-A +A

Rekening verantwoording van beheer ouderlijk vermogen en vordering tot wederinbreng vereist een gerechtelijke vereffening-verdeling met aanwijzing van een notaris-vereffenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 29/04/2015

De vordering van erfgenamen tot rekening verantwoording van beheer ouderlijk vermogen en vordering tot wederinbreng in de nalatenschap, vereist een gerechtelijke vereffening-verdeling, met aanwijzing van een notaris-vereffenaar.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
995
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V.L.M. t/ V.L.G. e.a.

...

Feiten en retroacten

5. Wijlen M.A. had drie kinderen. Appellant en eerste geïntimeerde zijn haar twee kinderen.

M.A. is vooroverleden; diens zoon is D.V.L., tweede geïntimeerde, en deze is vrijwillig tussengekomen in de procedure.

Appellant had het beheer over het vermogen van wijlen M.A. tot 1 februari 1997.

Op 1 februari 1997 heeft eerste geïntimeerde dit beheer overgenomen.

Beiden vorderen ten opzichte van elkaar dat zij rekenschap en verantwoording zouden afleggen.

Bij gebrek aan rekening en verantwoording, vorderen zij elkaars veroordeling tot wederinbreng in de nalatenschap van wijlen mevrouw A. (hun moeder) van de fondsen waarover geen verantwoording kan worden afgelegd. Voorts vragen zij ten opzichte van elkaar dat zij zouden worden uitgesloten van erfrecht op deze fondsen.

...

Beoordeling

...

Ten gronde

7. In wezen stellen zowel appellant als eerste geïntimeerde een verkapte eis tot vereffening en verdeling in.

7a. Dit blijkt o.a. uit het feit dat zij beiden een vordering instellen tot wederinbreng in de nalatenschap van wijlen M.A. Appellant en eerste geïntimeerde beperken hun vordering niet tot hun eigen aandeel, maar vorderen inbreng in de nalatenschap als zodanig.

Hoewel de vordering tot rekening en verantwoording – en, hieraan gekoppeld, de vordering gebaseerd op de erfrechtelijke “heling” – tegen de persoon die zich schuldig zou hebben gemaakt aan verduistering van erfgoederen ook kan worden ingesteld tegen de vermeende dader als een vordering tot teruggave van goederen, zonder dat deze als een vordering tot vereffening-verdeling moet worden ingekleed, is dit hier niet het geval.

De inbreng die appellant en eerste geïntimeerde vorderen (weliswaar ingeval de gevorderde rekening en verantwoord falen) is bovendien een verdelingsoperatie: inbreng strekt immers tot een reële teruggave van goederen aan de hereditaire massa.

In feite moet een wedersamenstelling gebeuren van het actief van de nalatenschap, dat immers niet enkel bestaat uit de aanwezige goederen ten tijde van het overlijden, maar ook uit de goederen die moeten worden ingebracht.

7b. Alleszins kan het Hof, hic et nunc, geen veroordeling uitspreken “tot wederinbreng in de nalatenschap”. Een nalatenschap heeft als zodanig geen rechtspersoonlijkheid, zodat de betaling aan een nalatenschap of de veroordeling ten voordele van een nalatenschap rechtens niet mogelijk is.

Inbreng (bij uitbreiding: elke aanspraak ten voordele van de boedel) is slechts aan de orde nadat de gerechtelijke vereffening en verdeling bevolen en aangevat is.

7c. Ten overvloede zij in dat verband nog opgemerkt dat in het raam van de door partijen in conclusie reeds verstrekte rekening en verantwoording melding wordt gemaakt van o.a. schenkingen, waar (afgezien van de beoordeling van die aangevoerde grond van verantwoording) het geheel van de bewezen giften in aanmerking moet worden genomen bij de samenstelling van het beschikbare deel (op grond van art. 922 BW) als bewerking van de vereffening en verdeling.

8. Het formele kader waarbinnen de onderscheiden vorderingen van partijen moeten worden beoordeeld, is dat van de gerechtelijke vereffening en verdeling, overeenkomstig art. 1207 e.v. Ger.W.

Het blijkt niet dat reeds een notaris-vereffenaar is aangesteld (...).

Aan de partijen werd door het hof, dat het voorwerp van de vorderingen immers niet ambtshalve mag wijziging, ter zitting van 31 maart 2015 de vraag gesteld of zij, in voorkomend geval, akkoord konden gaan met de vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen hun (groot)moeder. Hierop hebben alle partijen bevestigend geantwoord.

Het behoort dan ook de aanstelling te bevelen van een notaris-vereffenaar, belast met de bewerkingen van vereffening en verdeling, onverminderd wat hierna nog overwogen wordt door het hof.

9. De uitspraken die appellant en eerste geïntimeerde wensen te ontlokken, zijn, mede in het licht van de overwegingen in randnrs. 7 en 8, duidelijk voorbarig. O.a. de thans aangekaarte problematiek van rekening en verantwoording kan ook gebeuren ten aanzien van de notaris-vereffenaar.

Aangezien het tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 13 september 2006 niet is bestreden, kunnen appellant en eerste geïntimeerde, gelet op het gezag van gewijsde van dit vonnis, niet ontkennen dat zij rekening en verantwoording zijn verschuldigd, aangezien zij het beheer hebben uitgeoefend over het vermogen van wijlen mevrouw M.A.

Voor zoveel als nodig, zij opgemerkt dat de notaris kan worden beschouwd als “deskundige”, zoals bedoeld in art. 1358 Ger.W. Het is trouwens de door de rechter aangestelde notaris die met toepassing van art. 1207 e.v. Ger.W. als draaischijf bij de gerechtelijke vereffening-verdeling fungeert: hij voert de vereffening-verdeling door en maakt de rekeningen tussen de partijen op, waarbij hij alle eventuele knooppunten moet ontwarren en doorhakken.

10. De notaris-vereffenaar mag (en moet), in het raam van zijn specifieke gerechtelijke opdracht, ook oordelen over een subjectief element, zoals de eventuele heling in de zin van art. 792 BW (zie o.a.: T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 186, nr. 276 en p. 260-261, nr. 381).

Wel merkt het hof thans reeds op dat een falende rekening en verantwoording krachtens een bewijsrechtelijke waardering niet ipso facto het bewijs van heling inhouden; daartoe is immers ook een moreel element vereist, i.e. het inzicht of de bedoeling de gelijkheid van de verdeling te verbreken. Er moet immers aangetoond zijn dat de “dader” met bedrieglijk inzicht heeft gehandeld, terwijl kwade trouw en bedrog niet worden vermoed en bedrog niet uit de omstandigheden kan worden afgeleid.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 20/03/2017 - 16:55
Laatst aangepast op: ma, 20/03/2017 - 16:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.