-A +A

Regres wegens afwezigheid keuringsattest vergt bewijs causaal verband

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 04/09/2017

Inzake de afwezigheid van een geldig keuringsattest is dat causale verband zonder enige twijfel vereist, omdat art. 25, 3°, c van de modelpolis het zelf impliciet bepaalt door de toevoeging dat het regres niet mogelijk is indien de verzekerde de afwezigheid van causaal verband bewijst.

Cassatierechtspraak inzake het niet vereist zijn van een causaal verband bij schending van een wettelijke verplichting heeft betrekking op de persoon die rijdt zonder te voldoen aan de daartoe gestelde wettelijke vereisten en dus op de grond tot regres van art. 25, 3°, b hetgeen niet toepasselijk is voor het rijden zonder geldig keuringsattest.

Door de wet van 31 mei 2017  werd de WAM-wet op bepaalde punten aangepast en werd in de WAM-wet een art. 16bis ingevoegd dat bepaalde categorieën van regres in de WAM-wet opneemt, terwijl de overige categorieën ongewijzigd blijven.

Uit de memorie van toelichting tot de wet blijkt dat met die opname van specifieke categorieën van regres in de WAM-wet de bedoeling voorzat de betwisting te beslechten betreffende de verplichting van de verzekeraar het oorzakelijk verband te bewijzen tussen de niet-nakoming van de verplichting waarop het regres is gebaseerd en het ongeval.

Onder de in de WAM-wet opgenomen gronden tot regres – die dus geen causaal verband vereisen – staat wel het geval van de persoon die stuurt zonder te voldoen aan de wettelijke vereisten daarvoor, maar niet het sturen zonder geldig keuringsbewijs.

Art. 152, eerste lid van de Wet Verzekeringen (voordien art. 88, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst) geeft aan de verzekeraar de mogelijkheid om zich in de verzekeringovereenkomst een regresrecht voor te behouden tegen de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen. Vereist is dus naast het bestaan van een contractueel beding dat in het regresrecht voorziet, een beperking van het regresrecht tot de gevallen waarin de verzekeraar geen of geen volledige dekking aan de verzekerde moet verlenen op basis van een wettelijke of contractuele bepaling.

De regresvordering is aldus een contractuele correctie voor de van de niet-tegenwerpelijkheid van exceptie aan de derde benadeelde de tot gevolg heeft dat de aansprakelijkheidsverzekeraar ten voordele van die derden tot vergoeding gehouden blijft.

De weigering of vermindering van de prestatie van de verzekeraar kan het bestaan vereisen van een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval. Ook voor de uitoefening van het regresrecht door de verzekeraar moet dit verband dan bestaan; dit is het geval bij een regres op grond van een tekortkoming als bedoeld in art. 65, eerste lid Wet verzekeringen (voordien art. 11, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst), dat het verval van dekking afhankelijk maakt van een oorzakelijk verband met het schadegeval; bij een regres op grond van dergelijke grove fout is dan het causale verband vereist.

Er dient dus, opdat regres mogelijk zou zijn, nagegaan te worden of de verzekeraar zijn prestatie had kunnen weigeren. De regels op basis waarvan die vraag beantwoord wordt, zijn dezelfde voor de eigen schadeverzekering als voor het regres. Het is pas na de beantwoording van die vraag dat het regres beoordeeld wordt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1192
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV A.A. t/ C.R.

...

Thans, na de inwerkingtreding van de wet van 26 april 2017, is de regel dat na een heropening van debat geen terechtzitting meer volgt, maar uitsluitend een conclusiekalender, en dat naar een louter schriftelijke procedure wordt overgeschakeld (P. Taelman en P. Van Orshoven (eds.), De wet van 26 april 2007 tot wijziging .... doorgelicht, Brugge, die Keure, 2007, p. 110, nr. 19).

Aangezien de door het tussenvonnis van 19 december 2016 bepaalde kalender verstreken is, dient de rechtbank thans vonnis ten gronde te vellen.

...

Zoals in het tussenvonnis gezegd, oefent eiseres tegen verweerder regres uit op basis van art. 25, 3o, c van de modelpolis, namelijk de afwezigheid van geldig keuringsattest.

In het tussenvonnis werd aangegeven dat verweerder tegen de vordering zes middelen aanbrengt.

Daarvan werden er in het tussenvonnis vier beoordeeld, namelijk de exceptio obscuri libelli, het bewijs van het contractuele regresrecht, het verval van het regresrecht en de mogelijkheid tot regres als dusdanig.

Blijven nog te beoordelen de vraag naar het causale verband tussen het gebrek aan geldig keuringsattest en het schadegeval en de betwisting inzake de schaderegeling met de derde benadeelde.

De heropening van het debat door het tussenvonnis van 19 december 2016 had betrekking op de genoemde betwisting inzake het causale verband.

Betreffende het causale verband

1. De heropening van het debat had betrekking op de vraag naar de bewijslast inzake het causale verband of naar de afwezigheid daarvan.

Thans stelt eiseres in conclusie dat er voor het voorliggende geval van regres geen causaal verband vereist zou zijn, omdat het sturen zonder geldig keuringsattest de schending van een wettelijke verplichting zou zijn.

Uit een grondige lectuur in rechte van het tussenvonnis blijkt al dat dat verweer, dat een extrapolatie is van de rechtspraak inzake art. 25, 3o, b van de modelpolis naar art. 25, 3o, c, niet opgaat. Eiseres kan evenmin een argument putten uit het thans door haar aangebrachte element dat het in het tussenvonnis geciteerde eerdere vonnis van deze rechtbank van 11 maart 2013 betrekking heeft op de eigen schadeverzekering en niet op het regres; ook dat blijkt al uit een grondige lectuur in rechte van het tussenvonnis.

2. Op het gevaar af in herhaling te vallen, herneemt de rechtbank de motivering van het tussenvonnis.

Art. 152, eerste lid van de Wet Verzekeringen (voordien art. 88, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst) geeft aan de verzekeraar de mogelijkheid om zich in de verzekeringovereenkomst een regresrecht voor te behouden tegen de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen. Vereist is dus naast het bestaan van een contractueel beding dat in het regresrecht voorziet, een beperking van het regresrecht tot de gevallen waarin de verzekeraar geen of geen volledige dekking aan de verzekerde moet verlenen op basis van een wettelijke of contractuele bepaling (G. Jocqué, De verzekerde en de benadeelde in de aansprakelijkheidsverzekering, Antwerpen, Intersentia 2016, nr. 483).

De regresvordering is aldus een contractuele correctie voor de van de niet-tegenwerpelijkheid van exceptie aan de derde benadeelde de tot gevolg heeft dat de aansprakelijkheidsverzekeraar ten voordele van die derden tot vergoeding gehouden blijft.

De weigering of vermindering van de prestatie van de verzekeraar kan het bestaan vereisen van een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval. Ook voor de uitoefening van het regresrecht door de verzekeraar moet dit verband dan bestaan; dit is het geval bij een regres op grond van een tekortkoming als bedoeld in art. 65, eerste lid Wet verzekeringen (voordien art. 11, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst), dat het verval van dekking afhankelijk maakt van een oorzakelijk verband met het schadegeval; bij een regres op grond van dergelijke grove fout is dan het causale verband vereist (G. Jocqué, o.c., nr. 492).

Er dient dus, opdat regres mogelijk zou zijn, nagegaan te worden of de verzekeraar zijn prestatie had kunnen weigeren. De regels op basis waarvan die vraag beantwoord wordt, zijn dezelfde voor de eigen schadeverzekering als voor het regres. Het is pas na de beantwoording van die vraag dat het regres beoordeeld wordt.

3. a) Inzake de afwezigheid van een geldig keuringsattest is dat causale verband zonder enige twijfel vereist, omdat art. 25, 3o, c van de modelpolis het zelf impliciet bepaalt door de toevoeging dat het regres niet mogelijk is indien de verzekerde de afwezigheid van causaal verband bewijst.

De door eiseres aangehaalde cassatierechtspraak inzake het niet vereist zijn van een causaal verband bij schending van een wettelijke verplichting heeft betrekking op de persoon die rijdt zonder te voldoen aan de daartoe gestelde wettelijke vereisten en dus op de grond tot regres van art. 25, 3o, b die hier niet aan de orde is (G. Jocqué, o.c., nrs. 491 en 492).

b) Door de wet van 31 mei 2017 (BS 12 juni 2017) werd de WAM-wet op bepaalde punten aangepast en werd in de WAM-wet een art. 16bis ingevoegd dat bepaalde categorieën van regres in de WAM-wet opneemt, terwijl de overige categorieën ongewijzigd blijven.

Uit de memorie van toelichting tot de wet blijkt dat met die opname van specifieke categorieën van regres in de WAM-wet de bedoeling voorzat de betwisting te beslechten betreffende de verplichting van de verzekeraar het oorzakelijk verband te bewijzen tussen de niet-nakoming van de verplichting waarop het regres is gebaseerd en het ongeval (memorie van toelichting, Kamer, Doc 54 2414/001, p. 10).

Onder de in de WAM-wet opgenomen gronden tot regres – die dus geen causaal verband vereisen – staat wel het geval van de persoon die stuurt zonder te voldoen aan de wettelijke vereisten daarvoor, maar niet het sturen zonder geldig keuringsbewijs.

Weliswaar is die nieuwe wettekst als zodanig (nog) niet van toepassing op de hier voorliggende betwisting, maar ze illustreert – mee door haar ratio legis – treffend de juistheid van het bovenstaande inzake het vereiste causale verband.

4. De hele betwisting in rechte wordt aldus herleid tot de vraag naar de bewijslast van het causale verband.

Wanneer het regresrecht een oorzakelijk verband vereist, moet de verzekeraar dat verband bewijzen (G. Jocqué, o.c., nr. 493).

Gelet op de tekst van art. 65, eerste lid Wet Verzekeringen (voordien art. 11, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst) kan eiseres contractueel geen omkering van de bewijslast bedingen. Die wetsbepaling is immers van dwingend recht (art. 56 Wet Verzekeringen, voordien art. 3 Wet Landverzekeringsovereenkomst). Enerzijds kan het contract (de verzekeringsovereenkomst) niet afwijken van een wetsbepaling van dwingend recht en anderzijds kan het KB van 14 december 1992 dat de modelpolis vastlegt, niet afwijken van een wet (Cass. 13 september 2010, RGAR 2011, nr. 14708, JLMB 2011, 2070; G. Jocqué, «Verzekeringsrecht kroniek 2009-2011», NJW 2011, p. 478, nr. 5).

5. Blijft thans nog te beoordelen het – door de verzekeraar te leveren – bewijs in feite van het causale verband tussen de afwezigheid van geldig keuringsattest en het schadegeval.

Eiseres beperkt zich op dat vlak tot het verwijzen naar een aantal elementen en onduidelijkheden betreffende het ongevalsverloop. Als zodanig bewijst dat niet dat er een causaal verband zou bestaan tussen de afwezigheid van een geldig keuringsattest en het ongevalsgebeuren.

In de overgelegde strafinformatie stelt de rechtbank vast: a) dat de strafinformatie geen enkel gegeven bevat over de staat van het voertuig; b) dat het in casu niet gaat om een voertuig waarvoor een negatief keuringsattest was afgeleverd, maar om een voertuig waarvoor het keuringsattest vervallen was door overschrijding van de termijn; c) dat het gaat om een voertuig Mercedes dat er volgens de foto’s in de strafinformatie uiterlijk in goede staat uitzag en dat het keuringsattest vervallen was sinds 19 december 2012, dit is amper een week voor het ongeval dat op 27 december 2012 gebeurde.

Eiseres levert niet het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de niet-naleving van de verplichting inzake keuring en het ongeval.

6. De regresvordering is niet gegrond (...).

Noot: 

Zie ook Cassatie 11 februari 2016, RW 2017-2018, 19, met noot van: Uitsluiting van dekking [Omnium verzekering] bij dronken/[geïntoxiceerd] rijden? Niet (meer) mogelijk G. Heirman en E. Van Leuven

samenvatting

Aangezien artikel 11, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, krachtens artikel 3 van voormelde wet, van dwingend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsovereenkomst die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is (1). (1) Cass. 20 september 2012, A.R. C.12.0029. F, AC 2012, nr. 477, met concl. van advocaat-generaal Genicot, in Pas. 2012, n° 477.

tekst arrest

Nr. C.15.0180.N
DEVOSA bvba, met zetel te 9031 Gent (Drongen), Jan-Baptist Lombaertdreef 11,
eiseres,
tegen
KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 juni 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens, artikel 11, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeel-telijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het ongeval.

2. Aangezien deze bepaling, krachtens artikel 3 van voormelde wet, van dwin-gend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsover-eenkomst die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is.

3. Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren wegens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verplichtingen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

4. De appelrechters stellen vast dat artikel 4b van de verzekeringsovereenkomst bepaalt dat "de verzekering niet geldt wanneer u of de toegelaten bestuurder (...) het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0.65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken".

5. De appelrechters die, ondanks de in dit artikel opgenomen contractuele ver-plichtingen, oordelen dat in artikel 4b van de verzekeringsovereenkomst geen verval van dekking wordt omschreven en dat het bijgevolg aan de eiseres als ver-zekerde behoort het bewijs te leveren dat het schadegeval niet werd veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 pro mille, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseres ongegrond verklaart en oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,en in openbare rechtszitting van 11 februari 2016 uitgesproken

24084/W/10
VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

bvba DEVOSA, met zetel te 9031 GENT, aan de Jan-Baptist Lombaert-dreef 11 en met ondernemingsnummer 0896.503.001,
eiseres tot cassatie,
vertegenwoordigd door¬ de ondergetekende, Willy van Eeckhoutte, advo-caat bij het Hof van Cassatie, met kan¬toor te 9051 Gent, aan de Drie Ko-nin¬gen¬straat 3, waar keuze van woonplaats wordt gedaan,

wat volgt.

De eiseres, voornoemd, ver¬klaart hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hieronder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hier-onder nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 5 juni 2014 door de eerste kamer van het hof van beroep te Gent op tegen¬spraak werd gewezen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2012/AR/1305, van de eise-res, als eerste appellante, tegen:

de naamloze vennootschap KBC VERZEKERINGEN, met zetel te 3000 LEUVEN, aan het Professor Roger Van Overstraetenplein 2 en met ondernemingsnummer 0403.552.563,
toen geïntimeerde, thans verweerster in cassatie,

en tegen die verwerende partij.

 

Deze voorziening in cassatie is gesteund op de volgende middelen en conclusie.

II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. Op 15 april 2008 sloot de eiseres als verzekeringsnemer een polis-personenauto af bij de verweerster, met als verzekerde waarborgen burgerrech-telijke aansprakelijkheid, rechtsbijstand en "omnium alle risico's".

Mevrouw An-Sofie De Vos, die geen partij is in deze cassatieprocedure, werd aangeduid als courante bestuurder van het verzekerde voertuig.

Op 8 juli 2010 om 0 uur 05 was An-Sofie De Vos betrokken bij een verkeerson-geval.

De ademanalyse, uitgevoerd om 1.32 uur, gaf als resultaat 0,64 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht

De verweerster weigerde aan de eiseres een vergoeding uit te keren voor de door haar geleden eigen schade, op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden "omnium alle risico's", dat luidt als volgt:

"Artikel 4. "Uitsluitingen": "Deze verzekering geldt niet: [...] b. wanneer u of de toegelaten bestuurder: [...] het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken."

Bij dagvaarding van 21 september 2011 vorderde de eiseres de veroordeling van de verweerster tot het vergoeden van de schade aan het voertuig, vermeerderd met de niet-aftrekbare btw en de belasting op de inverkeerstelling (biv) of in totaal 11.209,82 euro, meer de interest.

Bij vonnis van 2 april 2012 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

2. Tegen dat vonnis tekende de eiseres hoger beroep aan.

Bij arrest van 5 juni 2014 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist het, met bevestiging van het bestreden von-nis, dat artikel 4 b van de verzekeringspolis een geval van uitsluiting beschrijft en geen verval van dekking of grove schuld. Aangezien de graad van alcoholintoxi-catie van bestuurster An-Sofie De Vos op het ogenblik van het ongeval meer be-droeg dan 0,65 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, is de verweerster volgens het hof van beroep dan ook niet tot dekking gehouden.

Tegen dat arrest voert de eiseres het volgende middel tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Enig middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 3, 8, tweede lid en 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, vóór de opheffing van die laatste twee bepalingen door de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de eiseres strekkende tot de betaling, door de verweerster, van een vergoeding op grond van de door de eiseres bij de verweerster afgesloten verzeke-ringspolis "omnium alle risico's", het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist het, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerster niet tot dekking is gehouden. Het hof van beroep neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden inte-graal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"[De verweerster] weigert dekking te verlenen en verwijst daarvoor naar art. 4 van de verzekeringspolis waarin onder meer wordt uitgesloten:
"Deze verzekering geldt niet:
b. wanneer u of de toegelaten bestuurder:
- het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijk-aardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken."
[...]
Wat de grond van de zaak betreft zijn [de eiseres en An-Sofie De Vos] de me-ning toegedaan dat er geen sprake is van een uitsluiting maar wel van een vervalbeding dat overeenkomstig art. 11 van de wet op de landverzekerings-overeenkomsten maar uitwerking kan hebben voor zover het oorzakelijk ver-band tussen de reden van het verval en het schadebeding wordt bewezen.
De door [de verweerster] genoemde uitsluiting betreft een geval van grove schuld waarop art. 8 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten van toepassing is, zodat het aan de verzekeringsmaatschappij toekomt het oorza-kelijk verband te bewijzen tussen de alcoholintoxicatie en het ongeval, bewijs dat zij niet levert [...]

c. gegrondheid van de vordering van [de eiseres]

De [eiseres] houdt voor dat art. 4 b van de verzekeringspolis ten onrechte in de polis wordt omschreven als een geval van uitsluiting.
Zij kan hierin niet gevolgd worden.

Door middel van uitsluitingen beperkt de verzekeraar een algemeen omschre-ven dekking. Dit wordt ook zo verwoord in artikel 1 van de polis waarin wordt gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's, wat betekent dat in principe elk schadegeval verzekerd is tenzij het onder de beperkte lijst van niet-verzekerde gevallen valt.
Het staat de verzekeraar, voor wat betreft een omniumverzekering auto, vrij de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen.

In art. 4 b wordt geen verval van dekking of geval van grove schuld omschre-ven. Er is maar prestatieverval wanneer de verzekerde tekort schiet in een contractueel opgelegde verplichting en er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze tekortkoming en het schadegeval. Het feit dat een schadegeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l) is geen geval van het niet naleven van een contractuele verplichting en evenmin te be-schouwen als een in de polis omschreven geval van grove schuld.

Dit betekent dat het aan [de eiseres] toekomt het bewijs te leveren dat het schadegeval niet werd veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l)."
(p. 3 t.e.m. 6 van het arrest).

Grieven

Krachtens artikel 3 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereen-komst (hieronder afgekort als Wet Landverzekeringsovereenkomst) zijn de bepa-lingen van die wet van dwingend recht, tenzij uit de bepalingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten ervan af te wijken bij bijzondere bedingen.

Krachtens artikel 8, tweede lid, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, dekt de verzekeraar de schade veroorzaakt door de schuld, zelfs de grove schuld, van de verzekerde. Volgens diezelfde bepaling kan de verzekeraar zich enkel van zijn verplichtingen bevrijden voor de gevallen van grove schuld die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald.

Overeenkomstig artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, even-eens vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 april 2014, mag in de verzeke-ringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzeke-ringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Eerste onderdeel

1.1. Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren we-gens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verbintenissen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

 

Aangezien die bepaling van dwingend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsovereenkomst die op een andere manier wordt ver-woord, geen vervalbeding is.

Dat geldt ook wanneer het gaat om een verzekering-eigen schade ("omniumver-zekering auto"), waarbij het de verzekeraar in beginsel vrij staat de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen.

Uw Hof is bevoegd na te gaan of de rechter wettig heeft beslist of een beding van een verzekeringsovereenkomst een vervalbeding is in de zin van artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

1.2. Volgens de vaststellingen van het hof van beroep wordt in artikel 1 van de verzekeringspolis "omnium alle risico's" die de eiseres bij de verweerster afsloot, gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's (p. 5, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep stelt voorts vast dat het beding in artikel 4 b van die polis be-paalt dat de verzekering "niet geldt" wanneer de verzekeringsnemer of de toege-laten bestuurder het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken.

Het besturen van een wagen in een staat van alcoholintoxicatie, een staat van dronkenschap of een gelijkaardige toestand wordt bestraft door de artikelen 34 tot en met 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

Uit wat voorafgaat, volgt dat het voornoemde artikel 4 b geen risico beschrijft dat als zodanig buiten het toepassingsgebied van de door de eiseres bij de verweer-ster afgesloten verzekeringspolis "omnium alle risico's" valt (dat zijn trouwens, volgens de vaststellingen van het hof van beroep op basis van artikel 1 van de polis "alle risico's"), maar met het verval van het recht op een verzekeringspresta-tie, de tekortkoming bestraft aan een bepaalde, in de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting, waarvan de miskenning deels ook een strafrechtelijke overtreding uitmaakt.

Zoals de eiseres voor het hof van beroep aanvoerde (zie de nrs. 19-21 op de bladzijden 8-10 van de "tweede conclusie in hoger beroep" voor de eiseres, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 27 mei 2013), gaat het dan ook om een vervalbeding in de zin van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsover-eenkomst, dat pas uitwerking kan hebben wanneer de verzekeraar het bewijs le-vert van het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Door te beslissen dat de eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat arti-kel 4 b van de verzekeringspolis ten onrechte wordt omschreven als een geval van uitsluiting, op de overwegingen dat de verzekeraar door middel van uitsluitin-gen een algemeen omschreven dekking beperkt, dat dit ook zo wordt verwoord in artikel 1 van de polis waarin wordt gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's, wat betekent dat in principe elk schadegeval is verzekerd, tenzij het onder de beperkte lijst van niet-verzekerde gevallen valt en dat het aan de verzekeraar, voor wat betreft een omniumverzekering auto, vrij staat de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen, en vervolgens te beslissen dat in artikel 4 b van de verzekeringspolis geen verval van dekking wordt om-schreven, aangezien er maar prestatieverval is wanneer de verzekerde tekort-schiet in een contractueel opgelegde verplichting en er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze tekortkoming en het schadegeval, en het feit dat een scha-degeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), geen geval is van het niet naleven van een contractuele verplichting (p. 5, onder c, - pagina 6, 1ste en 2de alinea, van het bestreden arrest), neemt het hof van beroep niet wettig aan dat sprake is van een uitsluitingsbeding en niet van een vervalbeding in de zin van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, waardoor het het wettelijk begrip vervalbeding schendt.

Het hof van beroep beslist op die overwegingen dan ook niet wettig, zonder aan de verweerster het bewijs op te leggen van het oorzakelijk verband tussen de bij An-Sofie De Vos vastgestelde alcoholintoxicatie en het schadegeval, dat de ver-weerster niet gehouden is tot dekking van de door de eiseres geleden schade (schending van de artikelen 3 en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres en haar oorspron-kelijke vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 3 en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Tweede onderdeel

Uit de artikelen 8, tweede lid en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, die van dwingend recht zijn in het voordeel van de verzekerde, volgt dat de ver-zekeraar die zich beroept op een grond van ontheffing van aansprakelijkheid in de zin van voormeld artikel 8, tweede lid, de schade alleen dan niet hoeft te dekken indien hij bewijst dat er een oorzakelijk verband is tussen de in de overeenkomst omschreven grove schuld en het schadegeval.

Zoals de eiseres voor het hof van beroep aanvoerde, bepaalt artikel 4 b van de verzekeringspolis op uitdrukkelijke en beperkende wijze een geval van grove schuld (zie blz. 10, onder C, van de "tweede conclusie in hoger beroep" voor de eiseres neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 27 mei 2013), zodat het gaat om een beding in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wet Landverzeke-ringsovereenkomst en de verweerster, om op grond van dat beding waarborg te kunnen weigeren, een oorzakelijk verband diende te bewijzen tussen de grove schuld en het schadegeval.

Door op de hierboven, in het eerste onderdeel weergegeven overwegingen van het bestreden arrest, te beslissen dat het feit dat een schadegeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcohol-intoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), niet is te beschouwen als een in de polis omschreven geval van grove schuld, schendt het hof van beroep de arti-kelen 3, 8, tweede lid en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst en be-slist het niet wettig, zonder aan de verweerster het bewijs op te leggen van het oorzakelijk verband tussen de bij An-Sofie De Vos vastgestelde alcoholintoxicatie en het schadegeval, dat de verweerster niet gehouden is tot dekking van de door de eiseres geleden schade.

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres en haar oorspron-kelijke vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 3, 8, tweede lid, en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

 

 

TOELICHTING

Met betrekking tot het eerste onderdeel

1. Uitsluiting van dekking heeft te maken met een als regel vrij bedongen om-vang van de dekking en veronderstelt niet noodzakelijk het bestaan van een schadegeval. Prestatieverval impliceert daarentegen een contractuele wanpres-tatie en het bestaan van een schadegeval (L. SCHUERMANS, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, 45, 712).

De verzekerde die aanspraak maakt op dekking, moet het bewijs leveren dat het schadegeval onder de waarborg valt en er niet van uitgesloten is (Cass. 5 januari 1995, Arr.Cass. 1995, 19).

2. Wanneer de verzekeraar echter een beroep doet op een verval van dekking, is de toepassing ervan onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 11 Wet Landverzekeringsovereenkomst en moet bovendien de verzekeraar het be-wijs leveren van het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schade-geval. Deze bewijslastregeling zet verzekeraars ertoe aan tekortkomingen van de verzekerde in de polis te omschrijven als uitsluitingen.

In een arrest van 20 september 2012 leidt uw Hof uit het dwingende karakter van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst af dat de rechter een uitslui-tingsbeding moet toetsen op zijn werkelijke inhoud en zo nodig herkwalificeren als een vervalbeding wanneer het in werkelijkheid een tekortkoming van de ver-zekerde aan een contractuele verplichting bestraft (Cass. 20 september 2012, Pas. 2012, afl. 9, 1704, concl. J. GENICOT; G. JOCQUE, "Uitsluitingsbeding of ver-valbeding", NJW 2013, afl. 279, 269).

Het feit dat een bepaalde verplichting niet alleen wordt opgelegd door de verzeke-ringsovereenkomst, maar ook door het verkeersreglement wordt bestraft, ontneemt daaraan niet het karakter van verplichting die in de overeenkomst wordt opgelegd, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst.

 

 

Met betrekking tot het tweede onderdeel

Uit de artikelen 3, 8, tweede lid, en 11 van de Landverzekeringsovereenkomst, die dwingend zijn in het voordeel van de verzekerde, volgt dat de verzekeraar die zich beroept op een grond van ontheffing van aansprakelijkheid in de zin van voormeld artikel 8, tweede lid, de schade alleen dan niet hoeft te dekken wanneer hij het oorzakelijk verband tussen de in de overeenkomst bepaalde grove schuld en het schadegeval aantoont (Cass. 12 oktober 2007, Arr. Cass. 2007, afl. 10, 1931 Cass. 13 september 2010, Pas. 2010, afl. 9, 2241, concl. J. GENICOT).

Voor het begrip "grove schuld" in verzekeringstechnische zin dienen twee ele-menten verenigd te zijn: een objectief element, zijnde de vaststelling dat de be-trokken daad of handeling een risicoverzwaring inhoudt, zodat de kans op risico-verwezenlijking objectief groter wordt, en een subjectief element, inhoudende dat de verzekerde wist of alleszins behoorde te weten dat zijn daad de kans op de verwezenlijking van het risico vergrootte. Een auto besturen in staat van dronken-schap wordt als grove fout beschouwd (Ph. COLLE, Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Intersentia, Antwerpen, 2006, 82).

OM DEZE REDENEN

Concludeert de eiseres dat het uw Hof behage
- de bestreden beslissing te vernietigen,
- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,
- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Gent, 16 april 2015

Voor de eiseres,

Noot:

• Verkeer, Aansprakelijkheid, Verzekering [VAV] BREWAEYS, Luc: Noot onder cassatie. 2016, nr. 2, p. 4-8.
• De Juristenkrant HEIRMAN, Glenn; VAN LEUVEN, Eva; Noot 'Verzekeraar kan dronken chauffeur met omnium niet meer uitsluiten' 2016, nr. 335, p. 1.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/03/2018 - 22:29
Laatst aangepast op: wo, 21/03/2018 - 22:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.