-A +A

Revindicatie vereist vermelding precieze verifieerbare eigendomsbewijzen in de dagvaarding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 29/11/2016

Krachtens art. 1514 Ger.W. moet de dagvaarding tot revindicatie de ondubbelzinnige bewijzen van eigendom (op het ogenblik van het beslag) bevatten, en dit op straffe van nietigheid. Deze bewijzen moeten voldoende precies worden opgegeven teneinde de beslagleggende schuldeiser meteen in de gelegenheid te stellen de bedoelde revindicatie te beoordelen. De opgave van de bewijzen van eigendom slaat op de rechtsfeiten en/of de rechtsbehandelingen die het eigendomsrecht in zich sluiten en op de bewijsmiddelen dienaangaande.

Bewijzen van eigendom die niet in de dagvaarding tot revindicatie voorkomen, kunnen in beginsel niet meer worden aangewend. Aanvullende bewijzen van eigendom zijn wel mogelijk (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 416-417, nr. 652).

Wanneer de revindicatieprocedure met bedoeling de schuldeiser te frustreren, de tenuitvoerlegging te dwarsbomen en aldus de procedure onrechtmatog, kennelijk vertragend , tergend en roekeloos handelt kan de revindicant veroordeeld worden tot een schadevergoeding en tot een burgerlijke geldboete.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
191
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

...

II. De vorderingen

2.1. De eisers (...) vorderen in de gedinginleidende dagvaarding (1) de revindicatie van alle roerende goederen die bij exploot van 27 november 2015 in uitvoerend beslag werden genomen; (2) de opheffing te bevelen van het op 27 november 2015 op initiatief van de eerste verweerster gelegde uitvoerende beslag op roerende goederen binnen 24 uur na de uitspraak van het vonnis; (3) te zeggen voor recht dat het vonnis als titel voor de opheffing van het beslag zal gelden bij gebrek aan tijdige vrijwillige handlichting ervan door de eerste verweerster (...).

2.2. De eerste verweerster (beslagleggende schuldeiser) verzoekt de beslagrechter om (1) de revindicatievordering als onontvankelijk of minstens als ongegrond af te wijzen (...).

III. Beoordeling

3.1. De eerste verweerster, de beslagleggende schuldeiser, zet uiteen dat zij schuldeiser is van de BVBA V., zijnde een slagerij te Zulte aan wie zij vroeger leverde. Wegens een betalingsachterstand is zij op 7 augustus 2015 overgegaan tot dagvaarding van de BVBA V., en deze laatste werd bij vonnis van 24 september 2015 – bij verstek – door de Rechtbank van Koophandel te Gent, afdeling Oostende, veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen (8.204,25 euro), vermeerderd met schadevergoeding, intresten en kosten.

Dit (voorlopig uitvoerbaar verklaard) vonnis werd aan BVBA V. betekend bij exploot van 27 oktober 2015 samen met een bevel tot betalen.

Bij exploot van 27 november 2015 werd vervolgens door het ambt van gerechtsdeurwaarder (...) krachtens de hierboven vermelde uitvoerbare titel, ten laste van de BVBA V. op haar maatschappelijke zetel (die zich toen nog te Kruishoutem bevond op het adres ...), een uitvoerend beslag op roerende goederen betekend en met name op de in de huidige procedure gerevindiceerde goederen, waarbij de verkoopdatum werd vastgesteld op 13 januari 2016. Meer bepaald werd beslag gelegd op 17 in het exploot omschreven roerende goederen en op twee voertuigen. Het beslagexploot werd betekend in handen van de tweede eiseres, mevrouw De S.C.

Op 5 januari 2016 werd het proces-verbaal van aanplakking betekend. Diezelfde dag heeft de beslagen schuldenaar een betaling van 3.000 euro gedaan, zodat de verkoop werd uitgesteld.

Bij gebrek aan verdere betalingen werd op 8 maart 2016 een nieuwe verkoopdatum (27 april 2016) betekend. Een dag vóór de verkoopdatum werd een tweede betaling door de schuldenaar verricht ten bedrage van 2.200 euro, met een nieuw uitstel van de openbare verkoop tot gevolg.

Opnieuw volgden geen betalingen meer, zodat op 20 juni 2016 voor de tweede maal een nieuwe verkoopdag werd betekend (27 juni 2016). Op 19 juli 2016 werd andermaal een proces-verbaal van aanplakking opgesteld en een dag vóór de vastgestelde verkoopdatum van 27 juni 2016, namelijk op 26 juli 2016, hebben de eisers de huidige revindicatieprocedure opgestart.

3.2. Krachtens art. 1514 Ger.W. moet de dagvaarding tot revindicatie de bewijzen van eigendom (op het ogenblik van het beslag) bevatten, en dit op straffe van nietigheid. Deze bewijzen moeten voldoende precies worden opgegeven teneinde de beslagleggende schuldeiser meteen in de gelegenheid te stellen de bedoelde revindicatie te evalueren. De opgave van de bewijzen van eigendom slaat op de rechtsfeiten en/of de rechtshandelingen die het eigendomsrecht in zich sluiten en op de bewijsmiddelen dienaangaande.

Bewijzen van eigendom die niet in de dagvaarding tot revindicatie voorkomen, kunnen in beginsel niet meer worden aangewend. Aanvullende bewijzen van eigendom zijn wel mogelijk (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 416-417, nr. 652).

De niet-opgave van de bewijzen van eigendom en zodoende de miskenning van art. 1514 Ger.W. krenkt in principe het belang van de beslagleggende schuldeiser, omdat hij op die manier wellicht de bedoelde revindicatie niet afdoende kan evalueren. De uitoefening van het recht van verdediging van de beslagleggende schuldeiser (die de ernst en de waarachtigheid van de eigendomsaanspraken moet kunnen beoordelen) onderstelt een behoorlijke opgave van de bewijzen van eigendom. De beslagleggende schuldeiser moet dit wel in limine litis opwerpen en hij dient een belangenkrenking te kunnen aantonen.

De beslagrechter stelt in casu vast dat door de revindicanten aan de voorschriften van art. 1514 Ger.W. werd voldaan doordat in de dagvaarding verwezen wordt naar enerzijds facturen (voor wat de goederen 11-13 betreft op de inventaris van de inbeslagname) en een aankoopfactuur en inschrijvingsbewijs voor wat het voertuig Hyundai betreft en anderzijds naar fotomateriaal en naar het feit dat het privégoederen betreft voor wat de andere in beslag genomen goederen betreft. De revindicanten verwijzen uitdrukkelijk naar deze eigendomsbewijzen die zij evenwel niet samen met de dagvaarding in afschrift hebben laten betekenen. Dit laatste is evenwel geen dwingend voorschrift om aan art. 1514 Ger.W. te voldoen. Om deze redenen kan er dan ook geen sprake zijn van een schending van art. 1514 Ger.W. en evenmin van een nietige dagvaarding (en een daaruit volgende niet-ontvankelijke vordering).

3.3. Dit betekent echter daarom nog niet dat de vordering van de eisers ook ten gronde kan slagen. Een vordering tot revindicatie kan (ten gronde) enkel slagen indien de eisers tot revindicatie het duidelijke bewijs bijbrengen dat de bedoelde in beslag genomen en gerevindiceerde goederen hun persoonlijke eigendom zijn. Nu de in beslag genomen en gerevindiceerde goederen op het ogenblik van het beslag in het bezit waren van de beslagen schuldenaar op het adres van haar maatschappelijke zetel, mocht de beslagleggende schuldeiser, gelet op art. 2279 BW, er terecht van uitgaan dat de bedoelde lichamelijke roerende goederen ook effectief aan de beslagen schuldenaar toebehoren.

Het komt aan de eisers tot revindicatie – als beweerde ware eigenaar ten tijde van het litigieuze beslag – toe om het wettelijk vermoeden van art. 2279 BW te ontkrachten door aan te tonen dat het bezit van de beslagen schuldenaar op het ogenblik van het beslag ondeugdelijk of gebrekkig is, gelet op een eigen (ondubbelzinnig) eigendomsbewijs (bv. een aankooptitel zoals een factuur met een bijbehorend betalingsbewijs).

De beslagrechter geniet dienaangaande hoe dan ook een ruime beoordelingsbevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, zij het dat, gelet op de mogelijkheid tot collusie, een en ander met uiterste terughoudendheid en met de nodige gestrengheid moet worden bekeken.

3.4. Dienaangaande stelt de beslagrechter samen met de eerste verweerster vast dat de beslagen schuldenaar, zijnde de handelsvennootschap BVBA, ten tijde van de beslaglegging (27 november 2015) haar maatschappelijke zetel had op hetzelfde adres als de beide eisers.

Enkele dagen na het leggen van het uitvoerend beslag op de litigieuze roerende goederen, namelijk op 1 december 2015, beslist de zaakvoerder van de BVBA V. om de maatschappelijke zetel van de vennootschap te verplaatsen naar een ander adres waarvan niet is geweten of daar vervolgens ooit enige handelsactiviteit is doorgegaan (zie de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 22 december 2015).

Bovendien blijken de beide eisers de oprichters (en enige aandeelhouders) te zijn van de BVBA V. en is de eiser steeds de enige (niet-statutaire) zaakvoerder van de vennootschap geweest. Op grond van deze vaststelling is het duidelijk dat er een nauwe verwantschap en verwevenheid bestaat tussen de eisers in revindicatie en de beslagen schuldenaar die het mogelijk maakt dat deze beide partijen op bedrieglijke wijze samenwerken met als doel om de beslagene in staat te stellen zich te onttrekken aan haar schuldeisers en aan haar betalingsverplichtingen tegenover deze schuldeisers.

Bovendien kunnen de revindicanten onmogelijk ernstig beweren dat zij niet op de hoogte geweest zouden zijn van het op 27 november 2015 betekende uitvoerende beslag op roerende goederen, aangezien dit in handen van eiseres De S. werd betekend. Nochtans dient te worden vastgesteld dat de revindicanten pas op 26 juli 2016 eigendomsaanspraken formuleren en dat dit pas in extremis gebeurt, namelijk de dag vóór (de derde) verkoopdag, terwijl er sinds de beslaglegging twee aanbetalingen werden gedaan (door de beslagen schuldenaar waarvan de eiser in revindicatie dus de enige zaakvoerder is of was) op de openstaande schuldvordering van de eerste verweerster.

Ten slotte dient de beslagrechter vast te stellen dat de eisers geen enkel bewijsstuk van hun eigendomsaanspraken voorleggen, dat zij geen enkele conclusie ter griffie hebben neergelegd, dat zij niet op de terechtzitting zijn verschenen en dat de raadsman die in de gedinginleidende dagvaarding als hun raadsman wordt vermeld, niet langer voor hen optreedt. Daarenboven blijkt uit de verklaringen van de (raadsman van de) eerste verweerster dat de eigendomsbewijzen waarvan in de dagvaarding gewag wordt gemaakt, zelfs nooit aan de beslagleggende schuldeiser zijn meegedeeld of overgelegd, wat flagrant in strijd is met de voorschriften van art. 736 Ger.W. en met de (tussen advocaten geldende) deontologische voorschriften.

Dit alles maakt duidelijk dat de revindicatievordering geenszins kan slagen.

3.5. Het bovenstaande maakt bovendien duidelijk dat de huidige revindicatieprocedure slechts met één welbepaald doel werd ingesteld, namelijk om de door de eerste verweerster op rechtmatige wijze aangevatte tenuitvoerlegging te frustreren en om de openbare verkoop van de in beslag genomen goederen te dwarsbomen, gelet op de verplichte schorsende werking van de ingestelde revindicatie (zie art. 1514, tweede lid Ger.W.).

Meer en meer stelt de beslagrechter vast dat bepaalde schuldenaren er niet voor terugdeinzen om zonder de voorlegging van enig eigendomsbewijs totaal ongefungeerde revindicatieprocedures in te stellen met als enige bedoeling om uitstel van tenuitvoerlegging en (dus) van betaling te verkrijgen.

De eerste verweerster poneert dan ook zeer terecht dat een dergelijke handelwijze neerkomt op tergend en roekeloos, en derhalve foutief, handelen. Op deze wijze wordt evident schade berokkend aan de schuldeiser die tracht om op rechtmatige wijze zijn uitvoerbare titel ten uitvoer te doen leggen en die geconfronteerd wordt met een bijkomende (nutteloze) procedure waarin hij zich niettemin dient te (laten) verdedigen. Bij gebrek aan meer concrete gegevens die een exacte en gedetailleerde raming van de door deze fout van de eisers veroorzaakte schade mogelijk maken, raamt de beslagrechter de door de eerste verweerster hierdoor geleden schade op 850 euro.

De eisers zijn beiden, hoofdelijk, gehouden tot het betalen van deze schadevergoeding die als vergoedingsschade dient te worden vermeerderd met gerechtelijke (vergoedende) intresten aan de wettelijke rentevoet berekend vanaf 8 september 2016 (datum van het instellen van de vordering).

Hoofdelijkheid kan immers ontspruiten uit een algemeen rechtsbeginsel. Een gemeenschappelijk gepleegde fout, wanneer verschillende personen wetens hebben bijgedragen tot het ontstaan van een schadeverwekkend feit, brengt hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze personen mee, zowel contractueel als extracontractueel (Cass. 3 mei 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 145). Art. 50 Sw. is een toepassing in het strafrecht van dit algemeen rechtsbeginsel.

3.6. Overeenkomstig art. 780bis Ger.W. kan de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, worden veroordeeld tot betaling van een (burgerlijke) geldboete van 15 tot 2.500 euro en dit onverminderd de schadevergoeding die (door een andere procespartij) zou worden gevorderd. Voor zover schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding wordt gevorderd, wordt hierover in dezelfde beslissing uitspraak gedaan, zo niet dan is een ambtshalve heropening van het debat nodig om de partijen de gelegenheid te bieden hieromtrent standpunt in te nemen.

Hierboven is de beslagrechter reeds tot de conclusie gekomen dat de beide eisers de huidige revindicatieprocedure louter om vertragende en onrechtmatige redenen hebben opgestart. Derhalve is de toepassing van art. 780bis Ger.W. aangewezen en dienen de eisers bijkomend (hoofdzakelijk) te worden veroordeeld tot betaling van een burgerlijke geldboete ten bedrage van 1.000 euro.

Een heropening van het debat om deze reden is dan ook niet nodig, aangezien de beslagleggende schuldeiser reeds een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding heeft gevorderd en verkregen (zie supra).

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/09/2017 - 07:31
Laatst aangepast op: di, 26/09/2017 - 07:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.