-A +A

Rechtstreekse vordering van de benadeelde ten aanzien van de verzekeraar verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/02/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
954
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede middel

5. Krachtens art. 34, § 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst verjaart, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86, door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Het tweede lid preciseert dat, indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, de termijn pas begint te lopen vanaf dat tijdstip, maar dat hij in elk geval verstrijkt na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

De benadeelde heeft kennis van zijn recht tegen de verzekeraar in de zin van de voormelde bepaling, indien hij niet enkel kennis heeft van het feit dat de aansprakelijke is verzekerd, maar ook van de identiteit van de verzekeraar.

De benadeelde voldoet aan de hem in de voormelde bepaling opgelegde bewijslast wanneer hij bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van de identiteit van de verzekeraar.

6. Door te oordelen dat de verweersters terecht opmerken dat zij niet in de mogelijkheid waren de tweede en de derde eiseressen tijdig in rechte aan te spreken omdat zij pas na de bij tussenvonnis van 27 februari 1997 bevolen overlegging van de polis de bedoelde medeverzekeraars kenden en dat de vijfjarige termijn pas vanaf dan is beginnen lopen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.


Zie ook:

• Cassatie 30 november 2009, RW 2011-2012, 1903

NV F.I.B. t/ NV K.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 februari 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens art. 68, derde lid van de Wet Landverzekeringsovereenkomst bezitten de eigenaar en de derden een eigen recht jegens de verzekeraar van de huurdersaansprakelijkheid.

Krachtens art. 86, eerste lid van deze wet geeft de verzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.

Art. 34, § 2, eerste lid van deze wet bepaalt dat, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86 verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint, krachtens art. 34, § 2, tweede lid van deze wet, de voormelde verjaringstermijn pas te lopen vanaf dat tijdstip. Dit tweede lid voegt hieraan toe dat die termijn in elk geval verstreken is na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de verwijzing in art. 34, § 2 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst naar art. 86, alleen heeft willen verduidelijken dat de verjaringsregeling bepaald in art. 34, § 2 van toepassing is op de door de wet ingestelde rechtstreekse vorderingen bij aansprakelijkheidsverzekeringen en niet de bedoeling heeft gehad om rechtstreekse vorderingen gebaseerd op een andere bepaling van die wet dan art. 86 uit te sluiten van de toepassing van art. 34, § 2.

De wet bevat geen bijzondere bepalingen inzake de verjaring van de rechtstreekse vordering gebaseerd op art. 68 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst. Bijgevolg is de rechtstreekse vordering gebaseerd op art. 68 van deze wet onderworpen aan de verjaringsregels bepaald in art. 34, § 2.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

...

4. Krachtens art. 68, derde lid van de Wet Landverzekeringsovereenkomst bezitten de eigenaar en de derden een eigen recht jegens de verzekeraar van de huurdersaansprakelijkheid.

5. Art. 38 van de wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen, hierna Verzekeringswet, kende reeds aan de eigenaar een eigen recht toe tegen de verzekeraar van de huurder. De vordering voortvloeiend uit dit eigen recht viel niet onder de toepassing van de driejarige verjaring van art. 32 van de Verzekeringswet, maar was onderworpen aan de gemeenrechtelijke dertigjarige verjaringstermijn van art. 2262 BW, vóór de wijziging ervan door de wet van 10 juni 1998.

6. De rechtstreekse vordering gebaseerd op art. 68 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst is onderworpen aan de verjaringsregels bepaald in art. 34, § 2 van die wet.

Overeenkomstig art. 34, § 2, eerste lid van die wet, in werking getreden op 21 september 1992, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint, krachtens art. 34, § 2, tweede lid van dezelfde wet, de voormelde verjaringstermijn pas te lopen vanaf dat tijdstip. Dit tweede lid voegt hieraan toe dat die termijn in elk geval verstreken is na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

7. Wanneer in burgerlijke zaken een wet voor de verjaring van de vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet, en het betrokken recht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan, begint de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste met de inwerkingtreding van de nieuwe wet te lopen, zij het dat dit een eerder ingetreden verjaring overeenkomstig de oude regel niet zal verhinderen.

8. De appelrechters stellen vast dat:

– op 8 december 1985 een gebouw eigendom van de NV U. en verzekerd tegen brandschade bij de eiseres, door brand werd vernield;

– het gebouw gehuurd werd door de BVBA G.M., die voor haar huurdersaansprakelijkheid verzekerd was bij de verweerster;

– de eiseres op 19 juni 2003 bij conclusie een vordering instelde tegen de verweerster, ertoe strekkende de verweerster te horen veroordelen tot het betalen van de som van 155.723,41 euro, te vermeerderen met interest en kosten;

– de vordering tot gemeenverklaring ingesteld bij dagvaarding van 29 juni 1992 alleen strekte tot gemeenverklaring aan de verweerster van de veroordelingen die zouden worden uitgesproken tegen de BVBA G.M., zodat deze dagvaarding niet kan gelden als het instellen van een rechtstreekse vordering van de eigenaar of de in diens rechten gesubrogeerde verzekeraar tegen de verzekeraar van de huurder, noch als enige daad van stuiting of schorsing van de verjaring van de vordering van de eiseres tegen de verweerster.

Uit deze vaststellingen volgt dat de termijn van tien jaar, bedoeld in art. 34, § 2 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, die begon te lopen bij de inwerkingtreding van deze bepaling op 21 september 1992, verstreken was voordat de vordering tegen de verweerster werd ingesteld.

9. Deze in de plaats gestelde reden, aangevoerd in de memorie van antwoord, verantwoordt naar recht de beslissing van de appelrechters dat de vordering ingesteld op 19 juni 2003 met toepassing van art. 34, § 2 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst verjaard is.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
 

Noot: 

Rechtsleer:

Inge D'Haese, RABG, 2012/5, 1006 Geen tijd te verliezen: de verjaring van de rechtsreekse vordering van de aansprakelijke ten aanzien van de aansprakelijkheidsverzekeraar van een in solidum veroordeelde mede-aansprakelijke

Overige rechtspraak:

• Cassatie 04/06/2012, RABG 2012/5, 1004, C.10.0208.N

samenvatting

De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren zodat voor de indeplaatsgestelde de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aanvangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

teskst arrest

Nr. C.10.0208.N
TRAVHYDRO nv, met zetel te 6001 Marcinelle, avenue Emile Rousseau 40,
eiseres,

tegen
KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Prof. Roger Van Overstraetenplein 2,
verweerster,

in aanwezigheid van
1. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,
2. T.D.V.,
3. K.B.,
partijen opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 12 juni 2008 en 2 april 2009.
...

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel bekritiseert het oordeel van de appelrechters in het tussenarrest van 12 juni 2008 dat de vordering van de eiseres tegen de verweerster gesteund is op subrogatie, maar voert niet aan dat dit oordeel een weerslag heeft op de wettig-heid van de beslissing in het eindarrest van 2 april 2009 dat de vordering van de eiseres tegen de verweerster verjaard is, noch bekritiseert het deze beslissing.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

2. Krachtens artikel 86, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst geeft de aansprakelijkheidsverzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.

Krachtens artikel 34, § 2, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 van deze wet door verloop van vijf jaar, te reke-nen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.
Indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint, krachtens artikel 34, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar verstrijkt hij in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Artikel 2257, eerste en derde lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad.

3. De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst is geen vordering tot vrijwaring in de zin van artikel 2257 Burgerlijk Wetboek.

4. De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de inde-plaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren. Daaruit volgt tevens dat voor de indeplaatsgestelde de verjaringster-mijn van de rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aan-vangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen.

5. Het onderdeel dat aanvoert dat de vordering die een in solidum veroordeelde aansprakelijke, bij subrogatie in de rechten van de benadeelde, tegen de verzekeraar van een medeaansprakelijke instelt, een vordering tot vrijwaring is in de zin van artikel 2257 Burgerlijk Wetboek zodat de verjaring niet kan beginnen lopen vooraleer de betrokken aansprakelijke door de benadeelde is aangesproken tot betaling, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert aan dat de door de eiseres op 28 oktober 2002 ingestel-de vordering tegen de verweerster tijdig was ingesteld in zoverre zij betrekking heeft op de bedragen die de eiseres aan Kevin Baeyens dient uit te betalen, omdat de verjaring van de rechtstreekse vordering die Kevin Baeyens tegen de verweer-ster had kunnen instellen, geschorst was tot aan zijn meerderjarigheid op 26 maart 2001.

7. De appelrechters beslissen in het tussenarrest van 12 juni 2008 dat de min-derjarigheid van Kevin Baeyens de verjaring van de rechtstreekse vordering niet schorst.

Het onderdeel dat niet gericht is tegen het tussenarrest, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 910,67 euro en voor de verweerster op 171,24 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

C.10.0208.N
Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier

1. Situering

1.1. De zaak heeft betrekking op een arbeidsongeval dat zich voordeed op 7 september 1982 en waarbij een werknemer ten val kwam door het breken van een plank van een stelling, met verlamming tot gevolg. De aannemer bij wie het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval in dienst was had de plank gehuurd bij NV Travhydro. In een eerste procedure, die de schade van het slachtoffer tot voorwerp had, werd geoordeeld dat de aannemer en Travhydro elk voor de helft aansprakelijk waren voor het ongeval.

Nadien startte een tweede procedure, met als voorwerp de schade van de echtgenote en de zoon van het slachtoffer. In het raam van die procedure werd NV Travhydro door de echtgenote en de zoon op 9 oktober 2001 gedagvaard tot betaling van schadevergoeding. NV Travhydro ging op 28 oktober 2002 over tot dagvaarding van NV KBC

Verzekeringen, aansprakelijkheidsverzekeraar van de aannemer, in gedwongen tussenkomst en vrijwaring voor alle sommen waartoe zij zou worden veroordeeld. Bij conclusie van 25 oktober 2005 stelden de echtgenote en de zoon van het slachtoffer een rechtstreekse vordering in tegen NV KBC Verzekeringen. Er werden nog verschillende andere vorderingen ingesteld, maar die zijn in het raam van het voorliggende cassatieberoep niet relevant.

1.2. Bij tussenarrest van 12 juni 2008 van het hof van beroep te Gent werd de vordering van de echtgenote en de zoon van het slachtoffer tegen NV KBC Verzekeringen verjaard verklaard. NV Travhydro werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 87.394,67 EUR (vermeerderd met interesten) aan de echtgenote en van 25.000 EUR aan de zoon van het slachtoffer.

Met betrekking tot de vrijwaringsvordering van NV Travhydro tegen NV KBC Verzekeringen, besliste het hof van beroep te Gent in het tussenarrest dat NV Travhydro, voor zover zij de schadelijders heeft vergoed, als gesubrogeerde in de rechten van de benadeelden over een terugvorderingsrecht beschikt ten aanzien van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de medeaansprakelijke. De debatten werden heropend om de partijen toe te laten hun standpunt te geven met betrekking tot de vraag of de immuniteit voorzien in artikel 46 Arbeidsongevallenwet niet in de weg staat aan een terugvordering ten laste van de verzekeraar van de aannemer, werkgever van het slachtoffer.

Bij eindarrest van 2 april 2009 besliste het hof van beroep te Gent dat de echtgenote en de zoon van het slachtoffer niet als rechthebbenden in de arbeidsongevallenregeling kunnen beschouwd worden, aangezien zij in het raam van het niet-dodelijk arbeidsongeval van hun echtgenoot en vader geen aanspraak kunnen maken op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet. NV Travhydro kan dan ook in beginsel, op grond van subrogatie in de rechten van de echtgenote en de zoon terugbetaling vorderen ten laste van NV KBC Verzekeringen, aansprakelijkheidsverzekeraar van de medeaansprakelijke werkgever. Voorts beslist het hof van beroep dat de vordering van NV Travhydro tegen NV KBC Verzekeringen, ingesteld op 28 oktober 2002, verjaard is ook al werd de rechtstreekse vordering pas ingevoerd bij wet van 25 juni 1992 en kon de verjaring hierdoor pas beginnen lopen vanaf 1 januari 1993.

1.3. Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van het hof van beroep te Gent bij tussenarrest van 12 juni 2008 en bij eindarrest van 2 april 2009 over de vordering van NV Travhydro (thans eiseres) tegen NV KBC Verzekeringen (thans verweerster).

2. Bespreking van de middelen

2.1. Eerste middel
(...)
2.2. Tweede middel

2.2.1. Het tweede middel is gericht tegen de beslissing in het eindarrest waarbij de (op subrogatie gesteunde) vordering van eiseres ingesteld meer dan vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, verjaard werd verklaard.

2.2.2. Eerste onderdeel

2.2.2.1. Eiseres voert in het eerste onderdeel aan dat de vordering die een in solidum veroordeelde aansprakelijke, bij subrogatie in de rechten van de benadeelde, tegen de verzekeraar van de medeaansprakelijke instelt, een vordering tot vrijwaring is in de zin van artikel 2257 BW, waarvan de verjaring niet kan lopen zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad. De verjaring van die vordering is dan ook geschorst zolang de aansprakelijke niet tot vergoeding van de benadeelde is aangesproken. Eiseres voegt er nog aan toe dat tot zolang de aansprakelijke niet is aangesproken er geen sprake is van subrogatie en dus ook niet van een subrogatoire vordering.

Het onderdeel heeft dus betrekking op de verjaring van de vordering van de aansprakelijke tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de medeaansprakelijke. De eiseres stelt hierbij niet ter discussie dat die vordering gesteund is op subrogatie in de rechten van de benadeelde (art. 1251, 3° BW). Welke verjaringsregeling van toepassing is, wordt dan ook bepaald door het antwoord op de vraag in welke rechten de aansprakelijke precies wordt gesubrogeerd.

De appelrechters hebben eiseres veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de echtgenote en de zoon van het slachtoffer. Deze laatsten stelden geen vordering in tegen de medeaansprakelijke werkgever zelf, maar wel tegen diens aansprakelijkheidsverzekeraar, thans verweerster. De vordering tegen verweerster, ingesteld op 25 oktober 2005, werd door de appelrechters verjaard verklaard. De benadeelden hebben dus niet de veroordeling verkregen van verweerster, maar enkel van eiseres. Bijgevolg beschikken de benadeelden niet over een actio judicati,(1) een rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak tot veroordeling, jegens verweerster. De op subrogatie gesteunde vordering van eiseres tegen verweerster kan dan ook geen actio judicati zijn, waarop de tienjarige termijn van artikel 2262bis, §1, eerste lid BW van toepassing is.

2.2.2.2. De (subrogatoire) vordering van eiseres is gesteund op artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst. Eiseres oefent dus de rechtstreekse vordering uit die de benadeelden hadden kunnen uitoefenen tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de aannemer. Wat betekent dit voor de verjaring van die vordering?

Vooreerst moet opgemerkt worden dat het ongeval dateert van 7 september 1982, dit is vóór de inwerkingtreding op 1 januari 1993 van artikel 86 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992. Zoals het Hof geoordeeld heeft in arresten van 6 oktober 2000(2) en 6 april 2006(3), is dit artikel ook van toepassing op schadegevallen die ontstaan zijn vóór 1 januari 1993, behoudens wanneer bepaalde rechten reeds onherroepelijk waren vastgesteld. In het laatste arrest voegde het Hof eraan toe dat de verjaring van de rechtstreekse vordering ten vroegste begint te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 januari 1993, aangezien de benadeelde, of de in diens rechten gesubrogeerde partij, zich vóór de inwerkingtreding van artikel 86 in de onmogelijkheid bevond om zijn rechtstreekse vordering uit te oefenen. In overeenstemming met deze rechtspraak, oordeelt het bestreden eindarrest dat de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen verweerster pas kon beginnen lopen vanaf 1 januari 1993.

Voorts dient eraan herinnerd te worden dat de rechtstreekse vordering die de echtgenote en de zoon van het slachtoffer op 25 oktober 2005 instelden tegen verweerster in het tussenarrest verjaard werd verklaard. Zoals het bestreden eindarrest oordeelt, houdt dit op zich niet in dat ook de vordering van eiseres tegen verweerster verjaard is. Die vordering werd immers ingesteld op een vroeger tijdstip, namelijk op 28 oktober 2002.

De vraag is dus of de vordering die de benadeelden hadden kunnen instellen tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de (mede)aansprakelijke werkgever en die eiseres in hun plaats instelt, op 28 oktober 2002 reeds was verjaard.
In de derde plaats past het erop te wijzen dat de subrogatie in de rechten van de benadeelde plaatsvindt bij de betaling, dit is op het ogenblik waarop de aansprakelijke de benadeelde vergoedt, en dus niet, zoals de eiseres aanvoert, op het ogenblik waarop de aansprakelijke wordt aangesproken tot vergoeding door de benadeelde.

Wanneer de door de benadeelde gedaagde aansprakelijke de medeaansprakelijke of diens verzekeraar dagvaardt in tussenkomst tot vrijwaring, is er uiteraard nog geen betaling gebeurd. De aansprakelijke vraagt dan, als het ware vooruitlopend op zijn veroordeling, dat de door hem in vrijwaring opgeroepen partij zou worden veroordeeld tot terugbetaling van (een deel of het geheel van) de schadeloosstelling waartoe hij eventueel tegenover de benadeelde zal worden veroordeeld. In werkelijkheid streeft de door de benadeelde gedaagde een voorwaardelijke subrogatie na in de rechten van de benadeelde tegenover de andere aansprakelijke of diens verzekeraar.

De subrogatie zal pas effectief worden wanneer de door de benadeelde gedaagde die laatste daadwerkelijk zal hebben vergoed(4). De vrijwaringsvordering steunt op een "geanticipeerde" subrogatie(5).

Dat de subrogatie van de aansprakelijke in de rechten van de benadeelde pas plaatsvindt op het ogenblik van en op voorwaarde van een daadwerkelijke betaling, betekent niet dat de verjaringstermijn van de op subrogatie gesteunde vordering pas loopt vanaf het ogenblik van de betaling. Kenmerkend voor de persoonlijke indeplaatsstelling is dat zij een overgang van schuldvordering teweegbrengt: de vordering van de oorspronkelijke schuldeiser (te dezen de benadeelde echtgenote en zoon van het slachtoffer) gaat over naar de gesubrogeerde ( te dezen de door de benadeelden gedaagde aansprakelijke eiseres).

De gesubrogeerde stapt als het ware in de juridische schoenen van de benadeelde en oefent diens vordering uit tegen de aansprakelijke of diens verzekeraar, zoals de schadelijder dat zelf had kunnen doen. Daaruit volgt enerzijds dat de vordering in handen van de gesubrogeerde dezelfde aard heeft als in handen van de benadeelde en anderzijds dat zij hem te beurt valt met al haar kenmerken en toebehoren die de benadeelde kon doen gelden.(6)

Daaruit volgt voorts dat de vordering van de gesubrogeerde aan dezelfde verjaringstermijn onderhevig is als de vordering die de benadeelde had kunnen uitoefenen en die de gesubrogeerde in zijn plaats uitoefent(7).

Zoals hoger vermeld, steunt de subrogatoire vordering van eiseres tegen verweerster op artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst. Eiseres stelt dus de rechtstreekse vordering in die de benadeelden tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de aannemer hadden kunnen instellen. De verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering is geregeld in artikel 34, §2 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst: de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 van deze wet verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar verstrijkt hij in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde, oefent eiseres de vordering uit zoals de benadeelde dat zelf had kunnen doen.

Dit betekent dat de vordering van eiseres aan de verjaringstermijn van artikel 34, §2 Wet Landverzekeringsovereenkomst is onderworpen en dat die termijn ook aanvangt op de dag waarop hij zou zijn beginnen lopen indien de benadeelde de vordering zelf had ingesteld(8).

In de voorliggende zaak is dit, zoals de appelrechters vaststellen, vanaf de inwerkingtreding van artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst op 1 januari 1993.

De subrogatie heeft niet tot gevolg dat de verjaringstermijn opnieuw begint te lopen. De gesubrogeerde kan niet meer of anders vorderen dan de benadeelde zelf had kunnen vorderen.

Daaruit volgt dat de schuldenaar (te dezen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de medeaansprakelijke) alle verweermiddelen en excepties, zoals de verjaring, die hij kon opwerpen ten aanzien van de benadeelde en die ontstaan zijn voor de betaling, tegen de gesubrogeerde kan aanvoeren(9).

De aansprakelijkheidsverzekeraar van de medeaansprakelijke kan dan ook aan de in de rechten van de benadeelde gesubrogeerde aansprakelijke desgevallend tegenwerpen dat de rechtstreekse vordering die de benadeelde tegen hem hadden kunnen instellen, reeds verjaard was op het ogenblik dat hij door de gesubrogeerde werd gedagvaard. Indien de benadeelde met betrekking tot zijn rechtstreekse vordering de verjaring tijdig heeft gestuit, bijvoorbeeld door kennis te geven van zijn wil om een vergoeding te bekomen(10) dan komt deze stuiting ook aan de gesubrogeerde ten goede(11).

Volgens de door de appelrechters vastgestelde gegevens van de zaak, blijkt dit echter te dezen niet het geval te zijn. Evenmin blijkt uit de door de appelrechters vastgestelde gegevens van de zaak dat de benadeelden zich door overmacht in de onmogelijkheid bevonden om binnen de voorgeschreven termijn op te treden tegen verweerster, zodat er geen grond was tot schorsing van de verjaring krachtens artikel 35, §2 Wet Landverzekeringsovereenkomst.
2.2.2.3. Tot slot, en om terug te keren naar wat het onderdeel aanvoert, is er nog de vraag naar de toepassing van artikel 2257, derde lid, BW, krachtens hetwelk de verjaring niet loopt zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad.

Deze bepaling vormt een uitdrukking van het principe dat de verjaring van een vordering pas kan beginnen lopen vanaf de dag waarop het recht om de rechtsvordering in te stellen, ontstaat(12).

Volgens de doctrine heeft artikel 2257, derde lid, BW in de eerste plaats betrekking op de vordering van de koper tegenover de verkoper wegens de vrijwaring waartoe de verkoper verplicht is voor uitwinning(13), maar kan de regel uitgebreid worden tot andere vorderingen tot vrijwaring van een contractant jegens zijn medecontractant.(14)

Een toepassing van die regel is ook terug te vinden in artikel 34, §1, derde lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, op grond waarvan de verjaringstermijn van drie jaar voor de regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar in de aansprakelijkheidsverzekering, begint te lopen vanaf het instellen van de rechtsvordering van de benadeelde.

Het is mogelijk dat in bepaalde gevallen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen de aansprakelijke verzekerde steunt op een contractuele vrijwaring waartoe die laatste gehouden is jegens de benadeelde, zodat artikel 2257 BW van toepassing is op de verjaring van die vordering.

De rechtstreekse vordering, voortvloeiend uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar heeft krachtens artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst, is echter geen vordering tot vrijwaring zoals bedoeld in artikel 2257 BW. De regel dat de verjaring niet loopt zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad, is dan ook niet van toepassing op deze vordering (al is het mogelijk dat het schadeverwekkend feit, dat het aanvangspunt vormt van de vijfjarige termijn van de rechtstreekse vordering, in sommige gevallen samenvalt met "de uitwinning" waarvan sprake is in artikel 2257 BW).

De omstandigheid dat de rechtstreekse vordering ingesteld wordt door een in de rechten van de benadeelde gesubrogeerde partij, door middel van een dagvaarding in tussenkomst tot vrijwaring, brengt niet mee dat deze vordering van aard verandert en een vrijwaringsvordering in de zin van artikel 2257 BW wordt.

Ook het principe dat de verjaring van de vordering niet kan lopen zolang het recht om de vordering in te stellen niet is ontstaan, kan het onderdeel niet doen slagen.

De vordering die eiseres (subrogatoir) uitoefent is de rechtstreekse vordering van de benadeelde echtgenote en zoon van het slachtoffer voortvloeiend uit hun eigen recht tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de medeaansprakelijke.

Dit eigen recht en de daaruit voortvloeiende rechtstreekse vordering zijn te dezen ontstaan op 1 januari 1993, datum waarop artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst in werking is getreden. Dat eiseres door de benadeelden pas op een later ogenblik is aangesproken belet niet dat het recht van de benadeelden (waarin eiseres wordt gesubrogeerd) om de rechtstreekse vordering in te stellen reeds op 1 januari 1993 was ontstaan.
Het eerste onderdeel faalt dan ook naar recht.
(...)
Conclusie: VERWERPING.
_______________________
(1) Zie over de actio judicati uitgeoefend bij subrogatie door de betalende schuldenaar tegen de medeaansprakeljike: Cass. 10 mei 1957, Arr.Verbr. 1957, 758; M. GEVERS, "Recours du commettant contre le préposé coupable d'une infraction - Fondement de ce recours. Prescription applicable à l'action du commettant", RCJB 1958, p. 18-19; M. VAN QUICKENBORNE, "De verbintenis in solidum", in Overzicht Bijzondere overeenkomsten, Verbintenissenrecht, Kluwer, losbl., p. 27, nr. 41.
(2) Cass. 6 oktober 2000, AR C.99.0452, AC 2000, nr. 525; Zie ook De Verz., 2001, 252, noot M.HOUBEN, RW 2000-2001, 516.
(3) Cass. 6 april 2006, AR C.05.0040.N; AC 2006, nr. 207.
(4) R.O. DALCQ, "Obligation in solidum et subrogation", RCJB 1980, p. 252-254, nr. 8; J.-L. FAGNART, "La subrogation de l'assureur ayant payé un sinistre non couvert", RCJB 1993, p. 589, nr. 26; M. VAN QUICKENBORNE, "De verbintenis in solidum", l.c., p. 40-41, nr. 64; J. WILDEMEERSCH en J. LOLY, "La subrogation de l'assureur", in Les recours de l'assureur, Anthemis, 2009, p. 72. Zie ook Cass. 16 mei 2011, AR C.10.0214.N, Pas. 2011, n° 319: artikel 41, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst verzet er zich niet tegen dat de rechter, onder voorwaarde van de daadwerkelijke betaling aan het slachtoffer, de vrijwaringsvordering inwilligt van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroordeelde partij ten aanzien van de medeaansprakelijke derde.; NjW 2011, p. 23, noot I. BOONE.
(5) P.A. FORIERS, "Observations sur les arrêts de la Cour de cassation des 28 avril 2006 et 4 février 2008 ou les limites des raisonnements techniques en droit", in Liber Amicorum J.-L. Fagnart, Anthemis, Bruylant, 2008, p. 520, nr. 4.
(6) Zie o.a. Cass. 6 december 1965, Pas. 1966, 443 en RW 1966-97, 852; Cass. 18 september 1996, AR P.96.0127.F. AC 1996, nr. 316; H. DE PAGE, Traité, III, nr. 551; J. MESTRE, La subrogation personnelle, Paris, LGDJ, 1979, p. 498 e.v.
(7) I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 366; J. MESTRE, La subrogation personnelle, p. 474.
(8) Zie I. BOONE, "Verjaring van subrogatoire en zelfstandige verhaalsvorderingen", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 251.
(9) zie I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, p. 370, nr. 388.
(10) artikel 35, § 4 Wet Landverzekeringsovereenkomst
(11) zie Cass. 16 december 2004, AR C.02.0212.N en C.02.0251.N, AC 2004, nr.614: opdat de gesubrogeerde zich zou kunnen beroepen op de stuiting door de benadeelde, moet ze wel dateren van voor de subrogatie, dus voor de betaling aan de benadeelde.
(12) A. VAN OEVELEN, "Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht", TPR 1987, p. 1781, nr. 24.
(13) art. 1626 e.v. BW; zie G. BAUDRY-LACANTINERIE en A. TISSIER, Traité théorique et pratique de droit civil, De la prescription, Parijs, 1905, nr. 393; F. LAURENT, Principes de droit civil, t. XXXII, Brussel, Bruylant, 1878, p. 36, nr. 23.
(14) zie voor Frankrijk: M. MIGNOT, "Prescription extinctive, Mode de calcul", in Jurisclasseur Civil Code, Art. 2228 à 2232, LexisNexis, Parijs, 2009, nr. 41.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 31/01/2010 - 21:42
Laatst aangepast op: za, 24/10/2015 - 14:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.