-A +A

Revindicaties als onsplitsbaar geschil

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 10/06/2014

Terwijl voor de eerste rechter met toepassing van art. 1514, derde lid Ger.W. een aantal andere (beslagleggende) schuldeisers zijn betrokken, die zodoende partij zijn geworden met het oog op de tegenwerpbaarheid van de uitspraak aangaande de revindicatie, zijn deze partijen niet meer in hoger beroep betrokken. Dit heeft enkel repercussies voor de tegenwerpbaarheid van de uitspraak in hoger beroep, terwijl het onsplitsbare karakter van een revindicatiegeding beperkt is tot de verhouding tussen (1) de revindicant; (2) de beslagleggende schuldeiser en (3) de beslagen schuldenaar.

Art. 1053, eerste lid Ger.W. is derhalve niet in het gedrang, omdat de procesverhouding tussen (1) de revindicant, (2) de beslagleggende schuldeiser en (3) de beslagen schuldenaar is doorgetrokken in hoger beroep.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1507
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V.V.G. t/ NV F.B. en Faillissement NV I.T. & T.C.

I. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 5 november 2012 verklaart de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk de door V.V.G. (hierna: “G. – revindicant”) bij dagvaarding van 5 januari 2012 ingestelde vordering tot revindicatie van twee opleggers/aanhangwagens ontvankelijk maar ongegrond. De beslagrechter verklaart de tegenvordering van de nv F.B. (hierna: “F.B. – beslagleggende schuldeiser”) met het oog op een schadevergoeding wegens de opgelopen vertraging bij de tegeldemaking van de in beslag genomen aanhangwagens (en meer algemeen procesrechtsmisbruik) eveneens ontvankelijk, maar ongegrond (...).

...

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 13 februari 2013 stelt G. hoger beroep in. Hij beoogt in essentie de inwilliging van zijn oorspronkelijke vordering tot revindicatie en zodoende de opheffing van het litigieuze beslag van de naar zijn oordeel ten onrechte in beslag genomen aanhangwagens, met vrijgave ervan.

Hij beoogt voorts, ten laste van zowel F.B. als de nv I.T. & T.C. in faillissement (hierna: “ITTC in faillissement – beslagen schuldenaar”), een schadevergoeding wegens de beweerde gebruiksderving van de aanhangwagens in de periode vanaf 15 november 2011 tot de datum van de vrijgave.

2. F.B. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

3. ITTC in faillissement sluit zich aan bij de conclusie van F.B.

...

III. Beoordeling

1. Het hoger beroep van G. is tijdig en regelmatig.

Terwijl voor de eerste rechter met toepassing van art. 1514, derde lid Ger.W. een aantal andere (beslagleggende) schuldeisers zijn betrokken, die zodoende partij zijn geworden met het oog op de tegenwerpbaarheid van de uitspraak aangaande de revindicatie, zijn deze partijen niet meer in hoger beroep betrokken. Dit heeft enkel repercussies voor de tegenwerpbaarheid van de uitspraak in hoger beroep, terwijl het onsplitsbare karakter van een revindicatiegeding beperkt is tot de verhouding tussen (1) de revindicant; (2) de beslagleggende schuldeiser en (3) de beslagen schuldenaar.

Art. 1053, eerste lid Ger.W. is derhalve niet in het gedrang, omdat de procesverhouding tussen (1) de revindicant, (2) de beslagleggende schuldeiser en (3) de beslagen schuldenaar is doorgetrokken in hoger beroep.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

...

Noot: 

Onder dit arrest in het RW Claudia Van Severen, De noodzakelijke partij(en) in een geding betreffende de revindicatie van in beslag genomen roerende goederen

Rechtsleer:

• P. Vanlersberghe, “Art. 17 Ger.W.” in Comm.Ger., 2002, p. 4-6, nrs. 2-3

• A. Fettweis, “L’indivisibilité du litige en droit judiciaire privé”, JT 1971, (269), p. 271, nrs. 9 en 11;

• E. Krings en M. Storme, Preadvies over onsplitsbaarheid, Antwerpen-Zwolle, De Sikkel-Tjeenk Willink, 1971, p. 3, nr. 2

• A. Fettweis, Handboek voor gerechtelijk recht, II, Bevoegdheid, Antwerpen, Standaard, 1971, p. 118, nr. 204;

• P. Dauw, “Art. 701 Ger.W.” in Comm.Ger., 2004, p. 19, nr. 20;

• J. Laenens, De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch Recht, Antwerpen, Kluwer, 1981, p. 45, nr. 149

• H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, Deventer, Kluwer, 2009, p. 99-106, nrs. 102-112;

• P.A. Stein en A.S. Rueb, Compendium burgerlijk procesrecht, Deventer, Kluwer, 2003, 149-151

• G. De Leval, “La saisie-exécution mobilière”, TPR 1980, (309) 329

• E. Dirix, “Overzicht van rechtspraak (1997-2001) – Beslag en collectieve schuldenregeling”, TPR 2002, (1187), p. 1253, nr. 92

• W. De Smedt, “De vormvereisten bij revindicatie van in beslag genomen voorwerpen”, RW 1973-74, (2127), k. 2136, nrs. 24 en 26-27

Rechtspraak

• Beslagr. Brussel 12 maart 1998, Bull.Bel. 1999, 1593; Beslagr. Brussel 6 november 1997, JT 1998, 188;

• Antwerpen 12 juni 2007, NJW 2009, 222, noot K. Broeckx;

• Bergen 30 april 1990, JLMB 1990, 1000, noot G. De Leval;

• Beslagr. Brussel 12 maart 1998, Bull.Bel. 1999, 1593;

• Beslagr. Brussel 6 november 1997, JT 1998, 188;

• Beslagr. Brussel 28 oktober 1996, JT 1997, 348

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 15/05/2017 - 13:35
Laatst aangepast op: ma, 02/10/2017 - 16:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.