-A +A

Regresrecht werkgever voor schade geleden ingevolge arbeidsongeschiktheid werknemer door fout derden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/12/2013

Art. 75 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt met betrekking tot het regres van de werkgever op de aansprakelijke voor een ongeval waarvan de werknemer het slachtoffer is: “De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor de ongevallen, de arbeidsongevallen, de ongevallen op weg van of naar het werk en de beroepsziekten, die een schorsing van de overeenkomst hebben veroorzaakt als bedoeld in de artikelen 70, 71 en 72, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe hij door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden”.

Het regresrecht heeft betrekking op het gewaarborgd loon en de sociale bijdragen. Naast het eigenlijke uitgekeerde loon zijn de premies en de toelage, die maandelijks worden uitgekeerd, ook als zodanig te beschouwen in de zin van art. 2 van de Loonwet van 12 april 1965.

Het vakantiegeld daarentegen komt niet in aanmerking evenmin als de eindejaarspremie, aangezien die niet behoort tot het gewaarborgd loon voor de periode van ongeschiktheid.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
198
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

NV C. t/ Belgische Staat, minister van Binnenlandse Zaken

I. Antecedenten

...

Het geding tussen de partijen betreft de terugvordering door de Belgische Staat van de wedde die hij tussen 3 december 2008 en 2 januari 2009 uitkeerde aan zijn ambtenaar M.R., die dertig dagen arbeidsongeschikt was ten gevolge van een aanrijding. De aansprakelijkheid van de verzekerde van C. voor die aanrijding wordt niet betwist.

De Belgische Staat ging tot dagvaarding over op 17 augustus 2011.

II. Procedure

De eerste rechter verklaarde in het bestreden vonnis van 1 juni 2012 de vordering van de Belgische Staat tegen C. gegrond.

Het hoger beroep van C. beoogt de afwijzing van die vordering (...).

...

III. Grond van de zaak

1. Rechtsgronden

De Belgische Staat spreekt C. aan op grond van art. 1382 BW, art. 70 en 75 Arbeidsovereenkomstenwet, art. 160 van de wet van 21 december 1994 en art. 14, § 3 Wet Arbeidsongevallen Overheidssector van 3 juli 1967, alsook art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

2. Beoordeling

2.1. In zoverre de vordering is gebaseerd op art. 70 en 75 Arbeidsovereenkomstenwet

2.2.1. In het tussenvonnis werd vastgesteld dat de toestand van het slachtoffer M.R. als contractueel personeelslid niet statutair geregeld was. Krachtens art. 1 Arbeidsovereenkomstenwet valt zij dus onder toepassing van deze wet.

Art. 75 van deze wet bepaalt met betrekking tot het regres van de werkgever op de aansprakelijke voor een ongeval waarvan de werknemer het slachtoffer is: “De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor de ongevallen, de arbeidsongevallen, de ongevallen op weg van of naar het werk en de beroepsziekten, die een schorsing van de overeenkomst hebben veroorzaakt als bedoeld in de artikelen 70, 71 en 72, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe hij door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden”.

2.2.2. Het regresrecht heeft betrekking op het gewaarborgd loon en de sociale bijdragen. Naast het eigenlijke uitgekeerde loon zijn de premies en de toelage, die maandelijks worden uitgekeerd, ook als zodanig te beschouwen in de zin van art. 2 van de Loonwet van 12 april 1965.

Het vakantiegeld daarentegen komt niet in aanmerking (zie: A. Van Oevelen, G. Jocqué, C. Persyn en B. De Temmerman, “Overzicht van rechtspraak onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)”, TPR 2007, 1469, met verwijzing naar onder meer Cass. 16 februari 1998, Arr.Cass. 1998, nr. 92), evenmin als de eindejaarspremie, aangezien die niet behoort tot het gewaarborgd loon voor de periode van ongeschiktheid.

In het tussenvonnis van 10 juni 2013 werd de vraag opgeworpen of, in het specifieke geval van de Belgische Staat, dit regresrecht ook betrekking kan hebben op de belastingen op het loon, die hij inhoudt ten voordele van de Schatkist en dus de facto ten voordele van zichzelf.

De Belgische Staat betoogt dienaangaande dat tot het loon van de werknemer ook de bedrijfsvoorheffing behoort, aangezien art. 31, 4o WIB bepaalt dat bezoldiging van werknemers alle beloningen zijn die de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever, inzonderheid vergoedingen voor een tijdelijke derving van bezoldiging.

Er dient echter op gewezen te worden dat de door genoemd art. 75 aan de werkgever toegekende regresvordering blijkens de parlementaire voorbereidingsstukken essentieel een indemnitair karakter heeft (zie het verslag, Parl.St. Senaat 1977-78, nr. 258/2, waarin wordt aangestipt dat de rechtsvordering wordt ingesteld overeenkomstig de regels van de burgerlijke aansprakelijkheid).

De rechtbank is van oordeel dat daaruit volgt dat de regresvordering geen betrekking kan hebben op bedragen die voor de werkgever geen schade uitmaken. In dit opzicht dient de regresvordering op grond van art. 75 Arbeidsovereenkomstenwet gelijkgesteld te worden met de vordering op grond van art. 1382 BW, waarop hieronder wordt ingegaan.

2.3. In zoverre de vordering is gebaseerd op art. 1382 BW

2.3.1. In het tussenvonnis werd reeds overwogen dat de werkgever in de overheidssector die ingevolge de fout van een derde, krachtens de op hem rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen, de wedde en de daarop rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, krachtens art. 1382 BW gerechtigd is op schadevergoeding voor zover hij hierdoor schade lijdt en voor zover uit de inhoud of de strekking van die wetten of reglementen niet blijkt dat die betalingen definitief ten laste moeten blijven van de overheid (in die zin: Cass. 30 mei 2011, NJW 2011, 498; Cass. 18 november 2011, C.09.0521.F, Arr.Cass. 2011, 2340 ).

Wat het loon betreft dat aan overheidspersoneelsleden dient te worden betaald gedurende hun tijdelijk ongeschiktheid, blijkt in principe niet dat die uitgaven ten laste van de overheid moeten blijven, aangezien art. 14, § 3, tweede lid Arbeidsongevallenwet publieke sector voor die uitgaven een subrogatierecht toekent aan de overheid (vgl. Cass. 21 september 2009, NJW 2009, 902). De omvang van die subrogatie, en meer bepaald de beperking daarvan tot hetgeen de getroffene zou kunnen terugvorderen van de aansprakelijke, heeft in dit verband geen belang (Cass. 10 december 2001, RW 2003-04, 583; zie ook: I. Boone, “De arbeidsongeschikte ambtenaar en het regres van de werkgever op de aansprakelijke”, RW 2001-02, 217-234).

Het argument tegen dit eigen regresrecht op grond dat de wetgever met de invoering van de subrogatie de rechten van de overheid zou hebben willen beperken tot wat het slachtoffer zou hebben kunnen vorderen, snijdt geen hout, want aan de wetgever van 1967 kan daarmee geenszins een beperkende bedoeling worden toegeschreven, eenvoudig omdat dit destijds niet ter sprake is gekomen. De wet dateert immers uit een periode waarin door de heersende cassatierechtspraak nog geen eigen regresrecht op grond van art. 1382 BW voor een statutair doorbetaalde wedde werd erkend. Bovendien heeft de wetgever later in art. 52, § 4 en art. 75 Arbeidsovereenkomstenwet (zie supra) wel degelijk aan de werkgever (in de privésector, maar ook voor niet-statutair overheidspersoneel) een eigen recht toegekend dat ruimer is dan de subrogatie in de rechten van de getroffene, aangezien ook de sociale bijdragen in ruime zin het voorwerp uitmaken van het verhaal.

De wettelijke subrogatie van de overheid in de rechten van de getroffene belet geenszins dat de overheid de vordering tot vergoeding van eigen schade instelt die voor elkeen openstaat op grond van art. 1382 BW. De schade die de overheid lijdt door het derven van de prestaties van haar personeelslid, staat niet gelijk met de schade die deze persoon zelf lijdt.

2.3.2. Evenmin kan uit de niet-recupereerbaarheid van renten voor blijvende invaliditeit enig argument worden gehaald tegen de recuperatie van loon gedurende tijdelijke ongeschiktheid. De reden waarom het Hof van Cassatie die renten niet als schade beschouwt, in tegenstelling tot doorbetaald loon tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid, is dat zij worden uitgekeerd niettegenstaande de overheid de arbeidsprestaties van het personeelslid niet meer moet derven (Cass. 2 maart 2012, VAV 2012, 270).

2.3.3. Inzake het bewijs van de schade geldt dat niet van de overheid mag worden geëist dat zij aantoont dat zij haar organisatie of dienstverlening heeft moeten verminderen of kosten heeft moeten maken om de prestaties van het getroffen personeelslid door een andere aangestelde te laten uitvoeren (vgl. Cass. 6 november 2001, Arr.Cass. 2001, 1871; Cass. 23 februari 2004, RW 2005-06, 303), alsook dat de schade overeenstemt met de wedde en de daarop wegende fiscale en sociale lasten die de overheid effectief moet betalen zonder dat daar een arbeidsprestatie tegenover stond (in die zin: Cass. 9 april 2003, De Verz. 2004, 127; Cass. 18 november 2011, C.09.0521.F, Arr.Cass. 2011, 2340).

2.3.4. In het specifieke geval van de Belgische Staat is de rechtbank evenwel van oordeel dat de belastingen die hij op de bezoldiging van zijn personeelslid inhoudt ten voordele van de Schatkist, niet kunnen worden beschouwd als een betaling van lasten en dus als schade. Zowel indien dat personeelslid arbeid verricht als in het geval dat het gaat om doorbetaalde wedde tijdens ziekte, betaalt de Belgische Staat die belastingen immers aan zichzelf. Met andere woorden: de kost van de prestaties van dit personeelslid aan de Belgische Staat als werkgever is nooit meer dan het nettoloon dat hij aan het personeelslid uitbetaalt, alsook de sociale bijdragen die hij voor dit personeelslid inhoudt, respectievelijk betaalt aan de RSZ.

De stelling van C. dat ook die sociale bijdragen geen schade zouden uitmaken omdat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met de Belgische Staat dient gelijkgesteld te worden, kan daarentegen niet worden gevolgd. Deze Rijksdienst is als zodanig weliswaar een overheidsinstelling, met als taak de inning en het beheer van de sociale werkgevers- en werknemersbijdragen waarmee hij de verschillende takken van de sociale zekerheid financiert, alsook de verzameling en verspreiding van de administratieve basisgegevens ten behoeve van de andere socialezekerheidsinstellingen.

Het beheer van de RSZ is echter niet rechtstreeks in handen van de Belgische Staat, maar berust bij het Beheerscomité van de Sociale Zekerheid, dat bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, naast twee regeringscommissarissen en de voorzitter. De kas van de RSZ die wordt gespijsd door de inning van de bijdragen van werkgevers en werknemers naast alternatieve financiering (zie: www.RSZ.be), is te onderscheiden van de Schatkist.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/10/2016 - 14:08
Laatst aangepast op: di, 11/10/2016 - 14:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.