-A +A

Rechtsplegingsvergoeding maximumbedrag niet toewijsbaar op grond van aanzienlijk vermogen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 13/11/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
585
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

“De rechtbank stelt vast dat zowel de echtgenoten O., als D. aanspraak maken op het maximumbedrag door te verwijzen naar “de complexiteit van de zaak” en naar “het financieel vermogen van tegenpartij, zijnde in casu een verzekeringsmaatschappij”.

“Dat laatste gaat alvast niet: art. 1022, 3o, Ger.W. zegt uitdrukkelijk dat het argument van de “financiële draagkracht” alleen kan worden gebruikt “om het bedrag van de vergoeding te verminderen”. Iemand die een rechtsplegingsvergoeding moet betalen (of vreest te moeten betalen) kan zich dus beroepen op zijn beperkte financiële draagkracht om de rechtsplegingsvergoeding te doen zakken onder het basisbedrag. Iemand die een rechtsplegingsvergoeding meent te kunnen krijgen, kan echter nooit het feit inroepen dat zijn wederpartij draagkrachtig is om meer te krijgen dan het basisbedrag.

“De rechtbank kan de echtgenoten O. en D. niet volgen in hun bewering dat de complexiteit van de zaak de toekenning van een hoger bedrag dan het basisbedrag zou rechtvaardigen.

“Het ontgaat de rechtbank wat er zo bijzonder complex zou zijn aan deze zaak. Het loutere feit dat er meer dan twee partijen in betrokken zijn, noch het feit dat de procespartijen samen vele tientallen bladzijden conclusies hebben geschreven, heeft tot gevolg dat er sprake is van een complexe zaak. Het betreft immers een puur feitelijke appreciatie door de rechtbank, die moet nagaan of de feitelijke gedragingen van de betrokkenen al dan niet een fout uitmaken die oorzaak is geweest van de schade.

“Bij “complexiteit” wordt gewoonlijk gedacht aan bijzondere procesverwikkelingen (bv. prejudiciële vragen) of aan een veelheid aan rechtsvragen die aanleiding geven tot uitvoerige conclusies (H. Lamon, “Verhaalbaarheid advocatenkosten”, NjW 2007-08, 434 e.v., in het bijzonder nr. 17).

“In elk geval meent de rechtbank dat men dit moet benaderen als een “objectief” criterium. Daarmee bedoelt de rechtbank dat zij gebeurlijk moet oordelen over de vraag of een zaak objectief bekeken “complex” is en eventueel kan afwijken van het basisbedrag (naar onder of naar boven) indien de zaak volgens haar meer (of minder) dan “gemiddeld complex” is. Het is niet omdat een partij (of partijen) een zaak complex “maakt”/“maken” door tientallen bladzijden conclusies te schrijven dat de zaak objectief bekeken ook complex “is”.

“De voorliggende zaak is naar het oordeel van de rechtbank een “doorsnee”-zaak: ze is niet bijzonder moeilijk, ingewikkeld of complex en ook niet bijzonder simpel. Er is dus geen reden om af te wijken van het basisbedrag. Onder voorbehoud van toepassing van de regel van art. 1022, 5o, Ger.W., die hierna nog zal worden besproken, kunnen de echtgenoten O. en D. naar het oordeel van de rechtbank dus aanspraak maken op de basisbedragen van respectievelijk 400 en 650 euro.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 01/10/2011 - 11:23
Laatst aangepast op: za, 12/11/2011 - 20:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.