-A +A

Reeds belast in de vennootschap ook nog eens in de personenbelastingen dubbele taxatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 27/03/2012

Geheime commissielonen - Dubbele taxatie

Wat reeds belast werd als bezoldigingen in de vennootschap bij toepassing van artikel 219 WIE 1992, nadien nog eens worden belast in hoofde van de genieter in de personenbelasting.
 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/11
Pagina: 
734
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

 

1. Voorafgaande feiten en procedure 1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft aanslagen in de personenbelasting voor wat betreft de aanslagjaren 1994 en 1995 en meer bepaald de vraag of de heer J.B. belastbare bezoldigingen heeft genoten als werkende vennoot vanwege BVBA E.S.H. en BVBA B.

1.2. Aanslag en bezwaar Aanslagjaar 1994

De belastingplichtige diende een aangifte in in de personenbelasting en maakte daarin melding van bezoldigingen van werkende vennoot, verkregen van BVBA E.S .H. (stukken 3 09, 310 administratief dossier).

Op 1oktober1996 verstuurde de administratie een bericht van wijziging (stuk 312 administratief dossier). Daarin werd gesteld dat uit onderzoek in de vennootschappen BVBA E.S.H. en BVBA B. was gebleken dat de heer J.B. bouwwerkzaamheden verrichtte voor BV R.i.N.: "Yoigens de facturen, die niet in de boekhouding van deze vennootschappen opgenomen zijn, gaat het in uw geval om 808 uren voor E.S.H. en 652 uren voor B., samen 1.460 uren.

Volgens dezelfde facturen bedraagt het uurgemiddelde:

In E.S.H.: 1.5 62 BEF x 808 = 1.262.096 In B.: 1.185 BEF x 652 = 772.620 Samen 2.034.716

Dit bedrag zal toegevoegd worden aan uw beroepsinkomsten. Het is voor de hand liggend dit te kwalificeren als bezoldiging van werkende vennoot. ( ... r

Er werd tevens aangekondigd dat een belastingverhoging zou worden opgelegd van 50% in toepassing van artikel 444 WIB 1992 en 226, C. KB/WIB 1992, vermits het niet boeken van facturen volgens de administratie duidelijk wees op het opzet om belasting te ontduiken.

Bij aangetekende brief van 4 oktober 1996 (stuk 314 administratief dossier) liet de administratie weten dat in de brief van 1 oktober 1996 een rekenfout was geslopen en dat de betrokken inkomsten als volgt moesten worden berekend:

In E.S.H.: 1.562 BEF x 808 = 1.262.096 In B.: 1.765 BEF x 644 = 1.136.660 Samen 2.398.756

De belastingplichtige verklaarde zich bij brief, ontvangen door de administratie op 4 november 1994 niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen (stuk 328 administratief dossier). De administratie liet bij brief van 6 november 1996 weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 330 administratief dossier).

Op 19 november 1996 werd de aanslag met kohierartikel 670221 (supplement aan kohierartikel 765030262, dat reeds een supplement was aan kohierartikel 750337474) gevestigd zoals voorgenomen (stuk 317 administratief dossier).

 

De belastingplichtige diende een aangifte in in de personenbelasting en maakte daarin melding van bezoldigingen van werkende vennoot, verkregen van BVBA E.S.H. (stukken 320, 321 administratief dossier).

Op 24 mei 1996 verstuurde de administratie een bericht van wijziging (stuk 322 administratief dossier). Daarin werd gesteld dat uit gegevens die verstrekt werden door de dienst vennootschappen was gebleken dat de heer J.B. als vennoot van de BVBA E.S.H. een wedde had gehad van 856.300 BEF, daar waar slechts een bedrag van 599.400 BEF werd aangegeven. Er zou derhalve een supplement worden belast.

De gevolmachtigde van de belastingplichtige verklaarde zich op 24 juni 1996 akkoord met de voorgenomen wijziging (stuk 322 administratief dossier).

Op 4 oktober 1996 verstuurde de administratie een bericht van wijziging (stuk 325 administratief dossier). Daarin werd gesteld dat uit onderzoek in de vennootschappen BVBA E.S.H. en BVBA B. was gebleken dat de heer J.B. bouwwerkzaamheden verrichtte voor BV R.i.N.: "Yoigens de facturen, die niet in de boekhouding van deze vennootschappen opgenomen zijn, gaat het in uw geval om een voorlopig ongekend aantal uren in E.S.H. en 532 uren in B."

Op basis van het uurgemiddelde van 1.800 BEF, dat bleek uit diezelfde facturen diende aldus een opbrengst van 957.600 BEF toegevoegd te worden aan de beroepsinkomsten. Het was volgens de administratie voor de hand liggend dit te kwalificeren als bezoldiging van werkende vennoot.

Er werd tevens aangekondigd dat een belastingverhoging zou worden opgelegd van 50% in toepassing van artikel 444 WIB 1992 en 226, C. KB/WIB 1992, vermits het niet boeken van facturen volgens de administratie duidelijk wees op het opzet om belasting te ontduiken.

De belastingplichtige verklaarde zich bij brief, ontvangen door de administratie op 4 november 1994 niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen (stuk 328 administratief dossier). De administratie liet bij brief van 6 november 1996 weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 330 administratief dossier).

Op 19 november 1996 werd de aanslag met kohierartikel 670231 (supplement aan kohierartikel 765819161, dat reeds een supplement was aan kohierartikel 757512064) gevestigd zoals voorgenomen (stuk 335 administratief dossier).

1.3. Bezwaar

Bij brief, toegekomen op 9 januari 1997 tekende de belastingplichtige bezwaar aan tegen de aanslagen 670221 (aanslagjaar 1994) en 670231 (aanslagjaar 1995) (stuk 13 administratief dossier).

Er werd op 4 februari 1997 inzage genomen in het strafdossier notitienummer TU.21.10.101023/96 te f ...), ingevolge toelating, bekomen op 8 januari 1997 (stuk 341 administratief dossier).

Bij beslissing van de gewestelijk directeur van 12 februari 2001 werd het bezwaarschrift afgewezen (stuk 305 administratief dossier).

 

1.4. Procedure voor de eerste rechter

Er werd een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 11 mei 2001.

De eerste rechter stelde vast dat de belastingplichtige betwistte dat hij de betrokken gelden persoonlijk zou hebben ontvangen, doch dat hij wel toegaf dat BVBA E.S.H. prestaties leverde voor de Nederlandse vennootschap en dat de betrokken inkomsten werden gestort op een rekening van BVBA E.S.H. in Nederland. Voor wat de prestaties voor BVBA B. betreft verwees de eerste rechter naar een verklaring van de zaakvoerder van BVBA B. in het kader van het strafonderzoek. BVBA B. zou facturen hebben uitgeschreven aan de Nederlandse vennootschap en opende voor BVBA B. een rekening in Nederland, met hierop volmacht aan de zaakvoerder van BVBA E.S.H. die hiervan regelmatig contanten opnam.

De eerste rechter achtte aldus bewezen dat de heer J.B. de inkomsten rechtstreeks en persoonlijk bekwam.

Het feit dat er mogelijk economische dubbele belasting ontstond, doordat in hoofde van de vennootschap een aanslag werd gevestigd overeenkomstig artikel 219 WIB 1992 werd volgens de eerste rechter door geen wetsbepaling verboden.

De belastingverhoging van 50% was volgens de eerste rechter evenredig met de feiten, nu de belastingplichtige actief en middels een uitgedokterd systeem meewerkte aan belastingontduiking.

De vordering van de belastingplichtige werd afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond en hij werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet vereffend, bij gebrek aan begroting.

1.5. Procedure voor het hof van beroep

Voor het hof van beroep vordert J.B., thans eiser in hoger beroep, om het bestreden vonnis te vernietigen en om zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij vordert om de bestreden aanslagen voor de aanslagjaren 1994 en 1995, kohierartikelen 670221 en 670231 integraal te ontheffen, respectievelijk te vernietigen en terugbetaling te bevelen van alle sommen die reeds zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in artikel 418 WIB 1992.

Hij vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 342,10 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.300,00 EUR

- rolrecht beroep: 182,00 EUR

De Belgische Staat, thans verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om de belastingplichtige te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 3.300,00 EUR.

this jurisquare copy is licenced to Advocatenkantoor De Neve

2. Bespreking

2.1. Heeft].B. de gelden persoonlijk ontvangen?

Er bestaat geen betwisting over het feit dat de heer J.B. in de betrokken periode bedrijfsleider was van BVBA E.S.H.

J.B. verklaarde eveneens aan de verbalisanten in het kader van het strafdossier (stuk 72 administratief dossier) dat BVBA E.S.H. in Nederland werkzaamheden uitvoerde voor de firma R. De facturen voor de uitgevoerde werken werden soms door S. en soms door B. zelf opgesteld en verstuurd aan de Nederlandse firma. J.B. bevestigde zelf dat de betalingen gebeurden op een Nederlandse bankrekening en dat het geld cash van deze rekening werd afgehaald voor de betaling van het personeel.

Ook F.S., medeoprichter van E.S.H. bevestigde aan de verbalisanten (stuk 70 administratief dossier) dat E.S.H. onderaannemer was van R.: "De manier van werken was voornamelijk de volgende: voor elk werk werd een apart onderaannemingscontract afgesloten. Het werk werd door E.S.H. en met personeel van E.S.H. uitgevoerd. De opbrengsten van die werken werden niet in België in de boekhouding verwerkt. Het personeel dat voor E.S.H. werkte, moet dus zwart gewerkt hebben. Het personeel wist dat het nergens verzekerd was."

Uit deze verklaringen blijkt derhalve dat E.S.H. werkzaamheden uitvoerde voor de Nederlandse firma R., dat E.S.H. daarvoor werd betaald op een Nederlandse bankrekening en dat deze inkomsten door E.S.H. niet werden aangegeven.

J.B. geeft verder zelf toe dat de gelden van de Nederlandse rekening werden afgehaald ter betaling van het personeel.

Deze werkwijze werd ook gevolgd voor wat BVBA B. betreft. Dit blijkt uit de verklaringen van A.B. en de heer S. ter zake.

A.B., enig zaakvoerder van de BVBA B., werd ondervraagd door de verbalisanten (stukken 66 e.v. administratief dossier). Hij verklaarde dat hij F.S. en J.B. leerde kennen, toen E.S.H. van hem een woning kocht in (".). S. en B. stelden hem een manier voor om snel geld te verdienen: "Er werd gevraagd dat mijn BVBA B. zou factureren aan BV R., (".) voor werken die niet door de BVBA B. werden uitgevoerd, maar wel door de BVBA E.S.H. Op de facturen moest ik vermelden dat de werkzaamheden in onderaanneming werden uitgevoerd. BV R. betaalde op de rekening i.,.}, rekening die ik er op 4 juni 1993 geopend heb op naam van BVBA B. en waarvan S. en B. gemachtigd waren. De door de BV R. gestorte gelden werden geregeld afgehaald door S. of B. en zoals bij het begin was overeengekomen, ontving ik 10% netto van elke door de BVBA B. op dergelijke wijze gefactureerde bedragen. Dat geld werd mij in contanten gebracht, meestal door B. (".)."

Deze werkwijze wordt ook bevestigd door de heer S., die aan de verbalisanten verklaarde (stuk 71 administratief dossier): "Omdat wij in Nederland wilden stoppen, heeft E.S.H. de werkzaamheden willen overdragen aan P. uit L.c.], Omdat deze man schulden had, kreeg hij geen bankrekening. Na één keer factureren zijn wij daarmee gestopt en zijn wij verdergegaan met de firma B. uit (".). De bedoeling was dat BVBA B. factureerde aan BV R. en dat wij geld kregen om ons personeel uit te betalen. BVBA B. kreeg provisie voor het gebruik van deze facturen. Het was de bedoeling dat BVB. onze werkzaamheden bij BV R. helemaal zou overnemen, maar door de vermindering van werk is dit uiteindelijk niet doorgegaan."

Het hof stelt verder vast dat de facturen van E.S.H. en B. aan BV R. zich in het dossier bevinden (stukken 78 e.v. administratief dossier), met de daarbij horende mandagenregisters.

Op deze mandagenregisters, die door de heer B. persoonlijk werden ondertekend, werd telkens verklaard, welke werken werden uitgevoerd, wanneer en door welke werknemers, met vermelding van het aantal gepresteerde uren. Op deze mandagenregisters komt de heer B. vaak zelf voor als werknemer, met vermelding van het aantal door hem gepresteerde uren. Het zijn die uren die de administratie heeft opgeteld en heeft vermenigvuldigd met het uurloon, waarvan het bedrag nooit werd betwist.

De heer J.B. beweert dat hij met het geld dat hij cash afhaalde van de Nederlandse rekening de werknemers heeft betaald die de werken voor BV R. hebben uitgevoerd. In de mate dat hij zelf als werknemer op de mandagenregisters werd vermeld, kan het derhalve niet anders dat hij in die mate zichzelf heeft uitbetaald.

Het hof oordeelt derhalve dat de administratie ten genoege van recht heeft aangetoond dat de heer B. meerinkomsten heeft genoten voor een bedrag, vermeld in de aanvullende aanslagen.

Ten overvloede merkt het hof op dat de administratie het bewijs van meerinkomsten mag leveren aan de hand van vermoedens. De administratie, op wie de bewijslast rust, mag immers de belastbare elementen aantonen met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed (art. 340 WIB 1992).

Het bewijs door vermoedens is een dergelijk bewijsmiddel. Hierbij dient de administratie, vertrekkende van bekende en vaststaande feiten, door een normale en logische redenering, tot een bepaald besluit te komen met betrekking tot de fiscale toestand van de belastingplichtige. De rechter kan hierbij geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens aannemen (art. 1353 BW).

In onderhavig geval stelt het hof vast dat de verklaringen van de heren B., B. en S., alsook de facturen en de mandagenregisters vaststaande gegevens zijn, op basis waarvan de administratie logisch mocht vermoeden dat de heer J.B. vergoed werd voor de uren die hij voor de firma R. in Nederland presteerde. Er is hierbij geen sprake van een verboden opeenstapeling van vermoedens en de administratie maakt een correcte toepassing van het vermoeden als bewijsmiddel (art. 340 WIB en 1353 BW).

2.2. Dubbele belasting

De belastingplichtige argumenteert dat hij niet op de betrokken bezoldigingen kan worden belast, vermits deze vergoedingen bij E.S.H. reeds het voorwerp uitmaakten van de afzonderlijke aanslag bijzondere commissielonen van artikel 219 WIB 1992. Er is aldus volgens de belastingplichtige sprake van een verboden dubbele belasting.

Het hof stelt vast dat niet wordt betwist dat voor de betrokken bezoldigingen nooit fiches en samenvattende opgaven werden opgemaakt en ingediend.

Het hof oordeelt dat de belasting van de bezoldigingen bij de genieter ervan en de toepassing van de afzonderlijke aanslag van artikel 219 WIB 1992 twee afzonderlijke belastingen zijn in hoofde van twee verschillende rechtspersonen en dat deze belastingen elkaar niet wettelijk uitsluiten, zeker niet in de wetgeving, zoals ze van toepassing was voor de betrokken aanslagjaren. Voor zover toepassing zou kunnen worden gemaakt van de toleranties, voorzien in de administratieve commentaren (Com.IB92, nr. 219111; Com.IB92, nr. 57111 en nr. 57169), kan dit nooit tot gevolg hebben dat wordt afgezien van de belasting van de genieter van de inkomsten, in onderhavig geval J.B.

Het middel dat er sprake zou zijn van een verboden dubbele belasting kan derhalve niet worden aangenomen.

2.3. De belastingverhoging van 50%

De belastingplichtige stelt dat er reden is om over te gaan tot kwijtschelding van de belastingverhoging van 50% die werd opgelegd.

Het hof stelt vast dat in het bericht van wijziging met betrekking tot de betwiste aanslagjaren duidelijk werd uiteengezet dat een belastingverhoging van 50% werd opgelegd in toepassing van de artikelen 444 WIB 1992 en 226, C. KB/WIB 1992, vermits het niet boeken van facturen duidelijk wees op het opzet om belasting te ontduiken. Deze berichten van wijziging zijn aldus op afdoende wijze gemotiveerd.

Het hof kan weliswaar met volheid van rechtsmacht oordelen over de opgelegde belastingverhogingen, nu deze, gelet op hun aard en bedrag het karakter vertonen van een strafsanctie.

Het hof oordeelt evenwel dat de eerste rechter terecht van mening was dat er sprake was van belastingontduiking. Er werd bewust een systeem opgezet om werkzaamheden uit te voeren, zonder dat de desbetreffende opbrengsten werden opgenomen in de boekhouding van E.S.H. en waarbij geen fiches en samenvattende opgaven werden uitgeschreven voor de prestaties, die door de werknemers van E.S.H. voor de Nederlandse firma R. werden verricht. Er werd hierbij zelfs beroep gedaan op een tussenfirma, de BVBA B., die facturen moest uitschrijven zonder ooit prestaties voor R. te hebben verricht.

Het hof oordeelt bijgevolg dat de belastingverhoging volkomen terecht werd opgelegd en in een redelijke verhouding staat tot de gepleegde inbreuken.

Er is dan ook geen reden om tot een vermindering of een kwijtschelding over te gaan.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van J.B. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

 

Het hof verwijst J.B. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 3.300,00 EUR.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 16/08/2013 - 14:10
Laatst aangepast op: vr, 16/08/2013 - 14:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.