-A +A

Regres op grond van clausule strijdig met modelpolis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/06/2015

Krachtens artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

Voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen is dit recht van verhaal geregeld in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat uitgevaardigd is krachtens artikel 19 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, op grond waarvan de Koning gemachtigd is de algemene voorwaarden van de verzekeringscontracten te regelen.

Krachtens artikel 1 van voormeld besluit van 14 december 1992 moeten de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen beantwoorden aan de bepalingen van deze modelovereenkomst. Zon-der afbreuk te doen aan de bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereenkomst is het evenwel toegelaten ervan af te wijken ten gunste van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst be-trokken is.

Krachtens artikel 25, 1°, a), van de modelovereenkomst, heeft de maatschappij, wanneer zij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, een recht van verhaal op de verzekeringnemer, wanneer de dekking van de overeenkomst geschorst is wegens niet-betaling van de premie.
2. Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, de bestuurder of de houder van mo-torrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade te vergoeden voortvloeiend uit een lichamelijk letsel of het overlijden, geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval en hun rechthebbenden.

Krachtens artikel 29bis, § 1, laatste lid, WAM 1989, wordt de vergoedingsplicht waarvan sprake in deze bepaling uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepa-lingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.

Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat het de verzekeringsmaatschappij die de slachtoffers van een verkeersongeval heeft vergoed op grond van artikel 29bis WAM 1989, toegelaten is een contractueel recht van verhaal uit te oefenen op de verzekerde of de verzekeringnemer, zij het beperkt tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden.

Een beding dat aan de verzekeringsmaatschappij een recht van verhaal verleent voor bedragen waarvoor de verzekerde niet aansprakelijk is, wijkt af van de mo-delovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 ten nadele van de verzekeringnemer en is bijgevolg op grond van artikel 1 van dit be-sluit niet toegelaten.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0150.N
D R,
eiser,
tegen
KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 14 november 2013, na verwijzing bij arrest van het Hof van 7 februari 2011.

II. CASSATIEMIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
- artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
- artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
- de artikelen 24 en 25.1.a van de modelovereenkomst gevoegd bij dit koninklijk besluit van 14 december 1992.

Aangevochten beslissingen en motivering

1. Het aangevochten vonnis van 14 november 2013 veroordeelt eiser tot cassatie tot betaling aan de verweerster in cassatie van 30.986,69 euro met intresten.

Tevens verwijst het vonnis de eiser in drie vierden van de gerechtskosten.

2. Het vonnis van 14 november 2013 veroordeelt eiser op grond van de artikelen 24 en 25.1.a van de W.A.M.-modelovereenkomst wegens schorsing van de waarborg van de polis ingevolge niet-betaling van de premie.

3. De verweerster stelde haar contractueel recht van verhaal op grond van genoemde artikelen in tegen de eiser als verzekeringnemer. De verweerster wenste aldus terugbetaling te verkrijgen van (een deel van) de schadevergoeding die zij als verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake de auto van eiser betaald had op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen aan de arbeidsongevallenverzekeraar en nabestaanden van de fietsster (zwakke weggebruiker) die de auto van de eiser aangereden had en in het ongeval het leven verloren had.

Er was niet betwist dat de fietsster alleen en volledig verantwoordelijk was voor dit ongeval en dat de echtgenote van de eiser die de auto van de eiser bestuurde, niet verantwoordelijk was.

4. De rechtbank van eerste aanleg te Gent beslist, zoals de politierechtbank te Dendermonde in het vonnis van 16 oktober 2008 en de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in het vonnis van 4 februari 2010, dat het contractueel recht van verhaal van de W.A.M.-verzekeraar mogelijk is nadat de W.A.M.-verzekeraar de zwakke weggebruiker of zijn rechthebbenden vergoedde op grond van artikel 29bis WAM-wet en dit zelfs wanneer de eigen verzekerde en/of verzekeringnemer helemaal geen verantwoordelijkheid dragen voor de schade van de zwakke weggebruiker of zijn rechthebbenden.

5. In het aangevochten vonnis van 14 november 2013 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering tot terugbetaling van verweerster tegen de eiser t.b.v. 30.986,69 euro met intresten gegrond op grond van volgende overwegingen:

"I. DE FEITELIJKE GEGEVENS
(De verweerster in cassatie) (hierna kortweg ‘KBC') sloot op 19 juni 1992 een verzekering BA motorrijtuigen af voor de personenwagen AUDI met nummerplaat ALY154, eigendom van (de eiser tot cassatie) (hierna kortweg ‘R').

Op 18 oktober 2000 raakte dit voertuig, bestuurd door de echtgenote van R, betrokken bij een aanrijding met een fietsster in de Veldmeersstraat te Laarne. De fietsster overleed aan de verwondingen, opgelopen bij dit ongeval.

Van de feiten werd een strafdossier aangelegd, doch dit werd zonder gevolg gerangschikt omdat het Openbaar Ministerie oordeelde dat de overleden fietsster exclusief aansprakelijk was voor het ongeval en de echtgenote van R geen fout of onzorgvuldigheid had begaan.

Op 23 maart 2006 betaalde KBC als aansprakelijkheidsverzekeraar van R in toepassing van artikel 29bis WAM-wet een vergoeding van 165.476,63 euro uit aan de arbeidsongevallenverzekeraar van de overleden fietsster.

De waarborg van de polis BA motorrijtuigen bleek geschorst op de datum van het ongeval wegens niet-betaling van de premie.

KBC besloot vervolgens om in relatie tot haar verzekerde gebruik te maken van de contractueel voorziene mogelijkheid tot regres.

II. DE OORSPRONKELIJKE VORDERING

KBC vorderde bij een op 3 mei 2006 betekend exploot van dagvaarding de ver-oordeling van R tot de betaling van een bedrag van 54.141,70 euro in hoofdsom, te vermeerderen met de vergoedende, de gerechtelijke interest en de kosten.

III. BESTREDEN BESLISSING EN EERSTE BEOORDELING IN GRAAD VAN BE-ROEP

3.1. De politierechtbank te Dendermonde verklaarde de vordering van KBC integraal gegrond in een op tegenspraak gewezen vonnis van 16 oktober 2008.

De politierechter overwoog daartoe achtereenvolgens dat:
- R niet geloofwaardig was in zijn bewering dat hij geen weet had van de nieuwe polisvoorwaarden;
- (...);
- De verzekeraar verhaal kan uitoefenen bij niet-betaling van de premies aangezien de verzekerde alsdan niet aan zijn wettelijke verplichting voldoet;
- Het verhaalrecht van de verzekeraar contractueel van aard is, zodat bij niet-betaling van de premie en bij niet-aansprakelijkheid van de verzekerde wel degelijk verhaal mogelijk is;
- (...).

3.2. Bij verzoekschrift, ter griffie ingediend op 3 december 2008, stelde R hoger be-roep in tegen het voornoemde vonnis.

Bij een op tegenspraak gewezen vonnis van 4 februari 2010 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, met verwijzing van R in de kosten.

De rechtbank te Dendermonde kwam tot deze beslissing op basis van de hierna uiteengezette motieven.

Onder randnummer 3.2.2 van het bedoelde vonnis zet de rechtbank vooreerst uiteen dat de waarborg van de polis op het moment van het ongeval geschorst was bij gebreke aan betaling van de premie en de verzekeraar alsdan overeenkomstig artikel 24 en 25 van het modelcontract het recht heeft om de door haar aan de schadelijders betaalde bedragen terug te vorderen van de verzekeringsnemer.

Vervolgens overwoog de rechtbank dat R geen bewijs aanreikte van afwijkende, voor de verzekeringsnemer gunstige voorwaarden inzake de premiebetaling/schorsing van de waarborg, en regres in geval van schorsing, zodat betreffende deze elementen toepassing diende te worden gemaakt van het modelcontract.

Artikel 24 van dit modelcontract voorziet, behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover de verzekeraar beschikt, in een recht van verhaal in de gevallen en op de personen vermeld in artikel 25, aldus de rechtbank. Vervolgens wees zij op de bepaling van het artikel 25.1.a, dewelke voorziet in een recht van verhaal op de verzekeringsnemer wanneer de dekking van de polis is geschorst op grond van een onbetaalde premie.

De rechtbank vervolgde dat, aangezien artikel 24 van het modelcontract niet be-paalt dat er enkel een recht van verhaal is in de gevallen en op de personen ver-meld in artikel 25, wanneer de maatschappij gehouden is tot vergoeding van de benadeelden omwille van de aansprakelijkheid van haar verzekerde, het verhaalsrecht conform de artikelen 24 en 25.1.a van het modelcontract ook geldt wanneer de verzekeraar, zoals hier het geval was, gehouden is tot vergoeden van de benadeelden met toepassing van het artikel 29bis WAM-wet.
(...)

R kon zich met deze uitspraak niet verzoenen en stelde op 27 juli 2010 een voorzie-ning in cassatie in.

IV. PROCEDURE VOOR HET HOF VAN CASSATIE

3.1. Bij arrest van 7 februari 2011 besloot het Hof van Cassatie tot de vernietiging van het bestreden vonnis, waarna de zaak naar deze rechtbank, zetelend in graad van beroep, werd verzonden.

3.2. De rechtbank geeft de motieven van het bestreden arrest hierna voor een goed begrip in extenso weer:

‘1. Krachtens artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

Voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen is dit recht van verhaal geregeld in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat uitgevaardigd is krachtens artikel 19 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, op grond waarvan de Koning gemachtigd is de algemene voorwaarden van de verzekeringscontracten te regelen.

Krachtens artikel 1 van voormeld besluit van 14 december 1992 moeten de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen beantwoorden aan de bepalingen van deze modelovereenkomst. Zon-der afbreuk te doen aan de bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereenkomst is het evenwel toegelaten ervan af te wijken ten gunste van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst be-trokken is.

Krachtens artikel 25, 1°, a), van de modelovereenkomst, heeft de maatschappij, wanneer zij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, een recht van verhaal op de verzekeringnemer, wanneer de dekking van de overeenkomst geschorst is wegens niet-betaling van de premie.

2. Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, de bestuurder of de houder van motorrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade te vergoeden voortvloeiend uit een lichamelijk letsel of het overlijden, geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval en hun rechthebbenden.

Krachtens artikel 29bis, § 1, laatste lid, WAM 1989, wordt de vergoedingsplicht waarvan sprake in deze bepaling uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.

3. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat het de verzekeringsmaatschappij die de slachtoffers van een verkeersongeval heeft vergoed op grond van artikel 29bis WAM 1989, is toegelaten een contractueel recht van verhaal uit te oefenen op de verzekerde of de verzekeringnemer, zij het beperkt tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden.

Een beding dat aan de verzekeringsmaatschappij een recht van verhaal verleent voor bedragen waarvoor de verzekerde niet aansprakelijk is, wijkt af van de modelovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 ten nadele van de verzekeringnemer en is bijgevolg op grond van artikel 1 van dit be-sluit niet toegelaten.

4. De appelrechters stellen vast dat:
- de echtgenote van de eiser als bestuurder betrokken was in een verkeersongeval met een fietsster die aan haar verwondingen is overleden;
- de partijen niet betwisten dat de echtgenote van de eiser niet aansprakelijk is voor het ongeval en de verweerster op basis van artikel 29bis WAM 1989 gehouden was tot vergoeding van de nabestaanden van de overleden fietsster;
- de waarborg van de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen de partijen op de datum van het ongeval geschorst was wegens niet-betaling van de premie.

5. De appelrechters oordelen dat de verweerster op grond van de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst het recht heeft de door haar aan de schadelijders betaalde bedragen terug te vorderen van de eiser, omdat deze artikelen niet bepalen dat er enkel een recht van verhaal is wanneer de maatschappij gehouden is tot vergoeding van de benadeelden omwille van aansprakelijkheid van de verzekerde (...).

Door op deze gronden de vordering van de verweerster tot terugbetaling van haar uitgaven in te willigen, schenden de appelrechters de voormelde wettelijke bepa-lingen.

Het middel is gegrond'.

V. DE VERDERE PROCEDURE IN GRAAD VAN BEROEP EN DE GRIEVEN

5.1. KBC is bij exploot van 16 oktober 2012 overgegaan tot dagvaarding na cassatie en verdedigt in dit exploot, alsmede in de daaropvolgende conclusies, de door de eerste appelrechters aangenomen zienswijze en dit op grond van de volgende argumenten.

KBC onderstreept vooreerst dat zij voor het welslagen van haar regresvordering in wezen geen nood heeft aan artikel 39 van haar algemene voorwaarden, nu zij
reeds regres kan uitoefenen op grond van de artikelen 24 en 25 van de modelpolis.

Deze laatste artikelen specifiëren volgens KBC niet op welke basis de betalingsverplichting van de verzekeraar dient te berusten, weze het artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, dan wel artikel 29bis WAM-wet.

KBC citeert vervolgens de in het tussengekomen arrest aangehaalde wetsbepalingen en besluit dat het haar een raadsel is hoe het Hof vermeende uit de samenlezing ervan te kunnen afleiden dat de verzekeringsmaatschappij geen verhaal kan uitoefenen als de verzekerde niet aansprakelijk is voor het ongeval, dit ondanks de schorsing van de polis bij gebrek aan betaling van de premie.

Het laatste lid van artikel 29bis WAM-wet verwijst volgens KBC uitsluitend naar de vergoedingsplicht, welke naar haar aanvoelen strikt moet worden onderscheiden van het contractueel verhaalsrecht, zoals geregeld in de artikelen 24 en 25 van de modelpolis.

In het artikel 24 van de modelpolis zou nergens te lezen staan dat de uitoefening van het recht op verhaal, buiten de gehoudenheid tot vergoeding van de maatschappij in relatie tot de benadeelden, tevens vereist dat de verzekerde aansprakelijk is.

De door het Hof van Cassatie ingeslagen koers zou het verhaalsrecht van de verzekeringsmaatschappij op grond van het artikel 29bis WAM-wet uithollen, in strijd met de wil van de wetgever. Tevens zou deze visie in strijd zijn met de regels van de logica en het hele verzekeringsprincipe onderuit halen.

Het door R ter bijkomende ondersteuning van de eigen visie aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 7 juni 2010 zegt volgens KBC niets over de mogelijkheid van regres in geval van niet-betaling van de premie en zou om deze reden niet relevant zijn. Ook de overige door deze partij aangehaalde vonnissen en arresten van lagere rechtscolleges zouden om deze reden niet ter zake dienend zijn.
(...)

5.2. R sluit zich daarentegen integraal aan bij de zienswijze van het Hof van Cassatie, dat met zijn arrest van 7 februari 2011 het eerder bij arrest van 7 juni 2010 ingenomen standpunt zou hebben bevestigd.

Het regresrecht van de verzekeraar zou zijn grondslag vinden in het artikel 29bis, § 1, laatste lid, WAM-wet, luidens hetwelk de vergoedingsplicht op grond van artikel 29bis WAM-wet wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder.

Het behoort volgens R tot het systeem van de aansprakelijkheidsverzekering dat slechts regres kan worden uitgeoefend indien er ook aansprakelijkheid voorhanden is. Meerdere rechtscolleges zouden reeds in die zin hebben geoordeeld.

R vervolgt dat de term ‘benadeelden', zoals voorzien in het artikel 24 van de modelpolis, verwijst naar de personen die schade hebben geleden welke aanleiding geeft tot de toepassing van deze overeenkomst. In geval de verzekeraar de zwakke weggebruiker vergoedt op basis van het artikel 29bis WAM-wet, wordt naar het oordeel van R evenwel geen toepassing gemaakt van de overeenkomst, maar zou er integendeel vergoed worden op grond van een wettelijke bepaling.

Het zou onaanvaardbaar zijn om aan te nemen dat de verplichtingen van de verzekerde worden uitgebreid door de invoering van deze wettelijke vergoedingsplicht, terwijl de wetgever bij de invoering van het artikel 29bis WAM-wet geen verzwaring van de positie van de bestuurder of de verzekeringsnemer voor ogen zou hebben gehad.
(...)

De vordering zou derhalve minstens moeten worden herleid tot een hoofdsom van 30.986,69 euro.

VI. BEOORDELING

- Ten gronde

6.1. Het wordt niet betwist en blijkt anderzijds uit de stukken dat KBC de nabestaanden van de tengevolge van het ongeval overleden fietsster heeft vergoed op grond van artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM-wet.

De partijen zijn het verder ook eens over het feit dat het ongeval en de schadelijke gevolgen ervan integraal moet worden toegeschreven aan het overleden slachtoffer en dat er terzake geen enkele aansprakelijkheid rust op de echtgenote van de verzekeringsnemer (partij R).

Het staat tenslotte ook vast dat de waarborg van de door R bij KBC onderschreven polis BA motorrijtuigen op de datum van dit ongeval met dodelijke afloop was geschorst, bij gebrek aan betaling van de contractueel voorziene verzeke-ringspremie.

6.2. Artikel 24 Modelovereenkomst, gevoegd bij het KB van 14 december 1992, voorziet dat, wanneer de maatschappij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, zij, behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover zij beschikt, tevens beroep kan doen op een recht van verhaal in de gevallen en op de personen vermeld in artikel 25.

In artikel 25, 1, van diezelfde Modelovereenkomst leest de rechtbank vervolgens:
‘De maatschappij heeft een recht van verhaal op de verzekeringsnemer:

a. Ingeval de dekking van de overeenkomst geschorst is wegens niet betaling van de premie' (stuk nr. 1 KBC).

Deze artikelen 24 en 25 houden aldus, voor wat de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen betreft, de toepassing in van het in artikel 88, lid 1, Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, bepaalde mogelijkheid aan de zijde van de verzekeringsmaatschappij om te voorzien in een recht van verhaal lastens de verzekeringsnemer of in het voorkomend geval, de verzekerde, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen.

Dit recht op verhaal, zoals beheerst door de artikelen 24 en 25 Modelovereenkomst, situeert zich binnen de contractuele rechtsverhouding tussen de verzekeraar ener-zijds en de verzekeringsnemer anderzijds.

KBC is pertinent in haar analyse dat het regresrecht aldus moet worden onderscheiden van de voorafgaande plicht tot vergoeding aan de zijde van de verzekeraar, welke door geheel eigen principes wordt beheerst.

Noch de artikelen 24 en 25 Modelovereenkomst, noch het artikel 88 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, maken enig onderscheid aan de hand van de concrete rechtsgrond op basis waarvan de verzekeringsmaatschappij tot vergoeding van de benadeelden overgaat. In diezelfde zin maakt geen van deze bepalingen het recht van verhaal aan de zijde van de verzekeraar afhankelijk van het bestaan van enige vorm van aansprakelijkheid aan de zijde van de verzekeringsnemer of de verzekerde. Zij voorzien in een recht van verhaal zonder meer en dit van zodra de verzekeraar zelf in vergoeding door de benadeelden wordt aangesproken.

Ten onrechte komt het Hof van Cassatie tot een andersluidende conclusie op grond van de samenlezing van de hierboven besproken artikelen met de bepalingen van het artikel 29bis, § 1, WAM-wet en in het bijzonder het laatste lid van deze bepaling, dat als volgt luidt:

‘Deze vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.'

Zoals de tekst van dit artikel zelf met zoveel woorden stelt, onderwerpt dit enkel de vergoedingsplicht van de verzekeraar ten aanzien van de benadeelden aan het wettelijk regime inzake aansprakelijkheid voor motorvoertuigen. Dit impliceert enkel dat deze benadeelden ook binnen het objectieve aansprakelijkheidssysteem van het artikel 29bis WAM-wet op dezelfde manier door de verzekeraar worden uitbetaald als de niet voor het ongeval aansprakelijke partij binnen het klassieke systeem van de aansprakelijkheidsverzekering.

Deze bepaling rept als dusdanig met geen woord over het latere recht op regres aan de zijde van de verzekeraar en kan in die zin niet worden geacht dit verhaalsrecht aan dezelfde principes van de aansprakelijkheidsverzekering te onderwerpen. Een dergelijke toepassing naar analogie kan evenmin aan enige andere wettelijke bepaling ontleend worden.

Samengevat roept het artikel 29bis, § 1, WAM-wet aldus een wettelijke plicht tot vergoeding in het leven aan de zijde van de verzekeraar, en dit in relatie tot de slachtoffers van een verkeersongeval dat resulteert in een lichamelijk letsel of overlijden, en in het voorkomend geval, hun nabestaanden. De verzekeringsnemer/verzekerde van de bedoelde verzekeraar is vreemd aan deze bijzondere rechtsverhouding, nu de plicht tot vergoeding niet alleen onafhankelijk is van het aansprakelijkheidsvraagstuk, doch tevens losstaat van de contractuele verhouding tussen de verzekeraar en diens klant. In die zin blijft de vergoedingsplicht ten aanzien van deze slachtoffers en hun nabestaanden ook onverminderd bestaan bij schorsing van de dekking van de polis wegens niet betaling van de premie, dan wel bij enige andere omstandigheid waaruit een (potentieel) recht van regres zou kunnen ontstaan aan de zijde van de verzekeraar.

Omgekeerd kunnen de vergoedingsplicht en de wettelijke principes die haar beheersen echter evenmin interfereren in het contractuele domein van de verhaals-rechten waarover de verzekeraar beschikt in relatie tot de eigen verzekeringsne-mer/verzekerde.

Zodra de verzekeraar aan de plicht tot vergoeding heeft voldaan met de uitbetaling van de slachtoffers of hun nabestaanden, verliezen de wettelijke bepalingen die haar beheersen definitief hun uitwerking, zonder enige mogelijkheid tot verdere ‘doorwerking' binnen het contractuele veld van de verzekeringspolis.

Nu artikel 24 Modelovereenkomst bij vergoeding van de benadeelden door de verzekeraar in algemene bewoordingen voorziet in een recht van verhaal in de gevallen en op de personen zoals vermeld in het artikel 25, zonder dit recht op enigerlei wijze aan banden te leggen in functie van de aansprakelijkheid, oordeelt ook deze rechtbank dat een dergelijk regres onverminderd blijft bestaan wanneer de verzekeraar tot uitbetaling is overgegaan op grond van het artikel 29bis, § 1, WAM-wet.

Het enkele feit dat artikel 24 Modelovereenkomst de term ‘benadeelden' hanteert, laat niet toe er anders over te oordelen. Artikel 24 Modelovereenkomst verwijst hier immers enkel naar de noodzakelijke en voorafgaande feitelijke omstandigheid dat de verzekeraar tot vergoeding is overgegaan, nu hij zich evident slechts in dat geval tot de eigen verzekeringsnemer kan wenden.

De partij R faalt tevens in zijn stelling dat een dergelijk recht van verhaal niet verzoenbaar is met de klassieke benadering van het artikel 29bis, § 1, WAM-wet als een regime van objectieve aansprakelijkheidsregeling, zonder verzwaring van de positie van de bestuurder of de verzekeringsnemer.

De objectieve aansprakelijkheid strekt in essentie tot de bescherming van de zwakke weggebruiker en impliceert als dusdanig dat de verzekeraar bij lichamelijk letsel of overlijden gehouden is de slachtoffers of hun nabestaanden te vergoeden, ook al treft zijn eigen verzekeringsnemer of verzekerde geen enkele schuld.

Artikel 29bis, § 1, WAM-wet houdt in deze optiek inderdaad geen verzwaring in van de positie van de bestuurder nu de benadeelden zich tot de verzekeraar moeten wenden, zonder enige aanspraak op het persoonlijk vermogen van de bestuurder.

Het hierboven geschetste regime van de objectieve aansprakelijkheid zelf blijft bij een later regres van de verzekeraar onaangetast in haar principes en grondslagen. De verzekeraar neemt zijn verhaal immers op grond van de gecombineerde toepassing van de artikelen 24 en 25 Modelovereenkomst en geenszins op basis van het artikel 29bis, § 1, WAM-wet, dat enkel speelt in verhouding tot de benadeelden. Deze laatste bepaling is volstrekt niet aan de orde bij de uitoefening van het verhaal op de verzekeringsnemer, zodat de rechtbank niet inziet hoe een dergelijk verhaal afbreuk kan doen aan de aard, inhoud en draagwijdte ervan.

Niet de objectieve aansprakelijkheid ligt aan de basis van de voor de verzekeringsnemer nadelige verplichting tot terugbetaling, doch wel de omstandigheid dat hij naliet de premie te betalen en zich, als gevolg daarvan, bevindt in één van de contractueel vastgelegde scenario's van regres.

De door R aangehaalde lagere rechtspraak, welke het regres bij wijze van algemeen principe slechts voorbehoudt voor de gevallen waarin de aansprakelijkheid van de bestuurder in het geding is, blijkt net zoals het tussengekomen arrest van het Hof van Cassatie te berusten op een begripsverwarring tussen de vergoedingsplicht van de verzekeraar enerzijds en diens recht van verhaal anderzijds.

De vraag rijst anderzijds of de bedoelde rechtscolleges met dezelfde vastberadenheid aan dit principe zouden blijven vasthouden bij het niet voldoen aan één van de basisverplichtingen als verzekeringsnemer (betalen van de premie), een omstandigheid die in geen van de aangehaalde uitspraken aan de orde was.

Waar de partij R deze zienswijze poogt te verdedigen aan de hand van de logica van de aansprakelijkheidsverzekering, verliest hij de onderliggende basislogica van de verzekeringstechniek zelf uit het oog. Wanneer de verzekeringsnemer nalaat de premie te betalen, voldoet deze niet langer aan de bij wet opgelegde plicht tot het afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering voor het voertuig dat hij in het verkeer brengt. De verzekeraar in een dergelijke omstandigheid toch verplichten tot vergoeding, met uitsluiting van elke mogelijkheid van regres, brengt een onverantwoorde uitholling van de verzekeringstechniek met zich mee. Ook vanuit een bredere maatschappelijke context benaderd is dit nefast nu de verzekeringsnemer, alle sensibiliseringscampagnes ten spijt, alsdan zonder enige consequentie de premie kan inhouden en hiermee zijn verzekeringsplicht naast zich neer kan leggen.

De objectieve aansprakelijkheid zou in een dergelijk scenario de verzekeringsnemer de facto ontheffen van zijn basisverplichting om te voorzien in een aansprakelijkheidsverzekering, hetgeen allerminst de bedoeling kan zijn geweest. De wetgever heeft slechts bedoeld de bestuurder in relatie tot de slachtoffers in bescherming te nemen wanneer hem geen aansprakelijkheid treft, niet hem vrij te stellen van de fundamentele maatschappelijke verantwoordelijkheid die gepaard gaat met de deelname aan het gemotoriseerd verkeer.

De visie van het Hof van Cassatie zou alsdan ook het huidige evenwicht tussen de klassieke verzekeringstechniek enerzijds en de objectieve aansprakelijkheid ander-zijds op een onverantwoorde wijze verbreken ten nadele van de verzekeraar. Deze laatste zal de gevoelige verzwaring van de eigen financiële lasten op zijn beurt onvermijdelijk trachten te compenseren bij de premieberekening, waarbij de meerderheid van de regelmatige en verantwoordelijke bestuurders finaal de rekening betaalt voor het maatschappelijk onverantwoorde gedrag van een kleine minderheid. Ook dit laatste gevolg kan de wetgever bezwaarlijk geacht worden voor ogen te hebben gehad.

Samengevat oordeelt de rechtbank derhalve dat de uitsluiting van het regres bij schorsing van de waarborg om de enkele reden dat de verzekeraar heeft vergoed op grond van het artikel 29bis, § 1, WAM-wet (1) niet op een wettelijke grondslag berust, (2) afbreuk doet aan het verzekeringsprincipe en (3) indruist tegen de sociaal-economische pijlers van de hedendaagse samenleving.

De rechtbank is aldus van oordeel dat KBC gerechtigd is om op grond van de artikelen 24 en 25, 1, a, Modelovereenkomst een recht van verhaal uit te oefenen tegen R."

Grieven

1. Krachtens artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

Voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen is dit recht van verhaal geregeld in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat uitgevaardigd is krachtens artikel 19 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, op grond waarvan de Koning gemachtigd is de algemene voorwaarden van de verzekeringscontracten te regelen.

Krachtens artikel 1 van voormeld besluit van 14 december 1992 moeten de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen beantwoorden aan de bepalingen van deze modelovereenkomst. Zon-der afbreuk te doen aan de bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereenkomst is het evenwel toegelaten ervan af te wijken ten gunste van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst be-trokken is.

Krachtens artikel 25, 1°, a), van de modelovereenkomst, heeft de maatschappij, wanneer zij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, een recht van verhaal op de verzekeringnemer, wanneer de dekking van de overeenkomst geschorst is wegens niet-betaling van de premie.

2. Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, de bestuurder of de houder van mo-torrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade te vergoeden voortvloeiend uit een lichamelijk letsel of het overlijden, geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval en hun rechthebbenden.

Krachtens artikel 29bis, § 1, laatste lid, WAM 1989, wordt de vergoedingsplicht waarvan sprake in deze bepaling uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepa-lingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.

3. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat het de verzekeringsmaatschappij die de slachtoffers van een verkeersongeval heeft vergoed op grond van artikel 29bis WAM 1989, toegelaten is een contractueel recht van verhaal uit te oefenen op de verzekerde of de verzekeringnemer, zij het beperkt tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden.

Een beding dat aan de verzekeringsmaatschappij een recht van verhaal verleent voor bedragen waarvoor de verzekerde niet aansprakelijk is, wijkt af van de mo-delovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 ten nadele van de verzekeringnemer en is bijgevolg op grond van artikel 1 van dit be-sluit niet toegelaten.

4. Het aangevochten vonnis van 14 november 2013 stelt vast dat:
- de echtgenote van de eiser als bestuurder betrokken was in een verkeersongeval met een fietsster die aan haar verwondingen is overleden;
- de partijen niet betwisten dat de echtgenote van de eiser niet aansprakelijk is voor het ongeval en de verweerster op basis van artikel 29bis WAM 1989 gehouden was tot vergoeding van de arbeidsongevallenverzekeraar en nabestaanden van de overleden fietsster;
- de waarborg van de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen de partijen op de datum van het ongeval geschorst was wegens niet-betaling van de premie.

5. De rechtbank van eerste aanleg te Gent oordeelt in het aangevochten vonnis van 14 november 2013 dat de verweerster op grond van de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst het recht heeft de door haar aan de schadelijders betaalde bedragen terug te vorderen van eiser tot cassatie, omdat deze artikelen niet bepalen dat er enkel een recht van verhaal is wanneer de maatschappij gehouden is tot vergoeding van de benadeelden omwille van aansprakelijkheid van de verzekerde.

Het aangevochten vonnis oordeelt dat verweerster in cassatie over het recht van verhaal waarvan sprake in genoemde artikelen 24 en 25.1.a beschikt, zelfs buiten elke aansprakelijkheid van haar verzekerde.

Door op deze gronden de vordering van de verweerster tot terugbetaling van haar uitgaven in te willigen, schendt het aangevochten vonnis van 14 november 2013 artikel 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, artikel 29bis, § 1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, en artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de artikelen 24 en 25.1.a van de modelovereenkomst gevoegd bij dit koninklijk besluit van 14 december 1992.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De beslissing van het bestreden vonnis is niet verenigbaar met het verwij-zingsarrest van 7 februari 2011.

Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het middel dat door dit arrest is aange- nomen.

Het middel moet bijgevolg worden onderzocht door de verenigde kamers van het Hof.

Middel

2. Krachtens artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is.

Voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen is dit recht van verhaal geregeld in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de model-overeenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat uitgevaardigd is krachtens artikel 19 van de wet van 9 juli 1975 betref-fende de controle der verzekeringsondernemingen, op grond waarvan de Koning gemachtigd is de algemene voorwaarden van de verzekeringscontracten te regelen.

Krachtens artikel 1 van voormeld besluit van 14 december 1992 moeten de over-eenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake mo-torrijtuigen beantwoorden aan de bepalingen van deze modelovereenkomst. Zon-der afbreuk te doen aan de bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereen-komst is het evenwel toegelaten ervan af te wijken ten gunste van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst betrokken is.

Krachtens artikel 25, 1°, a), van de modelovereenkomst heeft de maatschappij wanneer zij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, een recht van verhaal op de verzekeringnemer, wanneer de dekking van de overeenkomst geschorst is we-gens niet-betaling van de premie.

3. Krachtens artikel 29bis, § l, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, hierna WAM, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eige-naar, de bestuurder of de houder van motorrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade te vergoeden voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval en hun rechthebbenden.

Krachtens artikel 29bis, § 1, in fine, WAM, wordt de vergoedingsplicht waarvan sprake in deze bepaling uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen be-treffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijk-heidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.

4. De vergoedingsplicht van de verzekeraar op grond van artikel 29bis WAM is geen verplichting van de verzekeraar die een tegenprestatie vormt ten aanzien van de verzekerde. Zij rust alleen op de verzekeraar en staat buiten de wederzijdse verbintenissen van de contractspartijen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het de verzekeraar die de slachtoffers van een verkeersongeval heeft vergoed op grond van artikel 29bis WAM, is toegelaten een contractueel recht van verhaal uit te oefenen op de verzekerde of de verzekering-nemer, zij het beperkt tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aan-sprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden.

Een beding dat aan de verzekeraar een recht van verhaal toestaat voor bedragen waarvoor de verzekerde niet aansprakelijk is, wijkt af van de modelovereenkomst gevoegd bij het besluit van 14 december 1992 ten nadele van de verzekeringnemer en is bijgevolg op grond van artikel 1 van dit besluit niet toegelaten.

6. De appelrechters stellen vast dat:

- niet wordt betwist en blijkt uit de stukken dat de verweerster de nabestaanden van de door het ongeval overleden fietsster heeft vergoed op grond van artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM;
- de partijen het erover eens zijn dat het ongeval en de schadelijke gevolgen er-van integraal moeten worden toegeschreven aan het overleden slachtoffer en er geen aansprakelijkheid rust op de echtgenote van de eiser;
- de waarborg van de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen partijen op de datum van het ongeval geschorst was wegens niet-betaling van de premie.

7. De appelrechters die oordelen dat de verweerster op grond van artikel 24 en 25 van de modelovereenkomst het recht heeft de door haar aan de schadelijders betaalde bedragen terug te vorderen van de eiser, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
in verenigde kamers,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen zetelend in hoger beroep, die zich zal schikken naar de beslissing van het Hof over het be-slechte rechtspunt.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers


C.14.0150.N
Conclusie van de advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING EN PROBLEEMSTELLING

1. Bij een verkeersongeval met een personenauto, eigendom van eiser en bestuurd door diens echtgenote, kwam een fietsster om het leven.

2. De verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de auto (verweerster) vergoedde de nabestaanden van de fietsster op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM 1989) en stelde vervolgens een recht van verhaal in tegen eiser als verzekeringnemer.

3. Het bestreden vonnis (op verwijzing na cassatie) is van oordeel dat dit verhaalrecht, op grond van de artikelen 24 en 25, 1°, a) van de modelovereenkomst, gevoegd bij het Koninklijk Besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gegrond is omdat deze artikelen niet bepalen dat er enkel een recht van verhaal is wanneer de maatschappij (de verzekeraar) gehouden is tot vergoeding van de benadeelden omwille van aansprakelijkheid van de verzekerde, en verweerster dus zelfs buiten alle aansprakelijkheid van haar verzekerde over een recht van verhaal beschikt.

4. Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan dat het bestreden vonnis de schending verwijt van artikel 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna Wet Landverzekeringsovereenkomst), artikel 29bis, §1, WAM 1989, artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, en de artikelen 24 en 25, 1°, a) van de modelovereenkomst gevoegd bij voormeld KB.

II. PROCEDUREVOORGAANDEN

1. In het kader van dezelfde problematiek, tussen dezelfde partijen en in dezelfde aangelegenheid, oordeelde het Hof op 7 februari 2011(1) dat uit het geheel van de bepalingen van de hierboven aangevoerde artikelen volgt dat het de verzekeringsmaatschappij die de slachtoffers van een verkeersongeval heeft vergoed op grond van artikel 29bis WAM 1989, toegelaten is een contractueel recht van verhaal uit te oefenen op de verzekerde of de verzekeringnemer, zij het beperkt tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden.

2. Uw Hof besliste in dat kader eveneens dat een beding dat aan de verzekeringsmaatschappij een recht van verhaal verleent voor bedragen waarvoor de verzekerde niet aansprakelijk is, afwijkt van de modelovereenkomst gevoegd bij het Koninklijk Besluit van 14 december 1992 ten nadele van de verzekeringnemer en bijgevolg op grond van artikel 1 van dit besluit niet is toegelaten.

3. Op grond hiervan werd het toenmalig bestreden vonnis in hoger beroep (dat de verhaalsvordering gegrond verklaarde zowel op grond van de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst als op grond van artikel 39, 4° van de algemene polisvoorwaarden en zonder dat de niet-aansprakelijkheid voor de schade van de bestuurder van de auto aan dit verhaalrecht in de weg stond) vernietigd, en werd de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent verwezen die, als rechter op verwijzing, op 14 november 2013 het thans bestreden vonnis velde.

III. HET MET DE HUIDIGE (TWEEDE) VOORZIENING IN CASSATIE BESTREDEN VONNIS VAN DE RECHTER OP VERWIJZING

1. Het huidige cassatieberoep is gericht tegen de uitspraak van de rechter op verwijzing die (samengevat) tot het besluit komt (p. 10-14, nr. 6.2. van het vonnis) dat de uitsluiting van het regres bij schorsing van de waarborg om de enkele reden dat de verzekeraar heeft vergoed op grond van het artikel 29bis, §1, van de WAM-wet (1) niet op een wettelijke grondslag berust, (2) afbreuk doet aan het verzekeringsprincipe en (3) indruist tegen de sociaal-economische pijlers van de hedendaagse samenleving.

2. De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerster gerechtigd is om op grond van de artikelen 24 en 25, 1°, a) van de modelovereenkomst een recht van verhaal uit te oefenen tegen eiser, en dat, nu de bepalingen van artikel 24 en 25 aldus voldoende grondslag voor de uitoefening van het regres opleveren en verweerster daartoe bijgevolg geen beroep behoeft te doen op het artikel 39 van de algemene voorwaarden, enig verder onderzoek naar de rechtsgeldigheid en de toepassingsvoorwaarden ervan niet ter zake dienend is.

3. Ten gronde stellen de appelrechters in hun beoordeling (p. 9, nr. 6.1.) hiertoe vast dat het niet wordt betwist en uit de stukken blijkt dat verweerster de nabestaanden van de ten gevolge van het ongeval overleden fietsster heeft vergoed op grond van artikel 29bis, §1, eerste lid, van de WAM-wet. De partijen zijn het volgens hen verder ook eens over het feit dat het ongeval en de schadelijke gevolgen ervan integraal moet worden toegeschreven aan het overleden slachtoffer en dat er ter zake geen enkele aansprakelijkheid rust op de echtgenote van de verzekeringnemer (eiser). Het staat tenslotte ook vast dat de waarborg van de door eiser bij verweerster onderschreven polis BA motorrijtuigen op de datum van dit ongeval met dodelijke afloop was geschorst bij gebrek aan betaling van de contractueel voorziene verzekeringspremie.

4. Waar het Hof reeds eerder in zijn arrest van 7 februari 2011(2) de voorwaarden omschreef waaronder de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid (die het slachtoffer van een verkeersongeval of zijn rechthebbenden heeft vergoed op grond van artikel 29bis WAM 1989) een recht van verhaal kan laten gelden tegen de verzekeringnemer en hiermee uitspraak deed over de vraag of de WAM-verzekeraar zijn contractueel verhaal tegen de verzekerde kan uitoefenen voor vergoedingen die hij aan een slachtoffer in het kader van artikel 29bis WAM 1989 heeft uitbetaald wanneer zijn verzekerde geen aansprakelijkheid draagt voor het ongeval, oordeelde het in zijn arrest van 7 juni 2010(3) eveneens reeds eerder dat dergelijk verhaal slechts kan worden uitgeoefend in de mate waarin de verzekeraar op grond van de aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou gehouden zijn tot vergoeding.

5. Artikel 29bis, §1, eerste lid, WAM 1989 bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden hoofdelijk wordt vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

6. De doelstelling van de wetgever bij het invoeren van dit vergoedingssysteem was het lot van de "zwakke" slachtoffers van fysiek letsel bij een verkeersongeval opgelopen, te verbeteren(4).

Het klassieke systeem van schuldaansprakelijkheid wordt in de door de wet omschreven gevallen vervangen door een systeem van een automatische vergoeding in die zin dat de verzekeraar van het in het ongeval betrokken voertuig tot vergoeding gehouden is op grond van een wettelijke vergoedingsplicht in zijn hoedanigheid als WAM-verzekeraar en niet het gevolg is van een concrete en vooraf vastgestelde aansprakelijkheid van de eigenaar, bestuurder of houder van het in het ongeval betrokken voertuig(5).

7.Artikel 29bis, §1, laatste lid, WAM 1989 bepaalt dat deze vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken. Hiermee beoogde de wetgever het verhaalrecht toepasselijk te maken en te vermijden dat de WAM-verzekeraar die de slachtoffers heeft vergoed op grond van artikel 29bis nadien zonder enige beperking een subrogatoir verhaal zou kunnen richten tot de bestuurder van het betrokken motorrijtuig(6).

8. De vergoedingsplicht van de verzekeraar op grond van artikel 29bis WAM 1989 is dus geen verplichting van de verzekeraar die een tegenprestatie vormt ten aanzien van de verzekerde. Deze vergoedingsplicht rust alleen op de verzekeraar en staat buiten de wederzijdse verbintenissen van de contractspartijen. De verzekeraar is slechts tot vergoeding van het slachtoffer gehouden omdat de wetgever hem in dat artikel deze vergoedingsplicht die gekoppeld is aan de WAM-verzekering van de in het verkeersongeval betrokken motorijtuigen, oplegt.

9. Artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst voorziet in een recht van verhaal dat de verzekeraar zich kan voorbehouden tegen de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen.

10. Waar dit artikel aan de verzekeraar enkel de mogelijkheid geeft een recht van verhaal te voorzien in de verzekeringsovereenkomst, is de uitoefening van het recht van verhaal dan ook gesteund op de verzekeringsovereenkomst en niet op artikel 88, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst(7).

11. Voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen is het (contractueel) recht van verhaal van de verzekeraar tegen de verzekeringnemer of de verzekerde geregeld in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst, gevoegd bij het KB van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Dit koninklijk besluit voorziet in artikel 24 dat wanneer de maatschappij gehouden is tot vergoeding ten aanzien van de benadeelden, zij behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover zij beschikt, een recht van verhaal heeft in de gevallen en op de personen vermeld in artikel 25. Artikel 25, 1°, a), van de modelovereenkomst vermeldt in dat verband het recht van verhaal van de maatschappij op de verzekeringnemer ingeval de dekking van de overeenkomst geschorst is wegens niet betaling van de premie.

12. Krachtens artikel 1 van het KB van 14 december 1992 moeten de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen beantwoorden aan de bepalingen voor deze modelovereenkomst. De bepalingen van de modelovereenkomst zijn dus dwingend, en er mag alleen van worden afgeweken in het voordeel van de verzekeringnemer, de verzekerde of van derden die bij de uitvoering van de overeenkomst betrokken zijn.

13. Waar het verhaal van de verzekeraar dus het gevolg is van een contractuele tekortkoming die de verzekerde begaat ten opzichte van zijn verzekeraar als wederpartij(8), volgt uit de hierboven vermelde benadering en zienswijze(9) evenwel dat dit contractueel verhaal van de verzekeraar beperkt is tot de uitgaven waarvoor zijn verzekerde aansprakelijk is. Wanneer de verzekerde ook gehouden zou zijn tot de teruggave van de vergoedingen waarvoor hij niet aansprakelijk is, dan zou hij als dusdanig immers gesanctioneerd worden voor de tekortkoming aan een contractuele verplichting die niet de wederprestatie van de verzekeraar is, die ten opzichte van de verzekerde bestaat uit de dekking van zijn aansprakelijkheid. Zoals het Hof reeds eerder in zijn arrest van 7 februari 2011 besliste zou alsdan aan de verzekeringsmaatschappij een recht van verhaal worden verleend dat in het nadeel van de verzekeringnemer afwijkt van de modelovereenkomst gevoegd bij het KB van 14 december 1992 en dat op grond van artikel 1 van dit besluit bijgevolg ongeldig is.

14. Dat de wetgever de bedoeling heeft om het verhaal van de verzekeraar afhankelijk te maken van de aansprakelijkheid van de verzekerde (ook al is de wetswijziging blijkbaar niet bedoeld om duidelijkheid te scheppen over het verhaal voor uitgaven in het kader van artikel 29bis WAM 1989) kan m.i. ook worden afgeleid uit de wetswijziging op basis waarvan artikel 152, eerste lid, van de wet van 4 april 2014(10) betreffende de verzekeringen artikel 88 Wet Landverzekeringsovereenkomst wijzigt door eraan toe te voegen dat de verzekeraar zich, (...), een recht van verhaal tegen de verzekeringnemer en, (...), de verzekerde kan voorbehouden "ten belope van hun persoonlijk aandeel in de aansprakelijkheid".

15. Vanuit het geheel van voormelde benadering ben ik dan ook van oordeel dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het middel derhalve gegrond is.

IV. TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 1119 GERECHTELIJK WETBOEK

1. Het in de huidige procedure door eiser aangevoerde enig middel is naar mijn oordeel volledig identiek aan datgene dat door hem in zijn cassatieberoep tegen de eerste beslissing, zijnde het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 4 februari 2010, werd aangevoerd.

2. Dit middel werd in het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 7 februari 2011 gegrond verklaard, en het bestreden vonnis werd dienvolgens vernietigd.

3. Artikel 1119 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer, na cassatie, tegen de tweede beslissing dezelfde middelen worden aangevoerd als tegen de eerste, de zaak voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie wordt gebracht, samengesteld zoals bepaald is in artikel 131 (van hetzelfde Wetboek).

4. Gezien thans hetzelfde middel wordt aangevoerd tegen de tweede beslissing, zijnde het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 14 november 2013, waarnaar de eerste beslissing na vernietiging werd verwezen, ben ik dan ook de mening toegedaan dat voormeld artikel 1119 van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden toegepast en de zaak voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie dient te worden gebracht.

V. CONCLUSIE: Vernietiging.
_________________________
(1) Cass. 7 februari 2011, AR C.10.0457.N, AC 2011, nr. 110.
(2) Zie supra II, 1.
(3) Cass. 7 juni 2010, AR C.09.0352.N, AC 2010, nr. 397, met concl. van advocaat-generaal MORTIER.
(4) Memorie van Toelichting, Senaat 1993-94, nr. 980/3.
(5) Concl. van advocaat-generaal MORTIER in Cass. 7 juni 2010, AC 2010, nr. 397, (1642), 1644, nr. 3.1.1.
(6) J-B PETITAT, Regres in de WAM, Mechelen, Kluwer, 2008, 91.
(7) C. VAN SCHOUBROECK, G. JOCQUÉ, A. DE GRAEVE, M. DE GRAEVE en H. COUSY, Overzicht van rechtspraak, Wet op de Landverzekeringsovereenkomst,TPR, 2003, 2001. Over de contractuele grondslag van de regresvordering en over de noodzaak van een contractueel beding om de regresvordering te kunnen uitoefenen: zie voetnoot 13 van de reeds eerder vermelde conclusie van advovaat-generaal MORTIER in Cass. 7 juni 2010, AC 2010, nr. 397, 1646.
(8) Deze contractuele verhouding bestaat enerzijds uit de gehoudenheid van de verzekeringnemer om premies te betalen voor het risico dat gedekt wordt (met name aansprakelijkheid bij het gebruik van een motorrijtuig in het verkeer), en anderzijds uit de verplichting van de verzekeraar om dekking te verlenen voor deze aansprakelijkheid.
(9) Deze zienswijze sluit aan bij het meerderheidsstandpunt in de doctrine: zie H. DE RODE, C. EYLEN en J. ACOLTY, La protection des indemnités revenant à l'usager faible en vertu de l'article 29bis, §4: un bouclier contre l'action récursoire?, RGAR 2010, 14613, nr. 7, en de rechtsleer in voetnoot 19; zie ook NjW, nr. 242 - 11 mei 2011, Verhaal van WAM-verzekeraar op verzekeringnemer voor vergoedingen betaald op grond van artikel 29bis WAM, 339, en NjW, nr. 228 - 13 oktober 2010, Verhaalsrecht verzekeraar, 625.
(10) BS 30 april 2014, 35530.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/02/2017 - 13:05
Laatst aangepast op: do, 23/02/2017 - 13:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.