-A +A

Redelijke termijn Europees aanhoudingsbevel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 20/07/2016
A.R.: 
P.16.0805.N

De miskenning van het recht op de behandeling van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafuitvoering kennis kan nemen; dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel; in dat geval is de strafuitvoering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke instantie die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafuitvoering.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0805.N

S.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 juli 2016, nr. K/1579/2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het middel voert schending aan van art. 6.1 EVRM, art. 1.3 Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, en art. 4, 5o Wet Europees Aanhoudingsbevel: bij de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel moet rekening worden gehouden met het EVRM en de daaruit voortvloeiende rechten voor de betrokken persoon.

Art. 4, 5o Wet Europees Aanhoudingsbevel voorziet in een weigeringsgrond indien er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel een schending zou uitmaken van het EVRM; de strafuitvoering maakt integraal deel uit van het proces in de zin van art. 6 EVRM; zowel de Wet Europees Aanhoudingsbevel als het EVRM voorzien in een rechtsgrond die het onderzoeksgerecht toelaat het verzoek te toetsen aan de vereisten van een proces en dus ook de strafuitvoering af te ronden binnen een redelijke termijn, zoals voorgeschreven door het EVRM.

De kamer van inbeschuldigingstelling die beslist dat zij zonder rechtsmacht is om het middel van de redelijke termijn van art. 4, 5o Wet Europees Aanhoudingsbevel juncto art. 6.1 EVRM te beoordelen, schendt voormelde bepalingen.

2. Krachtens art. 4, 5o Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door art. 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Krachtens art. 1.3. van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten kan dit besluit niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in art. 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.

3. Krachtens art. 6, derde lid van het Verdrag Europese Unie maken de grondrechten, zoals zij worden bepaald door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene rechtsbeginselen deel uit van het recht van de Europese Unie.

Krachtens art. 6.1 EVRM heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vordering, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (...).

4. De miskenning van het recht op de behandeling van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling binnen een redelijke termijn in de zin van art. 6.1 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafuitvoering kennis kan nemen. Dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In dat geval is de strafuitvoering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke instantie die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafuitvoering.

Hieruit volgt dat de verplichting voor het onderzoeksgerecht om de weigeringsgrond bepaald in art. 4, 5o Wet Europees Aanhoudingsbevel, te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn waarbinnen de straf moet worden uitgevoerd, al dan niet overschreden is.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

...

Noot: 

E. Van Dooren De accijnsrechtelijk geldboete na het vernietigingsarrest van 30 oktober 2008, RABG 2014/1, 24

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 06:39
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 06:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.