoeksgerechten en ten slotte (eventueel) de strafrechter ten gronde zijn immers geadieerd door een klacht tegen (onder meer) de beslagen schuldenaar P. en in het kader van dit gerechtelijke onderzoek wordt er ook onderzoek gevoerd naar het eigendomsrecht op de (in beslag genomen) Porsche.

Het komt dan ook noodzakelijk voor om de huidige revindicatieprocedure op te schorten tot wanneer er duidelijkheid zal zijn over het al dan niet handhaven van het strafrechtelijke beslag op de Porsche. Het risico op tegenstrijdigheid in de uitspraken van de huidige burgerlijke zaak en van het gerechtelijke onderzoek (en de eventuele strafrechtelijke bodemprocedure) is immers reëel.

De beslagrechter gaat ervan uit dat de curatoren het nodige zullen doen om een afschrift van het huidige tussenvonnis mede te delen aan het openbaar ministerie en aan de betrokken onderzoeksrechter, zodat een uitdrukkelijke mededeling ervan aan het openbaar ministerie in het dictum van het huidige vonnis niet dient te worden bevolen.

...

Noot: 

Onder dit arrest in het RW Claudia Van Severen, De noodzakelijke partij(en) in een geding betreffende de revindicatie van in beslag genomen roerende goederen

Rechtsleer:

• P. Vanlersberghe, “Art. 17 Ger.W.” in Comm.Ger., 2002, p. 4-6, nrs. 2-3

• A. Fettweis, “L’indivisibilité du litige en droit judiciaire privé”, JT 1971, (269), p. 271, nrs. 9 en 11;

• E. Krings en M. Storme, Preadvies over onsplitsbaarheid, Antwerpen-Zwolle, De Sikkel-Tjeenk Willink, 1971, p. 3, nr. 2

• A. Fettweis, Handboek voor gerechtelijk recht, II, Bevoegdheid, Antwerpen, Standaard, 1971, p. 118, nr. 204;

• P. Dauw, “Art. 701 Ger.W.” in Comm.Ger., 2004, p. 19, nr. 20;

• J. Laenens, De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch Recht, Antwerpen, Kluwer, 1981, p. 45, nr. 149

• H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, Deventer, Kluwer, 2009, p. 99-106, nrs. 102-112;

• P.A. Stein en A.S. Rueb, Compendium burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 149-151

• G. De Leval, “La saisie-exécution mobilière”, TPR 1980, (309) 329

• E. Dirix, “Overzicht van rechtspraak (1997-2001) – Beslag en collectieve schuldenregeling”, TPR 2002, (1187), p. 1253, nr. 92

• W. De Smedt, “De vormvereisten bij revindicatie van in beslag genomen voorwerpen”, RW 1973-74, (2127), k. 2136, nrs. 24 en 26-27

Rechtspraak

• Beslagr. Brussel 12 maart 1998, Bull.Bel. 1999, 1593; Beslagr. Brussel 6 november 1997, JT 1998, 188;

• Antwerpen 12 juni 2007, NJW 2009, 222, noot K. Broeckx;

• Bergen 30 april 1990, JLMB 1990, 1000, noot G. De Leval;

• Beslagr. Brussel 12 maart 1998, Bull.Bel. 1999, 1593;

• Beslagr. Brussel 6 november 1997, JT 1998, 188;

• Beslagr. Brussel 28 oktober 1996, JT 1997, 348

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/10/2017 - 17:04
Laatst aangepast op: ma, 02/10/2017 - 17:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.