-A +A

Resultaatsverbintenis van een advocaat tot instelling van een procedure (zonder stukken)

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 15/10/2013

Wanneer een advocaat de opdracht krijgt om een welbepaalde rechtshandeling te stellen (en deze opdracht aanvaard wordt), rust  op hem een resultaatsverbintenis om deze procedure met inachtneming van de voorgeschreven vormvereisten en binnen de wettelijke termijn in te stellen.

De afwezigheid van een volledige uiteenzetting van de argumenten of stukken, belet de advocaat niet om een procedure in te stellen, wanneer dit kan op basis van de gegevens en stukken waarover hij reeds beschikt en wanneer aanvullende argumenten, stukken en gegevens nog later in de procedure kunnen worden aangewend met het oog op het opstellen van de conclusie.

De cliënt draagt de bewijslast van de schade, die principieel begroot wordt op het verlies van een kans.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1510
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L.J. t/ H.P. en J.K.

I. Procedure

1. Appellant stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, ingesteld bij dagvaarding van 14 november 2008, deels gegrond verklaart en huidige appellant derhalve veroordeelt tot betaling aan geïntimeerden van 11.688,85 euro, te verhogen met interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14 november 2008.

2. Appellant vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Zij stellen incidenteel beroep in waarbij zij hun oorspronkelijke vordering hernemen en de veroordeling van appellant vorderen tot betaling van 8.355,05 euro + 8.551,71 euro + 8.944,89 euro of in totaal 25.851,65 euro, te verhogen met de “wettelijke interest” vanaf 14 november 2008 en de gerechtelijke interest.

...

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Geïntimeerden hebben via hun gevolmachtigde, BVBA A.V., bezwaar ingediend, respectievelijk op 10 januari 2000, 20 april 2000 en 1 maart 2000, tegen de aanslagen (directe belastingen) voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999.

Bij beslissing van 7 februari 2002 heeft de gewestelijke directeur te Leuven het bezwaar verworpen als ongegrond.

5. Appellant, hierna de advocaat, werd verzocht om de vordering in te stellen bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven.

Appellant heeft op 10 mei 2002 zijn verzoekschrift ter griffie van de rechtbank neergelegd.

6. Bij vonnis van 6 oktober 2006 heeft de rechtbank de vordering afgewezen omdat het verzoekschrift laattijdig was neergelegd, meer bepaald na 8 mei 2002, zijnde meer dan drie maanden vanaf de kennisgeving (art. 1385undecies Ger.W.

7. Geïntimeerden hebben bij exploot van 14 november 2008 appellant gedagvaard tot vergoeding van de schade die zij ingevolge de fout van de advocaat (dit is het niet tijdig instellen van het geding) hebben geleden, schade die gelijk is aan het bedrag van de betwiste aanslagen, of 25.851,65 euro.

III. Bespreking

8. De eerste rechter oordeelde dat de fout van de advocaat vaststond. Deze laatste werpt ten onrechte op dat de accountant hem niet tijdig de nodige fiscale gegevens had bezorgd.

Hij oordeelde voorts dat geïntimeerden schade hebben geleden bestaande in het verlies van een kans. De rechtbank achtte “de kans zeer groot dat deze onderdelen van de aanslagen voor meer dan de helft verminderd zouden worden” en kende een schadevergoeding van 11.688,85 euro toe.

9. Appellant betwist enige fout te hebben gepleegd en betwist ook de schade, omdat het beroep kansloos zou zijn geweest.

1o De fout

10. Appellant betwist enige fout te hebben gepleegd, omdat geïntimeerden en het accountantskantoor zelf in gebreke zijn gebleven de nodige documenten en gegevens te bezorgen, o.m. de fiscale bezwaarschriften, en de nodige fiscale argumenten ten gronde mee te delen.

De advocaat bevestigt dat geïntimeerden hem verzocht hebben een beroep in te leiden na afwijzing van hun bezwaar door de gewestelijke directeur te Leuven bij beslissing van 7 februari 2002. Hij ontkent niet een kopie te hebben ontvangen van de beslissing van de gewestelijke directeur van 7 februari 2002.

11. Nu de advocaat de opdracht kreeg om een welbepaalde rechtshandeling te stellen, namelijk de inleiding van het fiscaal geschil bij de bevoegde rechtbank, berustte op hem een resultaatsverbintenis om deze procedure met inachtneming van de voorgeschreven vormvereisten en binnen de wettelijke termijn in te stellen.

De omstandigheid dat de accountant aan de advocaat vooralsnog geen volledige uiteenzetting van de argumenten had bezorgd, belette deze laatste helemaal niet om het beroep in te stellen. De advocaat beschikte immers over de beslissing van de gewestelijke directeur van 7 februari 2002 waarin zowel het voorwerp van de betwisting als de grieven, zij het op summiere wijze, worden weergegeven. De beslissing (p. 2) houdt immers o.m. in:

“Grieven

“Betreffende de aanslagjaren 1997 en 1998 verwijst volmachtdrager naar zijn brief van 28 oktober 1999, zijnde zijn antwoord op het bericht van wijziging van 6 oktober 1999. Hierin voert hij aan:

– dat er bij het sluiten van een akkoord over de ingebrachte beroepskosten en meer bepaald de autokosten een akkoord bestond met de taxatiedienst;

– dat er bij het sluiten van dit akkoord rekening werd gehouden met het voordeel in natura van de kabinetswagen en dat er ten onrechte wordt van uitgegaan dat alle ingebrachte kilometers met de kabinetswagen werden afgelegd.

“Betreffende aanslagjaar 1999 voert volmachtdrager aan dat hij niet akkoord kan gaan met het voordeel van alle aard (gebruik kabinetswagen), omdat het aangegeven bedrag van de inkomsten reeds werd verhoogd met dit voordeel”.

Deze uiteenzetting, samen met het afwijzende antwoord van de gewestelijke directeur in de betwiste beslissing van 7 februari 2002 volstonden om het verzoekschrift op te stellen, dat immers op summiere wijze gemotiveerd kon zijn. Geïntimeerden voeren terecht aan dat het volstond deze grieven over te nemen in het verzoekschrift en te betogen dat ze ten onrechte verworpen werden.

De advocaat had aldus de mogelijkheid om tijdig de procedure in te stellen op basis van de gegevens en stukken waarover hij beschikte. Het verzoekschrift dat appellant op 10 mei 2002 (laattijdig) neerlegde is overigens niet op meer omstandige wijze gemotiveerd. Aanvullende stukken en gegevens konden nog later worden bezorgd met het oog op het opstellen van de conclusie.

Het niet tijdig instellen van de procedure maakt dan ook een fout van appellant uit.

2o Schade

12. Appellant voert aan dat ook een tijdig ingestelde procedure alleszins volledig kansloos was geweest. Geïntimeerden zouden dan ook geen enkele kans hebben verloren en bijgevolg geen schade hebben geleden.

13. Het bezwaar van geïntimeerden betrof de bedrijfsuitgaven, respectievelijk de aangifte van een voordeel in natura m.b.t. het gebruik door eerste geïntimeerde van een functievoertuig.

Eerste appellant was in de gegeven periode kabinetssecretaris van de Vlaamse minister van (...). In deze hoedanigheid beschikte hij over een kabinetsvoertuig. Hij was bovendien schepen van de stad Z.

De directeur, Administratie van Financiën, directe belastingen, bevestigde op 5 oktober 1999 aan de dienstchef van de controle Aarschot:

“De in rand vermelde belastingplichtige maakte deel uit van het kabinet van de minister van (...) en beschikte gedurende de jaren 1996, 1997 en 1998 over een hem kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (nl. een Citroën BX tot juni 1997 en een Peugeot 405 vanaf juli 1997) waarvan het persoonlijk gebruik aanleiding geeft tot een te belasten voordeel voor de vermelde periode.

“Omdat het louter toevallig of functioneel gebruik door hem niet bewezen werd en geen enkele verklaring voldoende gemotiveerd werd, dienen de verplaatsingen tussen de woonplaats en het kabinet, alsmede de andere privéverplaatsingen (om privé-aankopen te doen, tijdens de weekends, om op vakantie te gaan enz.) in aanmerking te worden genomen en als voordeel van alle aard te worden beschouwd”.

14. De inspecteur van het Controle der Belastingen te Z. verstuurde dan op 6 oktober 1999 aan geïntimeerden een aangetekend “bericht van wijziging van aangifte” waarin hij naar de voornoemde brief van 5 oktober 1999 verwees die vaststelde:

“– dat u gedurende de periode 1996, 1997 en 1998 deel uitmakende van het kabinet van de minister van Economie, KMO enz., beschikte over een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (...);

– dat hieruit voortvloeit dat het persoonlijk gebruik hiervan aanleiding geeft tot een te belasten voordeel voor de vermelde periodes;

– en omdat het louter toevallig of functioneel gebruik door u niet bewezen is en in geen enkele verklaring voldoende gemotiveerd werd (er dient aan het hoofdbestuur der directe belastingen jaarlijkse opgave te worden gezonden met vermelding van de identiteit van de gebruikers van de kabinetswagens, en het bedrag van het in aanmerking te nemen belastbaar voordeel + een fiche 281.10 en een samenvattende opgave 325.10 aan de bevoegde Documentatiecentra)”.

De inspecteur besloot:

“– dat de verplaatsingen tussen de woonplaats en het kabinet, alsmede alle privéverplaatsingen in aanmerking moeten worden genomen en als voordeel van alle aard moeten worden beschouwd;

– dat alzo de beroepskosten van de respectieve jaren verminderd dienen te worden met de autokosten”.

15. Op 1 april 1999 werd een omzendbrief gepubliceerd betreffende voordelen in natura voortvloeiend uit het persoonlijk gebruik van voertuigen van openbare diensten. Voor ambtenaren die, zoals eerste geïntimeerde, over een kabinetswagen beschikten, moest voortaan een individuele fiche 281.10 worden opgemaakt, met vermelding van het belastbaar voordeel van alle aard wegens persoonlijk gebruik van een kabinetswagen.

16. Geïntimeerden beroepen zich voornamelijk op de akkoorden die op 4 augustus 1999 met de controledienst werden gesloten voor de inkomsten van de aanslagjaren 1997 en 1998.

Hierover schreef inspecteur N. (Inspectie Tienen) op 14 september 2000:

“Het akkoord stoelde op de veronderstelling dat de belastingplichtige met de eigen wagen naar Brussel reed en van daaruit met de kabinetswagen (brandstof zelf te betalen).

“Dit akkoord werd niet door de hiërarchische meerdere bekrachtigd. Integendeel. Aanvullend onderzoek was nodig ingevolge het nazicht van de kabinetsboekhouding door de dienst van de directeur van directie Brussel 1, wat resulteerde in een opdracht tot taxatie door eerstaanwezende inspecteur te Tienen A.

“Aangezien de bewijslast bij de belastingplichtige berust.

“Aangezien hem kosteloos een voertuig ter beschikking werd gesteld waarvan het louter toevallig of functioneel gebruik niet bewezen werd en in geen enkele verklaring voldoende werd gemotiveerd, werden de door belastingplichtige – volgens zijn aangiften – gereden kilometers terecht weerhouden als basis voor de berekening als voordelen van alle aard”.

17. Het fiscaal geschil van geïntimeerden kon onmogelijk alleen gebaseerd zijn op een niet bekrachtigd akkoord met de controleur, dat bovendien stoelde op verkeerde veronderstellingen over essentiële gegevens, zowel m.b.t. het gebruik van een eigen wagen als m.b.t. de betaling door eerste geïntimeerde van brandstof voor de kabinetswagen, quod non.

18. Een van de verkeerde veronderstellingen van de controledienst was de onterechte overtuiging dat eerste geïntimeerde zelf de benzine (en andere kosten?) voor het gebruik van de kabinetswagen betaalde. Eerste geïntimeerde handhaaft dat hij deze kosten betaalde, maar hij legt hierover niet het minste bewijsstuk voor en zijn bewering strookt niet met de verklaring van de directeur, Administratie van Financiën, directe belastingen, van 5 oktober 1999, na nazicht van de kabinetsboekhouding, namelijk dat eerste geïntimeerde gebruik kon maken van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig. De administratie had dan ook gedwaald en had bijgevolg voor de rechtbank kunnen aanvoeren dat zij niet door haar akkoord gebonden was.

Appellant beklemtoont terecht dat de belastingsplichtige de bewijslast draagt wat de aangegeven kosten betreft.

19. Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat de kansen van geïntimeerden op een gunstig verloop van hun procedure niet “zeer groot” waren, gelet op het onzeker karakter van het akkoord met de fiscale administratie.

De aftrek van verplaatsingskosten met een kabinetswagen die kosteloos ter beschikking van eerste geïntimeerde was gesteld en de aanrekening van het voordeel in natura, waren duidelijk problematisch. De administratie heeft overigens het voordeel in natura berekend op basis van de eigen aangifte van geïntimeerden wat de afgelegde kilometers betreft.

Het hof schat de kans op welslagen van de in te stellen procedure als minimaal en begroot de waarde ervan op 1.000 euro.

Het hoger beroep is deels gegrond. Het incidenteel beroep is ongegrond.

Noot: 

Zie ook: Brussel 11 juni 2013, RW 2013-14, 630.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/05/2015 - 10:00
Laatst aangepast op: di, 19/05/2015 - 10:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.