-A +A

Renovatiepremie en definitie woning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/12/2015
A.R.: 
C.15.0061.N

Bij de beoordeling of een gedeelte van een onroerend goed als een afzonderlijke woning kan worden beschouwd die belet dat de bewoner aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de kosten van renovatie, moet niet alleen worden nagegaan of dat gedeelte alle noodzakelijke woonfuncties bevat en derhalve in feite als een woning kan worden gebruikt, maar moet ook rekening worden gehouden met de wettelijke gebruiksmogelijkheden van het goed en bijgevolg onder meer met in de vergunning opgelegde stedenbouwkundige beperkingen.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. C.15.0061.N
VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, met kantoor te 1000 Brussel, Arenbergstraat 7,
eiser,

P.V. D., met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Jacqueline Buisseret, met kantoor te 1180 Ukkel, Winston Churchilllaan 104,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 3 juli 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 2, eerste lid, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning, in zijn hier toepasselijke versie, wordt, binnen de kredieten die daartoe worden ingeschreven op de begroting van het Vlaamse Gewest en onder de voorwaarden vermeld in dit besluit, aan de bewoner of de verhuurder die daar-toe een aanvraag indient, een tegemoetkoming verleend in de kosten van renovatie van zijn woning die in het Vlaamse Gewest ligt.

Krachtens artikel 4 van dit Besluit, in zijn hier toepasselijke versie, mag de bewo-ner, om de tegemoetkoming te kunnen genieten, naast de woning die het voorwerp van de aanvraag uitmaakt, geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik bezitten op de aanvraagdatum of gehad hebben in de periode van drie jaar voor de aanvraagdatum, behoudens een aantal in het tweede lid bepaalde uitzonderingen.

Artikel 1, 3° van het Besluit, in zijn hier toepasselijke versie, bepaalt dat onder het begrip "woning" wordt verstaan een onroerend goed of een deel ervan dat hoofd-zakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, met uitzondering van de woonentiteiten als vermeld in het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers.

2. De voorwaarde inzake het onroerend bezit vervat in artikel 4 van het voor-melde Besluit, dat werd genomen in uitvoering van de artikelen 81 en 83 Vlaamse Wooncode, strekt ertoe de tegemoetkoming voor renovatie voor te behouden aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die geen eigenaar of vruchtgebruiker zijn van een andere woning.

Hieruit volgt dat bij de beoordeling of een gedeelte van een onroerend goed als een afzonderlijke woning kan worden beschouwd die belet dat de bewoner aan-spraak kan maken op een tegemoetkoming in de kosten van renovatie, niet alleen moet worden nagegaan of dat gedeelte alle noodzakelijke woonfuncties bevat en derhalve in feite als een woning kan worden gebruikt, maar ook rekening moet worden gehouden met de wettelijke gebruiksmogelijkheden van het goed en bij-gevolg onder meer met in de vergunning opgelegde stedenbouwkundige beper-kingen.

3. De appelrechters stellen vast dat:
- de verweerder eigenaar is van een woning;
- hij een stedenbouwkundige vergunning verkreeg voor het verbouwen van deze woning tot een zorgwoning of kangoeroewoning;
- aan de vergunning de volgende bijzondere voorwaarde werd verbonden: "De woning te verbouwen en de woning in te richten als zorgwoning zoals aange-duid op bijgevoegde plannen (...). De verschillende woongelegenheden kunnen niet afzonderlijk verkocht worden, er kunnen geen extra busnummers worden toegekend en de eigendom van de hoofd- en ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis(sen)";
- de verweerder een tegemoetkoming voor renovatie aanvroeg, maar deze werd geweigerd omdat er na de verbouwing sprake is van twee afzonderlijke wonin-gen die elk zijn ingericht met de noodzakelijke woonfuncties en elk een aparte ingang hebben en de verweerder na de uitvoering van de werken bijgevolg ei-genaar zou zijn van twee woningen.

De appelrechters oordelen dat:
- de vaststelling van de eiser dat het in casu zou gaan om een woning die in twee wooneenheden werd opgesplitst, louter steunt op de bouwplannen, maar ge-beurde met miskenning van de verleende bouwvergunning die de opsplitsing van de woning in meerdere afzonderlijke wooneenheden expliciet niet toelaat;
- de bouwvergunning uitdrukkelijk bepaalt dat slechts één huisnummer wordt toegekend en dat de woongelegenheden niet afzonderlijk kunnen worden ver-kocht, waarbij wordt bepaald dat deze beperkingen verband houden met het feit dat de te verbouwen woning zal worden ingericht als een zorgwoning of kangoeroewoning zoals aangeduid op de bijgevoegde plannen.

4. Door op die gronden te oordelen dat de eiser de woning van de verweerder ten onrechte heeft gekwalificeerd als een meergezinswoning en dat er bijgevolg geen reden was om ervan uit te gaan dat de verweerder nog een andere woning in volle eigendom bezat op het ogenblik van de aanvraag van de renovatiepremie, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 835,64 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Minister-President, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, met kantoor gelegen te 1000 Brussel, Arenbergstraat 7,

Eiser tot cassatie

TEGEN: De heer P. V. D., die keuze van woonplaats heeft gedaan in het exploot, houdende betekening aan eiser van het bij onderhavige voorziening bestreden arrest ter studie van gerechtsdeurwaarder Jacqueline Buisseret, gelegen te 1180 UKKEL, Winston Churchilllaan, 104,

Verweerder in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser tot cassatie heeft de eer het tegensprekelijk arrest, ge-wezen op 3 juli 2014 door de achttiende kamer van het Hof van Beroep te Brussel (A.R. 2012/AR/995), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Het geschil betreft de op 24 juli 2009 door verweerder, op grond van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning, ingedien¬de aanvraag voor een renovatiepremie betreffende zijn onroerend goed, gelegen te Sint-Niklaas.

Aan het onroerend goed werden verbouwingswerken uitgevoerd op basis van een stedenbouwkundige vergunning van het College van Burge¬meester en Schepenen van Sint-Niklaas van 6 ok-tober 2008. Na uitvoering van de werken werd op 27 juli 2009 even-eens een regulariserende steden¬bouwkundige vergunning afgeleverd.

Op 24 november 2009 weigerde de Provinciale Afdeling Wonen van de provincie Oost-Vlaanderen de toekenning van de re-novatiepremie, op grond van de overwegingen: "Het betreft hier het inrichten van een kangoeroewoning. Volgens de plannen (dd.30.03.2009) is er na de verbouwingswerken sprake van 2 afzon-derlijke woningen, die elk ingericht zijn met de noodzakelijke woon-functies en elk een aparte ingang hebben. Een renovatiepremie kan derhalve niet worden toegekend, aangezien u na de uitvoering van de werken eigenaar bent van twee woningen."

Het administratief beroep van verweerder tegen deze weigeringsbeslissing werd op 22 februari 2010 verworpen door de Dienst Beroepen van het Agentschap Wonen Vlaanderen.

Op 7 april 2010 dagvaardde verweerder eiser voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, in betaling van een scha-devergoeding van 10.000 EUR wegens beweerde onrechtmatige weigering van de renovatiepremie.

Bij vonnis van 24 februari 2012 verwierp de rechtbank de vordering.

Ingevolge het hoger beroep van verweerder hervormde het Hof van Beroep te Brussel, bij arrest van 3 juli 2014, de beslis-sing a quo, en veroordeelde eiser tot betaling van 5.900 EUR, meer vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 22 februari 2010 en de gerechtelijke interest tot aan de algehele betaling, wegens misgelopen subsidies.

Tegen dit arrest meent eiser volgend middel tot cassatie te kunnen aanvoeren.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- Artikelen 1, §1, eerste lid, 6°, 8°, 10°, 18°, en 31°, 3 , 4, §1, tweede lid, 4, §3, 1°, 81, §1, eerste en tweede lid, en 83, eerste lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode (hierna afgekort "de Vlaamse Wooncode");
- Artikel 5, §1, van de Vlaamse Wooncode, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 7 van het decreet van 29 maart 2013 houdende wijziging van diverse decreten wat de woonkwaliteitsbewaking betreft;
- Artikel 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de re-novatie van een woning, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 no-vember 2013 "tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten bij de renovatie van een woning en van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de openbaredienstverplichtingen van de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit aangaande de sociale energiemaatregelen en ter stimulering van het rationeel energiegebruik";
- Artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de re-novatie van een wo¬ning, zoals van toepassing ingevolge de wijziging bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten bij de renovatie van een woning;
- Artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 no-vember 2013 "tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een te¬gemoetkoming in de kosten bij de renovatie van een woning en van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de openbaredienstverplichtingen van de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit aangaande de sociale energiemaatregelen en ter stimulering van het rationeel energiegebruik";
- Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning, zoals van toepassing ingevolge de wijziging bij artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten bij de renovatie van een woning;
- Artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot in¬stelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning, zoals van toepassing ingevolge de wijziging bij artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2009 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen en van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tege¬moetkoming in de kosten bij de renovatie van een woning;
- Artikel 6, §1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning (hierna verder afgekort als "het be-sluit van 2 maart 2007").

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerder in volgende mate gegrond, hervormt het beroepen vonnis behoudens waar het de vordering ontvangt en de kosten begroot en veroordeelt eiser om aan ver¬weerder het bedrag van 5.900 EUR te betalen vermeerderd met de vergoe¬dende intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 22 februari 2010 en met de ge¬rechtelijke interest tot aan de algehele betaling, evenals in de kosten van het geding en dit op volgende gronden:

"Wat betreft de wettigheid van de ingeroepen weigeringsgronden oordeelt het (hof van beroep) als volgt.

(Eiser) stelt in (zijn) weigering in beroep dat de aanvrager op het ogenblik van de aanvraag eigenaar was van twee woningen en bij-gevolg niet in aanmerking kwam om een renovatiepremie te ontvan-gen. (Eiser) steunde hierbij op de bouwplannen gevoegd bij de bouwaanvraag waaruit volgens (hem) zou blijken dat een meerge-zinswoning zou resulteren uit de werken met een aparte ingang voor beide entiteiten (een wooneenheid op het gelijkvloers en één op de eerste verdieping). Beide entiteiten zouden volgens (eiser) immers afzonderlijk bewoond worden door een gezin of een alleenstaande en dus beantwoorden aan het begrip ‘woning' zoals gedefinieerd in artikel 1,3° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007.

Vooreerst dient te worden vastgesteld dat (verweerder) een renova-tiepremie heeft aangevraagd voor de gehele woning en niet voor een deel ervan. De woning die op grond van artikel 4 het voorwerp van de aanvraag uitmaakt is de gehele woning zodat (eiser) in casu niet kan vaststellen dat (verweerder) nog eigenaar is van een andere woning zonder eerst vast te stellen dat de premieaanvraag betrekking heeft op een deel van een meergezinswoning.

De vaststelling van (eiser) dat het zou gaan om een woning die in twee wooneenheden werd opgesplitst steunt louter op de bouwplannen (onder andere een aparte ingang voor beide wooneenheden) maar gebeurde met miskenning van de verleende bouwvergunning die de opsplitsing van de woning in meerdere afzonderlijke wooneenheden expliciet niet toestaat. Integendeel, de bouwvergunning bepaalt uitdrukkelijk dat slechts één huisnummer wordt toe¬gekend en dat de woongelegenheden niet afzonderlijk kunnen worden ver¬kocht. Verder verduidelijkt de bouwvergunning dat deze beperkingen verband houden met het feit dat de te verbouwen woning zal worden ingericht als een zorgwoning of kangoeroewoning zoals aangeduid op de bijgevoegde plannen.

Door in strijd met de duidelijke bestemmingsvoorschriften en voor-waarden vervat in de Stedenbouwkundige vergunning van (verweer-der) diens woning niettemin te kwalificeren als een meergezinswoning, is de beslissing niet gesteund op een juiste beoordeling van de feitelijke toestand en miskent (eiser) de bewoordingen van artikel 1, 3° en 4 van het Besluit van de Vlaamse Rege¬ring van 2 maart 2007 nu op grond van de bestemmingsvoorschriften van de stedenbouwkundige verordening vaststaat dat sprake is van een éénsgezins¬woning en de opsplitsing in meergezinswoning uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Er was bijgevolg geen reden voor (eiser) om er van uit te gaan dat (verweerder) nog een andere woning in volle eigendom bezat op het ogenblik van de aanvraag.

De premieaanvraag kan evenmin geweigerd worden door (eiser) op basis van de kwantificeerbare criteria ingevoerd bij decreet van 27 maart 2009 met het oog op het nader bepalen van het begrip ‘zorg-woning' (artikel 4.1.1.18° VCRO) nu deze bepaling slechts in werking trad op 1 september 2009 dit wil zeggen na het indienen van de premieaanvraag.

De weigering tot toekenning van een renovatiepremie door (eiser) is bijgevolg onwettig (fout) en het nadeel (schade) door (verweerder) hierdoor geleden (oorzakelijk verband) die voor vergoeding vatbaar is, is in beginsel gelijk aan het bedrag van de misgelopen subsidie nu de schade voor integrale vergoeding in aanmerking komt op grond van het artikel 1382 BW. Het bedrag van de misgelopen subsidie is in beginsel gelijk aan 30% van de in aanmerking komende facturen (zonder btw).

(Eiser) betoogt evenwel ondergeschikt dat slechts een deel van de door (verweerder) ingediende facturen voor renovatiewerkzaamheden voor subsidiëring in aanmerking zouden komen. (Verweerder) betwist dit.

Het (hof van beroep) oordeelt hierover als volgt.

Het MB van 9 maart 2007 tot uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tege-moetkoming in de kosten van de innovatie van een woning bevat in artikel 7, alinea 4 een limitatieve lijst van werkzaamheden die subsi-dieerbaar zijn. Deze lijst bepaalt per onderdeel van de woning welke werken subsidieerbaar zijn.

Inzake de ondergrondse werkzaamheden wordt het bouwen van een kruipkelder (factuur nr. 5) niet vermeld als subsidieerbaar zoals (eiser) in conclusie terecht aanvoert.

De facturen 3 en 4 van (verweerder) betreffen respectievelijk met-selwerk in¬kom en garage. (factuur nr. 3) en ruwbouwwerken garage (factuur nr. 4). Volgens (eiser) hebben zij geen betrekking op de woonfunctie. (Verweerder) bewijst niet dat deze facturen betrekking hebben op de (I) structurele of bouwfysische werkzaamheden die de kwaliteit van de woning fundamenteel verbeteren (artikel 6,1°) of (II) de noodzakelijke afwerking, technische installaties en het comfort in de woonvertrekken (artikel 6, 2°). (Verweerder) laat trouwens na te specificeren waarop de facturen concreet betrekking zouden hebben. Het (hof van beroep) kan zich bijgevolg enkel steunen op de omschrijvingen door (verweerder) zelf aangegeven in zijn premie-aanvraag.

Bovendien merkt het (hof van beroep) op dat in de stedenbouwkundige vergunning het aanwenden van de garage voor bewoning uitdrukkelijk wordt uitgesloten.

(Verweerder) bewijst met andere woorden niet in rechte aanspraak te kunnen maken op een renovatiepremie voor de werken vervat in de facturen 3 tot 5.

Zoals door (eiser) in conclusie voorgerekend had (verweerder) aan-spraak kunnen maken op een premie van 30% van 19.654,63 EUR zijnde 5,900 EUR.

Besluit:

(Eiser) dient de schade van (verweerder) te vergoeden ten belope van voormeld bedrag aan misgelopen subsidies verhoogd met de vergoedende intrest vanaf 22 februari 2010 en met de gerechtelijke interest tot aan de algehele be¬taling" (arrest pp. 9-12).

Grieven

1. Naar luid van artikel 3 van de Vlaamse Wooncode heeft ieder¬een recht op menswaardig wonen, en moet daartoe de beschikking worden bevorderd van een aangepaste "woning", van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving, tegen een be-taalbare prijs, met woonzekerheid.

Krachtens artikel 4, §1, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, heeft het Vlaamse woonbeleid in het bijzonder aandacht voor "de meest behoeftige gezinnen en alleenstaanden".

Krachtens artikel 4, §3, 1°, van de Vlaamse Wooncode, dient de concretisering van het woonbeleid gericht te zijn op "de kwaliteit van de woningen".

Artikel 5, §1, van de Vlaamse Wooncode, in de versie aangehaald in de aanhef van het middel, somt de elementaire veilig-heids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, op waaraan "elke woning" moet voldoen.

2. Artikel 1, §1, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode, geeft een omschrijving van verschillende begrippen zoals die moeten begrepen worden voor zowel de Vlaamse Wooncode als de besluiten genomen ter uitvoering ervan. Artikel 1, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode voorziet dat de Vlaamse regering de betekenis van de begrippen nader kan omschrijven.

Artikel 1, §1, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode, omschrijft o.m. volgende begrippen:
- sub 6°: "woonbehoeftig: verkerend in een feitelijke economische en maatschappelijke situatie waarin een behoorlijke huisvesting slechts kan worden verworven of behouden met extra of omvattende steun";
- sub 8°: "gezin: meerdere personen die op duurzame wijze in dezelfde woning samenwonen en daar hun hoofdverblijfplaats hebben";
- sub 10°: "hoofdverblijfplaats: de woning waar een gezin of een al-leenstaande effectief en gewoonlijk verblijft";
- sub 18°: "renovatie: de uitvoering van structurele ingrepen die vooral betrekking hebben op de stabiliteit, de bouwfysica of de veiligheid, aan een woning of gebouw dat bestemd is om te worden bewoond";
- sub 31°: "woning: elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofd-zakelijk be¬stemd is voor de huisvesting van een gezin of alleen-staande".

3. Krachtens artikel 81, §1, eerste lid, Vlaamse Woon-code kan de Vlaamse regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden inge-schreven, tegemoetkomingen verlenen, zoals bedoeld in artikelen 82 en 83, om woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden in staat te stellen een woning te bouwen, te huren of te kopen of hun woning te renoveren, te verbeteren of aan te passen.

Luidens artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, kunnen de tegemoetkomingen die in deze afdeling worden vermeld, enkel worden verleend wanneer de alleenstaande of het gezin geen andere woning in volle eigendom bezit, tenzij het een ongeschikte woning betreft die door de alleenstaande of het gezin zelf werd bewoond.

Krachtens artikel 83, eerste lid, van de Vlaamse Woon-code kan er, om de verwerving en/of de renovatie, de verbetering en de aanpassing van woningen aan te moedigen, met toepassing van artikel 81, een tegemoetkoming in de kosten worden verleend ten behoeve van:
"1° woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die een ongeschikte woning of een ongeschikt gebouw renoveren, of kopen en renoveren;
2° woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die een sociale koopwoning, of een woning die beantwoordt aan de woonkwaliteits-norm, kopen van een initiatiefnemer, vermeld in artikel 60, § 2, of die een woning bouwen dan wel een nieuwe woning in de privé-sector kopen;
3° woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die verbeterings-werkzaamheden of aanpassingswerkzaamheden, andere dan bedoeld in 4°, uitvoeren aan hun woning;
4° woonbehoeftige bejaarden en personen met een handicap die hetzij zelf hun woning aanpassen aan hun fysieke mogelijkheden, hetzij inwonen bij een bloed- of aanverwant tot de tweede graad die de woning aanpast aan hun fy¬sieke mogelijkheden."

4. Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de kosten van de renovatie van een woning, voorziet een tegemoetkoming in uitvoe-ring van voornoemde artikelen 81 en 83 van de Vlaamse Wooncode.

Artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geci¬teerd in de aanhef van het middel, herneemt de definitie van het begrip "woning" in artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode, m.n. "onroe¬rend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande", en voegt hieraan toe: "met uitzondering van de woonentiteiten als vermeld in het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers".

Artikel 1, 4°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, omschrijft het begrip "bewoner" voor de toepassing van het besluit als volgt: "de meerder-jarige particulier en, in voorkomend geval, de persoon met wie hij gehuwd is of wettelijk of feitelijk samenwoont, die de woning waarop de aanvraag betrekking heeft op de aanvraagdatum zelf bewoont op grond van een zakelijk recht".

Naar luid van artikel 2, eerste lid, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, wordt, binnen de kredieten die daartoe worden ingeschreven op de begroting van het Vlaamse Gewest en onder de voorwaarden, vermeld in dit besluit en overeenkomstig het tweede lid nader geregeld bij ministerieel besluit, aan de bewoner of de verhuurder die daartoe een aanvraag indient, een tegemoetkoming verleend in de kosten van de renovatie van zijn woning die in het Vlaamse Gewest ligt.

Artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, herneemt de bij artikel 81, §1, tweede lid, Vlaam¬se Wooncode, voorziene voorwaarde van de te-gemoetkoming, m.n. dat de alleenstaande of het gezin geen andere woning in volle eigendom mag bezitten, tenzij het een ongeschikte woning betreft die door de alleenstaande of het gezin zelf werd be-woond.

Artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, verduidelijkt inzonderheid deze voorwaarde van onroerend bezit op volgende wijze:
"De bewoner mag naast de woning die het voorwerp van de aanvraag uitmaakt, geen kamerwoning, studentenhuis of studentenge-meenschapshuis als vermeld in het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en stu-dentenkamers, noch een andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik hebben op de aanvraagdatum of gehad hebben in de periode van drie jaar voor de aanvraagdatum.
De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, geldt niet in de volgende gevallen:
1° het goed is op de aanvraagdatum het voorwerp van een ontei-geningsbesluit;
2° het goed is op de aanvraagdatum gesloopt en de aanvrager heeft op de aanvraagdatum geen perceel bestemd voor woningbouw volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik;
3° de woning is op de aanvraagdatum volledig vervreemd en de aanvrager bewoonde ze zelf tot hij verhuisd is naar de woning die het voorwerp is van de aanvraag;
4° de woning is het voorwerp van de toepassing van artikel 19 van de Vlaamse Wooncode en de aanvrager was de laatste bewoner ervan."

Artikel 5 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, bevat de voorwaarden voor de woning en de in aanmerking te nemen werkzaamheden:
- de woning moet minstens 25 jaar oud zijn op de aanvraagdatum;
- de werkzaamheden moeten structurele of bouwfysische ingrepen omvatten, die erop gericht zijn de woning minstens te doen beant-woorden aan de normen, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van de Vlaamse Wooncode, waar¬bij ook rekening wordt gehouden met werkzaamheden die het levenslang wonen bevorderen;
- de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energie-prestatiecertificaat;
- de totale kostprijs van de werkzaamheden, die in aanmerking kunnen worden genomen, moet minstens 10.000 euro bedragen, exclusief btw.

Artikel 6, §1, eerste lid, van het besluit van 2 maart 2007 bepaalt dat de aanvraag tot het verkrijgen van de tegemoetkoming moet worden ingediend na de uitvoering van de werkzaamheden.

5. Uit voornoemde wetsbepalingen volgt dat de toeken-ning van een renovatiepremie voor structurele of bouwfysische in-grepen die ertoe strekken een "woning" aan de woonkwaliteitsvereis-ten te laten voldoen, naast inkomstenvereisten vermeld in artikel 3 van het besluit van 2 maart 2007, on¬derworpen is aan een voorwaarde van onroerend bezit. De aanvrager-bewoner mag m.n. op de aanvraagdatum, die zich noodzakelijk situeert na de uitvoering van de werken, geen andere "woning" in volle eigendom bezitten naast de woning die het voorwerp uitmaakt van de aanvraag.

De doelgroep van de renovatiepremie is aldus de eige-naar-bewoner (of vruchtgebruik-bewoner), die hetzij deel uitmaakt van een gezin, hetzij een alleenstaande is, en die, op de aanvraagdatum (en in de periode van drie jaar voor de aanvraagdatum), slechts één woning bezit (of bezat).

Voor de toepassing van de bij artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geci¬teerd in de aanhef van het middel, gestelde voorwaarde van onroerend bezit, dient het begrip "woning" te worden uitgelegd in de zin van artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode en het gelijkluidend voorschrift van artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel.

Zodra vaststaat dat de aanvrager-bewoner volle eigenaar of volle¬dige vruchtgebruiker is van meer dan één onroerend goed dat in feite geheel of gedeeltelijke hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, is hij uitgesloten van de premie. Hierdoor zijn ook de eige¬naars (of volledige vruchtgebruikers) van een onroerend goed dat in feite meer dan één woongelegenheid bevat uitgesloten, in zoverre in feite vast¬staat dat elke woongelegenheid kan worden beschouwd als een "woning" in de zin van artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode en het ge¬lijkluidend voorschrift van artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel. Dit impliceert eveneens dat de aanvrager slechts één van deze woongelegenheden, hetzij als alleenstaande, hetzij als deel uitmakend van een gezin, bewoont, en dat de andere woonge¬legenheid (of woongelegenheden) eveneens in feite hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande.

Uit de omschrijving van het begrip "woning" in artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode en het gelijkluidend voorschrift van artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, evenals uit de doelstel-lingen van de Vlaamse Wooncode, blijkt dat het begrip "woning" verwijst naar een feitelijke toestand, m.n. het werkelijk gebruik van het onroerend goed, los van de stedenbouwkundige be¬stemming ervan.

De Vlaamse Wooncode, evenmin als het uitvoerings-besluit van 2 maart 2007, vereisen voor het begrip "woning" dat af-zonderlijke huisnummers kunnen worden toegekend, of dat de woongelegenheden afzonderlijk kunnen worden verkocht. Bovendien sluiten de Vlaamse Wooncode en het uitvoeringsbesluit van 2 maart 2007, niet uit dat een afzonderlijke woongelegenheid in een "zorg-woning" of een "kangoeroewoning", als een "woning" in de zin van artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode en artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, kan worden beschouwd.

Zelfs wanneer blijkens de bestemming en de voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning een onroerend goed een eengezinswoning is, en de opsplitsing in meergezinswoning uit-gesloten is, is het geenszins uitgesloten dat het goed, voor de toe-passing van de renovatiepremie, toch wordt beschouwd als een goed dat meer dan één "woning" bevat in de zin van de artikelen 1, §1, eerste lid, 31°, en 81, §1, tweede lid, van de Vlaamse Woon¬code en de artikelen 1, 3°, en 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versies geciteerd in de aanhef van het middel, in zoverre in feite vaststaat dat het goed meerdere onderscheiden woongelegenheden bevat, waarvan één bewoond door de aanvrager-bewoner, en de andere(n) door (een) ander gezin(nen) of alleenstaande(en).

De enkele omstandigheid dat een woning derwijze wordt verbouwd dat in feite meerdere woongelegenheden ontstaan, en dat na de werken een renovatiepremie-aanvraag voor "de gehele woning" wordt ingediend, sluit niet uit dat de aanvraag kan geweigerd worden wegens het niet vervuld zijn van de bij artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, gestelde voorwaarde van onroerend bezit. Hiertoe is geenszins vereist dat voorafgaand wordt vastgesteld dat de premieaanvraag betrekking heeft op een deel van een meergezinswoning.

6. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt
- dat verweerder eigenaar is van een woning gelegen te 9100 Nieuwkerken-Waas, kadastraal gekend
- dat verweerder op 24 juli 2009 met betrekking tot deze woning een aanvraag indiende tot het bekomen van een renovatiepremie bij het Agentschap Wonen Vlaanderen;
- dat verweerder op 27 juli 2009 een stedenbouwkundige regulari-satievergunning bekwam volgend op zijn regularisatieaanvraag van 18 mei 2009 voor "het verbouwen van een woning en inrichten van een kangoeroewoning";
- dat deze regularisatievergunning volgende bijzondere voorwaarde oplegt: "De woning te verbouwen en de woning in te richten als zorgwoning zoals aangeduid op bijgevoegde plannen en op voor-waarde dat de garage niet aangewend wordt voor bewoning, het dakterras naar het rechter aanpalend perceel toe wordt afgesloten met een voldoende hoge haag of zichtscherm. De verschillende woongelegenheden kunnen niet afzonderlijk verkocht worden, er kunnen geen extra busnummers worden toegekend en de eigendom van de hoofd- en ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis(sen)";
- dat bij beslissing van 24 november 2009 de renovatiepremie werd geweigerd om de volgende redenen: "Het betreft hier het inrichten van een kangoeroewoning. Volgens de plannen (dd. 30.03.2009) is er na de verbouwingswerken sprake van twee afzonderlijke wo-ningen, die elk ingericht zijn met de noodzakelijke woonfuncties en elk een aparte ingang hebben. Een renovatie kan derhalve niet worden toegekend, aangezien u na de uitvoe¬ring van de werken eigenaar bent van twee woningen";
- dat volgend op het administratief beroep van verweerder de wei-gering werd bevestigd op 22 februari 2010 o.m. op grond van de overweging: "Het onroerend goed waarvan (verweerder) eigenaar is en waarvoor hij de renovatiepremie aanvraagt, is opgesplitst in twee afzonderlijke wooneenheden. De wooneenheid op het gelijkvloers wordt bewoond door mevrouw (..). (Verweerder) cliënt bewoont de wooneenheid op de bovenverdieping. Beide eenheden zijn een deel van een onroerend goed, hoofdzakelijk bestemd voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande. Bij toepassing van artikel 1, 3° van het BVR gaat het dus om twee woningen. Beide woningen zijn op aanvraagdatum eigendom van (verweerder). Doordat (verweerder) eigenaar is van twee woningen is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden tot het verkrijgen van een renovatiepremie, meer bepaald aan de aan de voorwaarden gesteld in artikel 4 van het BVR".

7. Eiser herhaalde in conclusie voor de appelrechters de reeds in de beslissingen van 24 november 2009 en 22 februari 2010 gestelde motive¬ring tot weigering van de renovatiepremie-aanvraag van verweerder van 24 juli 2009, m.n. dat verweerder, ingevolge de uitgevoerde verbouwingswerken die het voorwerp uitmaken van de renovatiepremie-aanvraag, eigenaar is van twee afzonderlijke woon-gelegenheden, elk ingericht met noodzakelijke woon¬functies, elk met een aparte ingang, en elk bewoond door een afzonderlijke titularis, zodat niet voldaan is aan de bij artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007 gestelde voorwaarde (syntheseberoepsconclusie eiser, p. 7, bovenaan en p. 8, vijfde alinea).

8. Naar het bestreden arrest is de weigering van de renovatie-premie onwettig, om reden
- dat de renovatiepremie-aanvraag van verweerder "de gehele woning (betreft) en niet voor een deel ervan", en de woning die op grond van artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007 het voorwerp van de aanvraag uitmaakt, "de gehele woning is)", waardoor eiser te dezen "niet kan vaststellen dat (verweerder) nog eigenaar is van een andere woning zonder eerst vast te stellen dat de premieaanvraag betrekking heeft op een deel van een meer¬gezinswoning";
- dat de vaststelling van eiser dat het zou gaan om een woning die in twee wooneenheden werd opgesplitst "louter (steunt) op de bouwplannen (onder andere een aparte ingang voor beide woon-eenheden) maar met miskenning van de verleende bouwvergunning (gebeurde) die de opsplitsing van de woning in meerdere af-zonderlijke wooneenheden expliciet niet toestaat, (nu) integendeel, de bouwvergunning uitdrukkelijk (bepaalt) dat slechts één huisnummer wordt toegekend en dat de woongelegenheden niet afzonder¬lijk kunnen worden verkocht, (en) de bouwvergunning (verder verduidelijkt) dat deze beperkingen verband houden met het feit dat de te verbouwen woning zal worden ingericht als een zorgwoning of kangoeroewoning zoals aangeduid op de bijgevoegde plannen".
- dat eiser de woning van verweerder "in strijd met de duidelijke be-stem¬mingsvoorschriften en voorwaarden vervat in de Steden-bouwkundige vergunning van (verweerder)" kwalificeert "als een meergezinswoning", waardoor "de beslissing niet gesteund (is) op een juiste beoordeling van de feitelijke toestand en (eiser) de be-woordingen van artikel 1, 3° en 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 (miskent) nu op grond van de be-stemmingsvoorschriften van de stedenbouwkundige verordening vaststaat dat sprake is van een éénsgezinswoning en de opsplitsing in meerge¬zinswoning uitdrukkelijk wordt uitgesloten, (en) er bijgevolg geen reden (was) voor (eiser) om er van uit te gaan dat (verweerder) nog een andere woning in volle eigendom bezat op het ogenblik van de aanvraag".

9. In zoverre het bestreden arrest aldus aanneemt dat eiser niet kon vaststellen dat verweerder nog eigenaar was van "een andere woning" zonder eerst vast te stellen dat de premieaanvraag betrekking heeft op een deel van een meergezinswoning, terwijl te dezen de renovatiepremie werd aangevraagd "voor de gehele woning",
- laat het na de bij artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en bij artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, gestelde voorwaarde te toetsen aan de feitelijke toestand ten tijde van de premieaanvraag (schending van artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel),
- sluit het ten onrechte de in artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode en in artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, voorziene uitsluiting van de renovatiepremie bij ei¬gendom van meerdere "woningen" uit wanneer de aanvraag een "gehele woning" betreft (schending van artikel 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel),
- onderwerpt het de toepassing van de bij artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, gestelde uitsluiting bij bezit van meerdere woningen in de zin van artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, en artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode, aan een voorwaarde die deze wetsbepalingen niet bevatten (schending van de artikelen 1, §1, eerste lid, 31°, en 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en de artikelen 1, 3° en 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versies geci¬teerd in de aanhef van het middel),
- sluit het geenszins uit dat verweerder, op het tijdstip van zijn aan-vraag, daadwerkelijk eigenaar was van meer dan één "woning" (schending van de artikelen 1, §1, eerste lid, 31°, en 81, §1, tweede lid, Vlaamse Wooncode, en de artikelen 1, 3° en 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versies geciteerd in de aanhef van het middel), en kon het derhalve niet wettig besluiten dat eiser de premieaanvraag onwettig weigerde op grond van artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel (schending van alle in de aanhef van het middel geciteerde wetsbepalingen).

Door de door eiser op grond van artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007 ingeroepen uitsluiting van de renovatiepremie te verwer-pen om reden dat blijkens de bestemming en de voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning het onroerend goed van verweerder een eengezinswoning is, en de opsplitsing in meergezinswoning uitgesloten is, nu deze vergunning bepaalt dat slechts één huisnummer kan worden toegekend, de woongelegenheden niet af-zonderlijk kunnen worden verkocht, en de woning zal worden ingericht als een zorgwoning of kangoeroewoning, zonder evenwel uit te sluiten dat, zoals door eiser voorgehouden, het onroerend goed daadwerkelijk en in feite twee afzonderlijke wooneenheden bevat, elk ingericht met de noodza¬kelijke woonfuncties en een aparte ingang, en afzonderlijk bewoond, miskent het het wettelijk begrip "woning" in artikel 1, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode en artikel 1, 3°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel (schending van deze wetsbepalingen), miskent het het wettelijk begrip "bewoner" in de zin van artikel 1, 4°, van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel (schending van deze wetsbepaling), en kon het niet wettig de bij artikel 81, §1, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode en artikel 4 van het besluit van 2 maart 2007, in de versie geciteerd in de aanhef van het middel, voorziene uitsluiting van de renovatiepremie bij bezit van meerdere woningen, verwerpen (schending van deze wetsbepalingen).

Door zijn beslissing te steunen op de voorschriften van de ste-denbouwkundige vergunning, terwijl de begrippen "woning" en "be-woner" een eigen invulling kennen voor de toepassing van de tege-moetkomingen in uitvoering van de Vlaamse Wooncode, die alleen vereisen dat het goed of een deel ervan in feite "hoofdzakelijk be-stemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande", zonder verwijzing naar de begrippen "eengezinswoning" of "meerge-zinswoning" in de zin van de stedenbouwwetgeving of de voor¬waarden van de stedenbouwkundige vergunning, kon het bestreden arrest, zonder in feite na te gaan of het onroerend goed van verweerder daadwerke¬lijk en in feite twee afzonderlijke wooneenheden bevat, elk ingericht met de noodzakelijke woonfuncties en een aparte ingang, en afzonderlijk bewoond, niet wettig besluiten "(dat er) geen reden voor (eiser) (was) om er van uit te gaan dat (verweerder) nog een andere woning in volle eigendom bezat op het ogenblik van de aanvraag" (schending van alle in de aanhef van het middel geciteerde wetsbepalingen).

TOELICHTING

1. De renovatiepremie, die het voorwerp uitmaakt van het geschil, kadert in de woonkwaliteitsdoelstellingen van de Vlaamse Wooncode als concretisering van het recht op wonen, en vormt één van de instrumenten van het Vlaamse woonbeleid (titel VI Vlaamse Wooncode) (zie MvT., Gedr.St. Vl.Parl., 1996-1997, nr. 654/1 (erratum), p. 12).

De decreetgever beoogde in artikel 83 van de Vlaamse Wooncode de Vlaamse regering de mogelijkheid te geven om gezin-nen aan te moedigen tot renovatie, tot aankoop, tot nieuwbouw, tot verbetering of tot aanpassing, door ondersteuning van eigendoms-verwerving en -behoud (MvT., Gedr.St. Vl.Parl., 1996-1997, nr. 654/1 (erratum), p. 33).

De renovatiepremie geeft sommige bewoners of ver-huurders die structurele of bouwfysische ingrepen uitvoeren aan een woning die minstens 25 jaar oud is, een tegemoetkoming voor limita-tief opgesomde renovatiewerken. Om te verzekeren dat de middelen naar de beoogde doelgroep vloeien, werden inkomensgrenzen en voorwaarden inzake bezit van onroerend goed gesteld (VAN-DROMME, T. en HUBEAU, B., "Kroniek van de sociale huisvesting (2003-2009)", R.W. 2010-11, 663, nr. 86).

2. De Vlaamse Wooncode hanteert een eigen begrip-penkader, onderscheiden van het begrippenkader in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Rekening houdende met de doelstellingen van de Vlaamse Wooncode, verwijst het begrip "woning" naar het werkelijk feitelijk gebruik van een gebouw, los van de stedenbouwkundige (of contractuele) bestemming ervan. Indien het gebouw is ingericht als woning voor een gezin of een alleen¬staande, dan is het bestemd voor bewoning (zie VANDROMME, T., Woningkwaliteitsbewaking in het Vlaamse Gewest, Mechelen, Kluwer, 2008, 14-15, sub 32-33). Indien het gebouw onderscheiden woongelegenheid bevat voor een gezin, dan wel een alleenstaande, dan is er sprake van onderscheiden "woningen" in de zin van de Vlaamse Wooncode en de uit-voeringsbesluiten, ongeacht de stedenbouwkundige bestemming van het goed.

Uit de voorbereidende werken van de Vlaamse Wooncode blijkt ook dat het onderscheid tussen een gezin en een alleenstaande allesomvattend is, in die zin dat men ofwel behoort tot een gezin, ofwel alleenstaande is: "Onder dit begrip [gezin] worden alle duurzame samenlevingsvormen verstaan: gehuwden met of zonder kinderen, een alleenstaande ouder met kinderen feitelijk samenwonenden (gedurende een te bepalen termijn) met of zonder kinderen. De definitie is exclusief: men is ofwel alleenstaande, ofwel lid van een gezin. Personen die op niet duurzame wijze samenwonen in eenzelfde woning worden m.a.w. als alleenstaanden beschouwd. De vereiste van de hoofdverblijfplaats in het gezinsbegrip wijst op de duurzaamheid van de sa¬menwoning" (MvT., Gedr.St. Vl.Parl., 1996-1997, nr. 654/1 (erratum), p. 9).

3. De omstandigheid dat te dezen de stedenbouwkundige vergunning van het goed een meergezinswoning uitsluit, in die zin dat slechts één huisnummer kan worden toegekend, de woonge-legenheden niet afzonderlijk kunnen worden verkocht, en de inrichting als zorgwoning of kangoeroewoning is toegelaten, sluit geenszins uit dat door de aanwezigheid van twee woon¬gelegenheden, elk ingericht met noodzakelijke woonfuncties, elk met een aparte ingang, en elk bewoond door een afzonderlijke titularis, niettemin twee "woningen" voorhanden zijn in de zin van de Vlaamse Wooncode en het uitvoeringsbesluit van 2 maart 2007.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiser, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, de be-streden beslissing te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 28/10/2016 - 12:38
Laatst aangepast op: vr, 28/10/2016 - 12:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.