-A +A

Rechtsplegingsvergoeding niet verschuldigd bij gedwongen invordering van douaneschulden voor de strafrechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 06/10/2016
A.R.: 
127/2016

Op grond van art. 280 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen (hierna: “AWDA”) worden de louter burgerrechtelijke zaken die niet gepaard gaan met een vordering tot gevangenisstraf, geldboete of verbeurdverklaring, berecht volgens de regels door het Ger.W. voorgeschreven inzake bevoegdheid en rechtspleging.

Wanneer de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van een louter burgerrechtelijk geschil tussen de belastingplichtige en de administratie van douane en accijnzen, kan de belastingplichtige een rechtsplegingsvergoeding krijgen indien hij in het gelijk wordt gesteld.

De regeling inzake de rechtsplegingsvergoeding is in strafzaken enkel van toepassing in de betrekkingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij.

De vergoeding heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf. Zij is verschuldigd aan de partij die in het gelijk wordt gesteld.

Uit wat voorafgaat volgt dat de persoon bij wie de administratie belastingen invordert, voor de burgerlijke rechter een rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen indien zijn verhaal gegrond wordt verklaard, terwijl de persoon bij wie dezelfde belastingen worden ingevorderd op grond van art. 283 van de AWDA, geen rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen indien de strafrechter de fiscale vordering afwijst die de administratie heeft ingesteld.

De functies van het openbaar ministerie en van het arbeidsauditoraat dat, inzake het sociaal strafrecht, de functies van het openbaar ministerie uitoefent (artt. 145 en 152 Ger.W.) of dat voor de arbeidsrechtbank de vordering instelt bepaald in art. 138bis, § 2 Ger.W. die vergelijkbaar is met de strafvordering die het openbaar ministerie instelt voor de strafgerechten, omdat die tot doel heeft het plegen van een misdrijf vast te stellen, zijn verankerd in en is hun onafhankelijkheid gewaarborgd bij art. 151, § 1 Gw.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/7
Pagina: 
539
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 127/2016

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 3 november 2015 (...) heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schenden art. 162bis Sv. en art. 283 AWDA, afzonderlijk of gelezen in samenhang met artt. 2, 569, 32o, 1017, 1018 en 1022 Ger.W. artt. 10 en 11 Gw., in zoverre de in het ongelijk gestelde Belgische Staat zonder enige redelijke verantwoording door de strafrechter, die krachtens art. 283 AWDA kennisneemt van de fiscaalrechtelijke vordering, niet veroordeeld kan worden tot het betalen aan de burger van de in art. 1022 Ger.W. bepaalde rechtsplegingsvergoeding, terwijl dit wel het geval is wanneer ditzelfde geschil betreffende de toepassing van een belastingwet voor de burgerlijke rechtbank wordt beslecht overeenkomstig artt. 569, 32o, 1017 en 1018 Ger.W.?”

...

In rechte

...

B.1.1. Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

De voormelde kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding (art. 1018, eerste lid, 6o Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.).

B.1.2. Art. 2 van de wet van 21 februari 2010 “tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering” heeft een lid ingevoegd in art. 1022 Ger.W. krachtens welk geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten laste van de Staat wanneer het openbaar ministerie bij wege van een rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig art. 138bis, § 1 Ger.W., of wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig art. 138bis, § 2 Ger.W.

Die wet is nog niet in werking getreden.

B.1.3. Art. 17 van de wet van 25 april 2014 “ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet” heeft het in overweging B.1.2 vermelde nieuwe lid aangevuld door te bepalen dat geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat verschuldigd is wanneer een publiekrechtelijk rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding.

Bij zijn arrest nr. 34/2016 van 3 maart 2016 heeft het Hof die bepaling vernietigd, vooraleer zij in werking was getreden, vanwege een schending van artt. 10 en 11 Gw.

B.1.4. De regeling inzake de rechtsplegingsvergoeding is van toepassing wanneer de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet (art. 569, 32o Ger.W.).

B.1.5. Op grond van art. 280 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen (hierna: “AWDA”) worden de louter burgerrechtelijke zaken die niet gepaard gaan met een vordering tot gevangenisstraf, geldboete of verbeurdverklaring, berecht volgens de regels door het Ger.W. voorgeschreven inzake bevoegdheid en rechtspleging.

B.1.6. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van een louter burgerrechtelijk geschil tussen de belastingplichtige en de administratie van douane en accijnzen, kan de belastingplichtige een rechtsplegingsvergoeding krijgen indien hij in het gelijk wordt gesteld.

B.2.1. Art. 281, § 1, van de AWDA bepaalt dat alle vorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven, waartegen bij de wetten inzake douane en accijnzen straffen zijn bepaald, in eerste aanleg worden gebracht voor de correctionele rechtbank en in hoger beroep voor het hof van beroep van het rechtsgebied, “teneinde te worden geïnstrueerd en berecht overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering”.

B.2.2. Wanneer de bedoelde feiten ook aanleiding geven tot een burgerlijke rechtsvordering tot betaling van rechten of accijnzen, is krachtens art. 283 van de AWDA de strafrechter bevoegd voor de kennisneming en de berechting van zowel de strafvordering als de burgerlijke rechtsvordering.

Art. 283 van de AWDA bepaalt: “Wanneer de overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, in de artikelen 281 en 282 bedoeld, onverminderd de strafvordering, tevens tot betaling van rechten of accijnzen, en alzo tot een civiele actie aanleiding geven, zal de kennisneming en berechting daarvan in beide opzichten tot de bevoegde criminele of correctionele rechter behoren”.

Ook wanneer de strafrechter de beklaagde vrijspreekt, moet hij uitspraak doen over de burgerlijke vordering tot betaling van de rechten en accijnzen waarvan hij tegelijkertijd met de strafvordering kennis heeft genomen.

B.2.3. Indien de strafrechter kennisneemt van de burgerlijke rechtsvordering, is art. 162bis Sv. van toepassing, dat bepaalt:

“Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

“De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis.”

Aangezien de relevante artikelen van de reeds vermelde wet van 21 februari 2010 nog niet in werking zijn getreden, dient daarmee geen rekening te worden gehouden in het kader van de onderhavige procedure.

B.2.4. De regeling inzake de rechtsplegingsvergoeding is in strafzaken enkel van toepassing in de betrekkingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij.

De vergoeding heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf. Zij is verschuldigd aan de partij die in het gelijk wordt gesteld.

B.2.5. Naar het oordeel van de verwijzende rechter vloeit de burgerlijke vordering die in het voorliggende geval samengaat met de strafvordering niet voort uit het misdrijf, maar vindt zij haar rechtstreekse grondslag in de wet die de betaling van rechten oplegt. De administratie van douane en accijnzen die deze vordering uitoefent, is dan ook geen burgerlijke partij die op grond van art. 162bis, tweede lid Sv. en art. 1022 Ger.W. kan worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding wanneer haar vordering wordt afgewezen.

B.2.6. Uit wat voorafgaat volgt dat de persoon bij wie de administratie belastingen invordert, voor de burgerlijke rechter een rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen indien zijn verhaal gegrond wordt verklaard (overweging B.1.6), terwijl de persoon bij wie dezelfde belastingen worden ingevorderd op grond van art. 283 van de AWDA, geen rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen indien de strafrechter de fiscale vordering afwijst die de administratie heeft ingesteld (overweging B.2.5).

De verwijzende rechter vraagt of dat verschil in behandeling artt. 10 en 11 Gw. schendt.

B.3.1. In de wet van 21 april 2007 “betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat”, heeft de wetgever vanaf het begin elke verhaalbaarheid uitgesloten van de kosten en erelonen van advocaten in de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie.

B.3.2. In zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 “betreffende de beroepen tot vernietiging van de wet van 21 april 2007” heeft het Hof geoordeeld dat de fundamentele verschillen tussen het openbaar ministerie, dat in het belang van de maatschappij belast is met het onderzoek en de vervolging van misdrijven en de strafvordering uitoefent, en de burgerlijke partij, die haar eigen belang nastreeft, de niet-toepassing, ten laste van de Staat, van het systeem van de forfaitaire vergoeding waarin de wet van 21 april 2007 voorziet, konden verantwoorden.

Wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding automatisch verschuldigd zou zijn telkens als zijn vordering zonder gevolg blijft, niet tot het openbaar ministerie diende te worden uitgebreid.

B.3.3. In zijn arrest nr. 83/2011 van 18 mei 2011 heeft het Hof voor recht gezegd dat art. 1022 Ger.W., vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, artt. 10 en 11 Gw. schond in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kon worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld in zijn rechtsvordering ingesteld op grond van art. 138bis, § 2 Ger.W. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereiste naar het oordeel van het Hof dat die vorderingen, die worden ingesteld door een publiek orgaan in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen.

B.3.4. Een dergelijke specifieke regeling is verantwoord, rekening houdende met, enerzijds, de bijzondere aard van strafrechtelijke geschillen, die doel hebben de misdrijven te vervolgen en te bestraffen en die er niet toe strekken het bestaan of de schending van een subjectief recht te laten vaststellen, noch, in beginsel, uitspraak te doen over de wettigheid van een handeling van een overheid en gelet op, anderzijds, de specifieke opdracht van het openbaar ministerie of het arbeidsauditoraat in strafzaken, die ermee belast zijn de strafvordering uit naam van de maatschappij uit te oefenen.

Ten slotte zijn de functies van het openbaar ministerie en van het arbeidsauditoraat dat, inzake het sociaal strafrecht, de functies van het openbaar ministerie uitoefent (artt. 145 en 152 Ger.W.) of dat voor de arbeidsrechtbank de vordering instelt bepaald in art. 138bis, § 2 Ger.W. die vergelijkbaar is met de strafvordering die het openbaar ministerie instelt voor de strafgerechten, omdat die tot doel heeft het plegen van een misdrijf vast te stellen, verankerd in en is hun onafhankelijkheid gewaarborgd bij art. 151, § 1 Gw.

B.3.5. In zijn arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 van 21 mei 2015 heeft het Hof zijn rechtspraak met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in de geschillen voor de burgerlijke rechter tussen een overheid die in het algemeen belang optreedt en een particulier, in haar geheel heroverwogen. Voor de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie herbevestigde het Hof evenwel zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008, waarin het beroepen tot vernietiging tegen art. 162bis Sv., zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, verwierp, om de redenen die in overweging B.3.4 zijn vermeld.

Het Hof beperkte de uitsluiting van de verplichting voor de in het ongelijk gestelde partij om een rechtsplegingsvergoeding te betalen tot, enerzijds, de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie en, anderzijds, de vordering van het arbeidsauditoraat voor de arbeidsrechtbank op grond van art. 138bis, § 2 Ger.W., aangezien die vordering vergelijkbaar is met de strafvordering, omdat zij tot doel heeft het plegen van een misdrijf vast te stellen en niet louter een herstel van burgerlijke aard te verkrijgen en zij bovendien de strafvordering doet vervallen.

B.4.1. Met de regelgeving over het invorderen van douane- en accijnsrechten beoogde de wetgever een eigen systeem voor strafrechtelijke opsporing en vervolging te ontwikkelen teneinde de omvang en frequentie van de fraude te bestrijden in deze bijzonder technische en grensoverschrijdende materie, die thans mede door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst.

B.4.2. Wat de uitoefening van de strafvordering betreft, komt het initiatiefrecht om douane- en accijnsmisdrijven te vervolgen, niet toe aan het openbaar ministerie, maar wel aan de administratie van douane en accijnzen (art. 281 van de AWDA).

Daarbij moet volgend onderscheid worden gemaakt:

– de administratie oefent de strafvordering alleen uit inzake de douanemisdrijven die slechts worden bestraft met vermogensstraffen (boeten, verbeurdverklaringen, sluiten van fabrieken of werkplaatsen); het openbaar ministerie moet echter wel worden gehoord (art. 281, § 2, van de AWDA);

– ten aanzien van douanemisdrijven die naast vermogensstraffen ook strafbaar zijn met een hoofdgevangenisstraf, wordt de strafvordering gelijktijdig uitgeoefend door de administratie en het openbaar ministerie, met dien verstande dat alleen het openbaar ministerie een hoofdgevangenisstraf kan vorderen; het openbaar ministerie kan evenwel enkel vorderen als de administratie het initiatief tot vervolging heeft genomen (art. 281, § 3, van de AWDA).

B.4.3. Uit deze bepalingen blijkt dat de administratie van douane en accijnzen ruime bevoegdheden heeft op het vlak van de uitoefening van de strafvordering. Zij heeft het initiatiefrecht ter zake, met dien verstande dat in voorkomend geval het openbaar ministerie bij de uitoefening van de strafvordering moet worden betrokken, hetzij door het uitbrengen van een advies, hetzij om een hoofdgevangenisstraf te vorderen.

B.4.4. Om uit te maken of een zodanige regeling discriminerend is doordat de persoon bij wie de administratie belastingen invordert in een procedure voor de strafrechter geen rechtsplegingsvergoeding kan krijgen wanneer die rechter de vordering van de administratie afwijst, terwijl de persoon bij wie de administratie belastingen invordert in een procedure voor de burgerlijke rechter wel een rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen indien zijn vordering gegrond wordt verklaard, moet worden nagegaan op welke wijze de onafhankelijkheid wordt gewaarborgd wat de parketmagistraten betreft, enerzijds, en wat de ambtenaren van de administratie betreft, anderzijds.

B.5.1. In tegenstelling tot de magistraten van de zetel hebben die van het openbaar ministerie geen rechtsprekende bevoegdheid: zij vervullen de plichten van hun ambt bij de hoven en rechtbanken om een juiste toepassing van de wet te vorderen, alsook om de vereisten van de openbare orde en van een goede rechtsbedeling te verdedigen. In artt. 40 en 153 heeft de Grondwet zelf de basis gelegd voor het statuut en de organisatie van het openbaar ministerie. Dat statuut en die organisatie worden met name gekenmerkt door de relaties van hiërarchische aard tussen de parketmagistraten.

B.5.2. Ten aanzien van de federale ambtenaren, waartoe de ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen behoren, bepaalt art. 107, tweede lid Gw.: “[De Koning] benoemt de ambtenaren bij het algemeen bestuur en bij de buitenlandse betrekkingen, behoudens de door de wetten gestelde uitzonderingen”.

B.5.3. Art. 151, § 1, eerste lid, tweede zin Gw. bepaalt: “Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen”.

Krachtens die bepaling geniet het openbaar ministerie, op het gebied van de individuele vervolging, een onafhankelijkheid die geen enkele vergelijkbare bepaling aan de ambtenaren van de administratie waarborgt. Er is dus een verschil tussen de twee categorieën van ambtenaren belast met de strafrechtelijke vervolging.

B.5.4. In zijn arrest nr. 40/2000 van 6 april 2000 heeft het Hof geoordeeld dat die verschillende rechtspositie van de vervolgende partijen evenwel geen onverantwoord verschil in behandeling instelt tussen de vervolgde personen. Rekening houdend met het feit dat de geschillen worden beslecht door de strafrechter die alle waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt, is het, vanwege het specifieke karakter van de aangelegenheid vermeld in overweging B.4.1, niet kennelijk onevenredig met de nagestreefde doelstellingen de vervolging toe te vertrouwen aan een gespecialiseerde administratie, zelfs indien die niet dezelfde onafhankelijkheid heeft als het openbaar ministerie.

B.6. Bijgevolg is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever elke verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten heeft uitgesloten in de betrekkingen tussen de beklaagde en de administratie van douane en accijnzen, wanneer die administratie in aanzienlijke mate de functie van het openbaar ministerie vervult.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Noot: 

• K. Vanhesschen, Rechtsplegingsvergoeding in strafzaken,, noot onder de publicatie van dit arrest in het NJW 2017, 441

• E. Van Dooren, “Iteratieve knelpunten van douane- en accijnsstrafrecht” in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, M. Maus en M. Rozie (eds.), Antwerpen, Intersentia, 2011, (465) 478).

• E. Van Dooren, « Geen rechtsplegingsvergoeding bij gedwongen invordering van douaneschulden ten overstaan van de strafrechter », R.A.B.G., 2017/7, p. 547-552

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 18:00
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 18:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.