-A +A

Rechtsplegingsvergoeding en Raad van State

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 16/07/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1771
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Er werd door de wetgever niet voorzien in een rechtsplegingsvergoeding voor de Raad van State. Dit belet niet dat er na afhandeling van de procedure voor de Raad van State, een procedure voor de burgerlijke rechter wordt gevoerd teneinde de rechtsplegingsvergoeding te bekomen.

Zie De rechtsplegingsvergoeding in procedures voor de Raad van State: goed begonnen is nog steeds slechts half gewonnen
MAES T.G. noot onder voormeld arrest, lees deze noot met paswoord RW.

Tekst van het arrest:

Arrest nr. 118/2009

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 9 oktober 2008 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld:

«Schendt art. 1022 Ger. W., in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de procedures voor de Raad van State en niet van rechtswege recht geeft op minstens de in die bepaling bedoelde gemiddelde rechtsplegingsvergoeding (volgens de bij het K.B. van 21 april 2007 vastgestelde schaal), art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de in het raam van een gerechtelijke procedure in het gelijk gestelde partij automatisch kan worden vergoed voor de in het raam van die procedure gemaakte kosten, terwijl de voor de Raad van State in het gelijk gestelde partij die vergoeding niet kan verkrijgen in het raam van de procedure waarin het geschil is beslecht, maar:

a) een nieuwe procedure dient in te stellen voor de gewone rechtscolleges en bovendien dient aan te tonen dat de cumulatieve voorwaarden van art. 1382 e.v. B.W. daadwerkelijk zijn vervuld om die vergoeding te verkrijgen;

b) in dat geval op basis van de regels van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid de terugbetaling zou kunnen verkrijgen van alle gemaakte kosten verbonden aan de bijstand van een raadsman en geen forfaitaire vergoeding zoals in het geval van een gerechtelijke procedure?».

...

In rechte

...

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en van de draagwijdte van de prejudiciële vraag

B.1. Zoals het is vervangen bij de wet van 21 april 2007 «betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat» en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt art. 1022 Ger. W.:

«De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

«Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

«Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met:

– de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

– de complexiteit van de zaak;

– de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

– het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

«Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

«Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

«Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij».

Krachtens art. 1018 Ger. W. is de rechtsplegingsvergoeding opgenomen in de kosten.

B.2.1. De voormelde wet van 21 april 2007 is in essentie het resultaat van een amendement van de regering op een van de wetsvoorstellen betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van advocaten ingediend in de Senaat. Uit de verantwoording van dat amendement blijkt dat het «essentieel (...) de oplossing betreft die voorgesteld werd door de Orden van advocaten, die het voorwerp was van een gunstig advies van de Hoge Raad voor de Justitie». De wetgever heeft de verhaalbaarheid verankerd «in het procesrecht, in onderhavig geval via de rechtsplegingsvergoedingen, namelijk de forfaitaire bedragen die vastgelegd zijn door de Koning, onder meer in functie van de aard of de belangrijkheid van het geschil» (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 4).

B.2.2. In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht in die aangelegenheid op te treden naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 (Arr. Cass. 2004, 1217) waardoor de kwestie van de verhaalbaarheid «acuut» werd door te erkennen dat de erelonen van de advocaten deel kunnen uitmaken van de vergoedbare schade in het raam van de contractuele aansprakelijkheid (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 30; Parl. St. Kamer, 2006- 2007, DOC 51-2891/002, p. 3). De wetgever heeft vastgesteld dat sinds dat arrest grote rechtsonzekerheid heerste en dat daaraan «zo snel mogelijk» een einde diende te worden gemaakt (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 14): «De rechtspraak is heel uiteenlopend en gaat van de soms eenvoudige verwerping van het beginsel tot de toekenning van hoge bedragen zonder speciale motivering. Bovendien heeft dat arrest vaak tot gevolg dat het tot een proces binnen het proces komt, zowel over het beginsel van de verhaalbaarheid zelf in een of ander geval, als over het bedrag dat hiervoor kan worden toegekend. Op die manier heeft men gezien dat een partij forfaitaire bedragen toegewezen kreeg, terwijl in andere gevallen de gedetailleerde kostenstaten en erelonen van de raadslieden in de debatten werden gebracht, wat fundamentele principiële vragen doet rijzen over het beroepsgeheim» (ibid., p. 13).

In het advies dat hij over de daaromtrent neergelegde wetsvoorstellen heeft uitgebracht, is ook de Hoge Raad voor de Justitie van oordeel dat «de verhaalbaarheid dringend wettelijk geregeld moet worden» (advies goedgekeurd door de algemene vergadering op 25 januari 2006, Parl. St. Senaat, 2005-2006, nr. 3-51/4, p. 4).

B.2.3. Sommige rechtscolleges hebben, nadat zij met de rechtspraak van het Hof van Cassatie werden geconfronteerd, prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof, dat in zijn arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006 voor recht heeft gezegd dat «de ontstentenis van wettelijke bepalingen die toelaten het honorarium en de kosten van een advocaat ten laste te leggen van de eisende partij of van de burgerlijke partij, die in het ongelijk worden gesteld bij een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering, (...) art. 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 6 van het E.V.R.M. schendt», waarbij het heeft gepreciseerd dat «om een einde te maken aan die discriminatie, (...) het aan de wetgever staat te oordelen op welke wijze en in welke mate de verhaalbaarheid van het honorarium en van de kosten van een advocaat dient te worden georganiseerd».

B.3.1. Aan het Hof wordt de vraag gesteld of de in het geding zijnde bepaling discriminerend is, indien zij zou worden geïnterpreteerd als zijnde niet van toepassing op de procedures voor de Raad van State, wat aan de voor dat rechtscollege in het gelijk gestelde partij de verplichting zou opleggen een nieuwe procedure voor de burgerlijke rechter in te stellen teneinde, op grond van art. 1382 e.v. B.W., de terugbetaling van de kosten en de erelonen van haar advocaat te verkrijgen.

B.3.2. Die interpretatie, die berust op een gecombineerde lezing van art. 2 Ger. W., van art. 30, §§ 5 tot 9, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van art. 66 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 «tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State», wordt bevestigd door de rechtspraak van de Raad van State (R.v.St. 4 maart 2008, nr. 180.510; R.v.St. 22 mei 2008, nr. 183.222; R.v.St. 15 juli 2008, nr. 185.410).

...

Ten gronde

B.5. Met de aanneming van de in het geding zijnde bepaling heeft de wetgever een einde willen maken aan de uiteenlopende rechtspraak die is gebleken na het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004. Met de beslissing om het beginsel van de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen verbonden aan de bijstand van een advocaat te verankeren in het procesrecht, veeleer dan in het aansprakelijkheidsrecht, heeft hij rekening gehouden met het voormelde arrest nr. 57/2006 van het Hof.

B.6. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling werd herhaaldelijk het voornemen van de wetgever vermeld om een wetgeving aan te nemen met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van een advocaat voor de Raad van State (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/ 1, p. 3; ibid., nr. 3-1686/5, p. 26 en 30). De afdeling wetgeving van de Raad van State had opgemerkt dat, in het licht van art. 10 en 11 van de Grondwet, zou moeten worden verantwoord waarom de verhaalbaarheid niet zou gelden voor met name de Raad van State (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/3, p. 2). Er werd geantwoord dat die uitbreiding enkel kon voortvloeien uit andere wetten waarvan de totstandkoming het lopende wetgevend proces niet mocht vertragen (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 26).

B.7. Wanneer de wetgever een maatregel neemt om een bestaand verschil in behandeling te verminderen, kan hem niet worden verweten dat hij geen algemene maatregel vaststelt die op iedere vergelijkbare situatie van toepassing is.

B.8. De ontstentenis van een regeling ter zake heeft overigens geen onevenredige gevolgen. De persoon die in het gelijk werd gesteld voor de Raad van State, kan, zoals wordt aangetoond in het vonnis waarbij aan het Hof een vraag wordt gesteld, de zaak aanhangig maken bij de justitiële rechter op grond van art. 1382 B.W. en aanvoeren dat de onwettigheid die hij door de Raad van State heeft laten afkeuren, een fout inhoudt en dat zijn nadeel er onder meer in bestaat dat hij een beroep heeft moeten doen op een advocaat, wat de verwijzende rechter te dezen heeft aangenomen.

B.9. Art. 2 Ger. W. bepaalt:

«De in dit wetboek gestelde regels zijn van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek».

B.10. De Raad van State vermocht, in de in B.3.2 vermelde arresten te oordelen dat, ondanks de regel vervat in art. 2 Ger. W., art. 1022 Ger. W. niet op de Raad van State van toepassing was. Hij vermocht in dat verband te oordelen dat voor de Raad van State de kwestie van de kosten het voorwerp uitmaakt van de in B.3.2 vermelde wettelijke bepalingen, wat uitsluit dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met een soortgelijk voorwerp worden toegepast.

B.11. Wanneer de eis daarentegen wordt ingeleid voor een rechtscollege van de rechterlijke orde en gebaseerd is op art. 1382 B.W., moet dit rechtscollege rekening houden met het feit dat de wetgever zijn wil heeft uitgedrukt om ter zake af te wijken van het beginsel van de volledige schadevergoeding, dat hij heeft geopteerd voor een forfaitaire schadeloosstelling en dat hij die regel heeft ingeschreven in art. 1022, zesde lid, Ger. W., dat bepaalt:

«Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij».

De verwijzende rechter zou de toepassing van die bepaling niet kunnen weren zonder een onverantwoord verschil in behandeling in het leven te roepen ten aanzien van een partij die in het gelijk wordt gesteld in een geschil met een administratieve overheid naargelang zij heeft geopteerd voor een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State of voor een vordering voor een justitiële rechter.

B.12. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling niet onverenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet. Het betreft immers een situatie waaromtrent het de wetgever niet kan worden verweten dat hij ze niet tezelfdertijd heeft geregeld als de aanneming van de wet van 21 april 2007, aangezien, door de gecombineerde toepassing, voor de justitiële rechter, van art. 1382 B.W. en art. 1022 Ger. W., dat verschil in behandeling gevolgen heeft die niet als onevenredig kunnen worden beschouwd.

B.13. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/06/2010 - 23:04
Laatst aangepast op: zo, 20/06/2010 - 23:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.