-A +A

Rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de beklaagde ten laste van de burgerlijke partij

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 09/03/2017
A.R.: 
33/2017

In zoverre het de strafrechter niet toestaat aan de beklaagde een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie of van de beklaagde, hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis waarbij haar vordering onontvankelijk wordt verklaard nadat de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld, schendt artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
536
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 33/2017

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 26 oktober 2016 (...) heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 162bis, tweede lid Sv. artt. 10 en 11 Gw. in zoverre de burgerlijke partij, die niet het initiatief tot vervolging heeft genomen en die hoger beroep instelt tegen een vonnis waarbij haar vordering onontvankelijk wordt verklaard nadat de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld, niet tot de rechtsplegingsvergoeding kan worden veroordeeld indien zij in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, aangezien het Grondwettelijk Hof bij het arrest nr. 113/2016 van 22 september 2016 voor recht heeft gezegd dat art. 162bis, tweede lid de artt. 10 en 11 Gw. schendt, in zoverre het de strafrechter niet toestaat aan de vrijgesproken beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, hoger beroep heeft ingesteld tegen een vrijsprekend vonnis dat is gewezen op een door het openbaar ministerie ingestelde vordering?»

...

In rechte

...

B.1. Art. 162bis Sv., ingevoegd bij art. 9 van de wet van 21 april 2007 «betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat», en gewijzigd bij art. 3 van de wet van 21 februari 2010 «tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering», bepaalt:

«Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

«De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis.»

B.2. In de prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of art. 162bis, tweede lid Sv. verenigbaar is met de artt. 10 en 11 Gw. in zoverre de burgerlijke partij, die niet het initiatief tot vervolging heeft genomen en die hoger beroep instelt tegen een vonnis waarbij haar vordering onontvankelijk wordt verklaard nadat de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld, niet tot de rechtsplegingsvergoeding kan worden veroordeeld indien zij in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld.

B.3.1. De rechtsplegingsvergoeding is «een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij» (art. 1022, eerste lid Ger.W., ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007).

B.3.2. De rechtsplegingsvergoeding waarvan sprake is in de in het geding zijnde bepaling, heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf.

De in het geding zijnde bepaling strekt dus ertoe ten laste van de burgerlijke partij die een dergelijke vordering door een rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht heeft ingesteld, alle of een deel van de kosten en erelonen van de advocaat te leggen die een persoon die uiteindelijk is vrijgesproken dan wel de burgerrechtelijk aansprakelijke moet betalen in het kader van de strafvordering die door die burgerlijkepartijstelling op gang is gebracht. De burgerlijke partij die niet rechtstreeks heeft gedagvaard maar die haar vordering heeft doen aansluiten bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering, kan daarentegen niet worden veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke.

De situatie van de vrijgesproken beklaagde en van de burgerrechtelijk aansprakelijke varieert dus op het vlak van de verhaalbaarheid naargelang zij worden vervolgd op initiatief van de burgerlijke partij dan wel van het openbaar ministerie: in het eerste geval kunnen zij de verhaalbaarheid genieten en in het tweede geval niet.

B.4. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een geheel van maatregelen die beantwoorden aan de zorg «dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van een schade voor een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie op gelijke voet zou behandelen» (Parl.St. Senaat 2006-07, nr. 3-1686/4, p. 6 en 8; ibid., nr. 3-1686/5, p. 32; Parl.St. Kamer 2006-07, DOC 51-2891/002, p. 5). De bij de in het geding zijnde bepaling voorgeschreven veroordeling is verantwoord door het gegeven dat het de burgerlijke partij, en niet het openbaar ministerie, is die «de strafvordering [...] op gang heeft gebracht», zodat zij voor die vordering «aansprakelijk» moet worden geacht «ten aanzien van de beklaagde» (Parl.St. Senaat, 2006-07, nr. 3-1686/4, p. 8; Parl.St. Kamer 2006-07, DOC 51-2891/002, p. 6).

Ten aanzien van de situatie van de vrijgesproken beklaagde of van de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling voorts gepreciseerd: «Overeenstemmend met het advies van de ordes van advocaten en van de Hoge Raad voor de Justitie, zal de verhaalbaarheid trouwens ook niet aan bod komen in de betrekkingen tussen de beklaagde en de Staat, die wordt vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. Er moet op gewezen worden dat het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen» (Parl.St. Kamer 2006-07, DOC 51-2891/002, p. 6-7).

B.5.1. Wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding automatisch verschuldigd zou zijn telkens als zijn vordering zonder gevolg blijft, niet tot het openbaar ministerie diende te worden uitgebreid.

B.5.2. Gelet op wat voorafgaat, is het eveneens verantwoord dat de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij niet wordt veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke wanneer zij zich ertoe heeft beperkt haar vordering te doen aansluiten bij een door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering. De wetgever vermocht immers redelijkerwijs ervan uit te gaan dat, in die gevallen, zelfs wanneer de burgerlijke partij in haar aanspraken in het ongelijk wordt gesteld, zij niet verantwoordelijk moest worden geacht voor de vervolgingen tegen de beklaagde (Parl.St. Senaat 2006-07, nr. 3-1686/5, p. 33).

Die gevallen verschillen van die van een voor de burgerlijke rechter ingestelde procedure, die, ongeacht de wijze waarop zij is ingesteld, nooit een vordering is die aansluit bij een strafvordering die door het openbaar ministerie op gang is gebracht.

Het is dus verantwoord dat de burgerlijke partij slechts tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke wordt veroordeeld wanneer zij zelf de strafvordering op gang heeft gebracht.

B.6. De burgerlijke partij die als enige hoger beroep instelt tegen een vonnis waarbij haar vordering onontvankelijk wordt verklaard nadat de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld, neemt het initiatief tot een nieuwe aanleg, ook al heeft zij niet het initiatief genomen tot de in eerste aanleg ingestelde vordering en heeft zij haar initiële vordering bij de strafvordering doen aansluiten. Zij oefent op die manier een recht uit dat haar eigen is, namelijk het recht om haar zaak opnieuw te laten beoordelen door een hoger rechtscollege.

Aangezien het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, sluit de vordering van de burgerlijke partij in hoger beroep niet meer aan bij een vordering die op gang is gebracht wegens het algemeen belang, maar strekt zij uitsluitend tot de verdediging van een privébelang. Zij ligt dus aan de oorsprong van de kosten en erelonen van een advocaat die zijn gemaakt voor de procedure in hoger beroep.

De in het geding zijnde bepaling, die ten gunste van de beklaagde een rechtsplegingsvergoeding ten laste legt van de burgerlijke partij die een vordering instelt door middel van een rechtstreekse dagvaarding, zonder ze ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie noch door de beklaagde, hoger beroep instelt tegen een vonnis waarbij haar vordering onontvankelijk wordt verklaard nadat de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld, is niet redelijk verantwoord.

Aan de rechter bij wie het geschil aanhangig is gemaakt, komt het toe na te gaan of de burgerlijke partij al dan niet als enige hoger beroep heeft ingesteld.

B.7. Aangezien de in overweging B.6 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die het mogelijk maken de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

 

Noot: 

Grondwettelijk Hof 10/07/2014, AR 100/2014

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 25 maart 2013 in zake het openbaar ministerie tegen L. V.D.P. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2013, heeft de Correctionele Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden, rekening gehouden met de in het overwegend gedeelte vermelde overwegingen [...], de bepalingen van artikel 162, lid 2 Sv., het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van de niet-discriminatie, in zoverre zij de correctionele rechtbank ertoe verplichten de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, te veroordelen in alle kosten gemaakt door de Staat en de beklaagde, wanneer die partij het strafonderzoek heeft geopend door middel van een klacht met burgerlijke partijstelling, en dus in zoverre zij die burgerlijke partij het recht ontnemen om argumenten aan te voeren die de rechter ervan kunnen overtuigen haar van alle of een deel van de voormelde kosten te ontheffen, terwijl het Hof van Assisen overeenkomstig artikel 350 Sv. wel steeds over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om de burgerlijke partij al dan niet in de kosten te veroordelen wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 162, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, dat op het ogenblik van de prejudiciële vraagstelling bepaalde :

« De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan. Zij wordt veroordeeld in alle kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald ».

Die bepaling is van toepassing op de politierechtbanken, de correctionele rechtbanken en in hoger beroep, op grond van de artikelen 194 en 211 van hetzelfde Wetboek.

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling dat ten aanzien van de door de Staat en de beklaagde gemaakte kosten bestaat onder de burgerlijke partijen die in het ongelijk worden gesteld, naargelang de strafvordering, na klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter, wordt gebracht voor de correctionele rechtbank, dan wel het hof van assisen, waarbij enkel het hof van assisen, overeenkomstig artikel 350 van het Wetboek van strafvordering, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om de burgerlijke partij al dan niet in de kosten te veroordelen.

B.3. De strafrechter beschikt in principe over een beoordelingsbevoegdheid inzake de tenlastelegging van alle of een gedeelte van de door de Staat of de beklaagde gemaakte kosten aan de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld.

Wanneer evenwel die burgerlijke partijstelling plaatshad voor de onderzoeksrechter, terwijl de strafvordering nog niet bij hem aanhangig was gemaakt (artikel 63 van het Wetboek van strafvordering), of door rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter (artikel 64, tweede lid, en artikel 145 van hetzelfde Wetboek), was de rechter ertoe gehouden die kosten ten laste te leggen van de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, zonder dat hij daarbij over een beoordelingsbevoegdheid beschikte, behalve wanneer de zaak werd doorverwezen naar het hof van assisen.

B.4.1. Artikel 162 van het Wetboek van strafvordering is, met ingang van 10 mei 2014, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 2 april 2014 tot wijziging van artikel 162 van het Wetboek van strafvordering. Thans bepaalt artikel 162 van het Wetboek van strafvordering :

« De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan. Zij kan worden veroordeeld in alle, dan wel een deel van de kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald ».

B.4.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 april 2014 blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was de onbillijkheid van de voorheen van toepassing zijnde regeling te temperen.

« Momenteel zal een slachtoffer dat zich burgerlijke partij stelt om te verhinderen dat het gerecht indommelt boven zijn dossier, worden veroordeeld in de kosten van deskundigenonderzoek als het gerecht er niet in slaagt de schuldige te arresteren.

Uiteraard kan het gerecht niet alle kosten van deskundigenonderzoek op zich nemen, vooral als de deskundigenonderzoeken de hoedanigheid van slachtoffer van de burgerlijke partij in twijfel trekken. Het is echter evenmin toelaatbaar dat een slachtoffer (van verkrachting, bijvoorbeeld) dat een klacht indient en zich burgerlijke partij stelt, de kosten van deskundigenonderzoek moet betalen die noodzakelijk zijn (aangezien ze werden aanvaard door de onderzoeksrechter) als Justitie er niet in slaagt de schuldige te vinden. [...]

Door artikel 162 van het Wetboek van strafvordering te wijzigen, zal een beoordelingsbevoegdheid aan de rechter worden gelaten, die dan naar gelang van de omstandigheden van de zaak kan beslissen of het slachtoffer de gemaakte kosten al dan niet moet dragen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2675/001, pp. 4-5).

B.5. De zaak dient te worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, opdat dit de zaak opnieuw kan beoordelen in het licht van het nieuwe artikel 162 van het Wetboek van strafvordering en kan oordelen of een prejudiciële vraag nog nodig is.

Om die redenen,
het Hof
zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 juli 2014.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 11:25
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 11:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.