-A +A

Rechtsplegingsvergoeding na deelbetaling in de loop van het geding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/02/2016

In geval van wijziging van de vordering in de loop van het geding, wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het bedrag van de vordering zoals dit in de laatste conclusie in die aanleg wordt gevorderd.

Zo ook wordt, wanneer de verweerder de vordering gedeeltelijk erkent door een deel te betalen en slechts het overige deel van de schuldvordering betwist, de aanleg (en dus ook de rechtsplegingsvergoeding) bepaald door de waarde van wat nog wordt betwist. In het geval waarin een schuldeiser zijn vordering zou beperken tot een som die deel uitmaakt van een betwiste schuldvordering van een hoger bedrag, wordt evenwel krachtens art. 559 Ger.W. de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het totaal bedrag van de schuldvordering (of het nog verschuldigde saldo ervan).

Het enige specifieke geval waarin de rechtsplegingsvergoeding voor de eiser na een betaling door de verweerder in het bijzonder wordt geregeld, is het geval bedoeld in art. 1 van het KB van 26 oktober 2007: wanneer de verweerder de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten – dus het gevorderde volledig voldoet – na de inschrijving op de rol, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1000 euro. Dit bijzondere geval doet echter niet blijken van een algemene regel alsof bij de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding geen rekening zou mogen worden gehouden met betalingen in de loop van het geding.

In voorkomend geval kan een wijziging van de vordering in de laatste conclusie – als gevolg van betalingen door de verweerder of van andere omstandigheden – die een vermindering van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding meebrengt, tot een kennelijk onredelijke situatie leiden. In die gevallen biedt art. 1022, derde lid Ger.W. evenwel de mogelijkheid om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
631
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV S. t/ NV V.

...

12. Kosten van het geding – NV V. en NV S. zijn elk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld.

Wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt.

Tussen de partijen bestaat betwisting over de begroting van de rechtsplegingsvergoeding. NV S. begroot de rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen op 7 700 euro, NV V. op 3 300 euro.

In geval van wijziging van de vordering in de loop van het geding, wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het bedrag van de vordering zoals dit in de laatste conclusie in die aanleg wordt gevorderd (Cass. 17 november 2011, AR C.10.0497.N, Arr.Cass. 2011, 2329; Cass. 14 december 2012, C.12.0232.N, Arr.Cass. 2012, 2850).

Krachtens art. 2, tweede lid, van het KB van 26 oktober 2007 wordt voor de toepassing van dat artikel het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de art. 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. Art. 618, tweede lid Ger.W. bepaalt dat, indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, de aanleg wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

Zo ook wordt, wanneer de verweerder de vordering gedeeltelijk erkent door een deel te betalen en slechts het overige deel van de schuldvordering betwist, de aanleg (en dus ook de rechtsplegingsvergoeding) bepaald door de waarde van wat nog wordt betwist. In het geval waarin een schuldeiser zijn vordering zou beperken tot een som die deel uitmaakt van een betwiste schuldvordering van een hoger bedrag, wordt evenwel krachtens art. 559 Ger.W. de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het totaal bedrag van de schuldvordering (of het nog verschuldigde saldo ervan).

Het enige specifieke geval waarin de rechtsplegingsvergoeding voor de eiser na een betaling door de verweerder in het bijzonder wordt geregeld, is het geval bedoeld in art. 1 van het KB van 26 oktober 2007: wanneer de verweerder de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten – dus het gevorderde volledig voldoet – na de inschrijving op de rol, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1000 euro. Dit bijzondere geval doet echter niet blijken van een algemene regel alsof bij de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding geen rekening zou mogen worden gehouden met betalingen in de loop van het geding.

In voorkomend geval kan een wijziging van de vordering in de laatste conclusie – als gevolg van betalingen door de verweerder of van andere omstandigheden – die een vermindering van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding meebrengt, tot een kennelijk onredelijke situatie leiden. In die gevallen biedt art. 1022, derde lid Ger.W. evenwel de mogelijkheid om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen.

Gelet op de betaling van het niet-betwiste gedeelte van de vordering tien dagen na de dagvaarding, is het debat tussen de partijen van bij de aanvang beperkt gebleven tot het betwiste saldo (80 623,964 euro), de forfaitaire schadevergoeding (25 119,96 euro) en de vóór de dagvaarding verschuldigde interest (3 748,88 euro). Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg 5 500 euro (bedrag van de vordering in de schijf van 100 000,01 tot 250 000 euro). Er is, anders dan NV S. bepleit, geen reden om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen tot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op basis van het oorspronkelijk gevorderde bedrag. Gelet op het feit dat NV S. geen recht heeft op een contractueel bepaalde vergoeding, is er evenmin, anders dan NV V. aanvoert, reden om de rechtsplegingsvergoeding op het minimumbedrag te bepalen.

Gelet op het gedeeltelijk gelijk en ongelijk van elke partij, is er wel aanleiding tot het gedeeltelijk omslaan van de rechtsplegingsvergoedingen (...). De overige kosten vallen ten laste van NV V.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 04/02/2017 - 14:01
Laatst aangepast op: za, 04/02/2017 - 14:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.