-A +A

Rechtsplegingsvergoeding en afstand van geding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/06/2017
A.R.: 
C.16.0339.N

In geval van afstand van geding dient de afstanddoende partij in de kosten te worden verwezen. Ddeze kosten de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de wederpartij omvatten. Dit volgt uit de samenhang van de artt. 827, eerste lid, 1027, eerste lid, 1028 en 1022, eerste lid Ger.W.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
778
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.16.0339.N

A.U.d.S.W. t/ Vlaams Gewest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 19 januari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Art. 1017, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens art. 1018 Ger.W. omvatten de kosten onder meer: 6o de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022.

Krachtens art. 1022, eerste lid Ger.W. is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

2. Art. 827, eerste lid Ger.W., dat een bijzondere wet is zoals bedoeld in art. 1017, eerste lid Ger.W., bepaalt dat iedere afstand de verplichting meebrengt tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.

3. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat in geval van afstand van geding de afstanddoende partij in de kosten dient te worden verwezen en dat deze kosten de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de wederpartij omvatten.

4. Het middel dat aanvoert dat de in art. 827, eerste lid Ger.W. bedoelde kosten niet de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in de artt. 1018, 6o, en 1022 Ger.W. omvatten of dat de rechter minstens in concreto moet onderzoeken of de partij die afstand doet beschouwd kan worden als de in het ongelijk gestelde partij, is gebaseerd op een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Tweede middel

Tweede onderdeel

5. Krachtens art. 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt het bedrag van een in geld waardeerbare vordering vastgesteld overeenkomstig de artt. 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Krachtens art. 2, eerste lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen die meer bedragen dan 10.000,01 euro en minder dan 20.000 euro, na tweede indexatie krachtens art. 8 van dit besluit, 1.210 euro.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de vordering van de eiseres in hoger beroep betrekking had op de rechtsplegingsvergoeding van 11.000 euro tot betaling waarvan zij door de eerste rechter was veroordeeld.

De vordering in hoger beroep betrof aldus een in geld waardeerbare vordering, waarvoor het basisbedrag overeenkomstig art. 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding 1.210 euro bedraagt.

7. Door, na afwijzing van het hoger beroep, de eiseres te veroordelen tot betaling van een basisbedrag van 1.320 euro voor de procedure in hoger beroep, schenden de appelrechters de voormelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Kosten

8. Wanneer cassatie wordt uitgesproken zonder verwijzing, doet het Hof uitspraak over de kosten krachtens art. 1111, laatste lid Ger.W.

C.16.0339.N
Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier:

1. Feiten en procedure

De oorspronkelijke dagvaarding ging uit van de vader van eiseres. Na diens overlijden werd het geding hernomen door eiseres, die verklaarde afstand te doen van het geding. Zij voerde daarbij aan dat zij "ongelukkig en ter goeder trouw was" en zij geen rechtsplegingsvergoeding (RPV) verschuldigd was. Verweerder aanvaardde de afstand van geding maar vorderde betaling van de gerechtskosten met inbegrip van de RPV.

In eerste aanleg werd aan eiseres akte van afstand verleend en aan verweerder akte van aanvaarding van de afstand en eiseres werd veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten met inbegrip van RPV. Eiseres stelde hiertegen hoger beroep is en kwam daarbij onder andere op tegen de beslissing over de RPV. Verweerder vorderde het hoger beroep ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de gerechtskosten in eerste aanleg en deze in hoger beroep geraamd op 1210 euro RPV. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Eiseres werd veroordeeld tot de gerechtskosten in eerste aanleg en de RPV in hoger beroep ten bedrage van 1320 euro.

Tegen dit arrest voert eiseres twee middelen aan.

2. Eerste middel

In het eerste middel voert eiseres aan dat de kosten, waartoe de partij veroordeeld wordt na afstand van geding, niet de RPV omvat, nu deze enkel toekomt aan de" in het gelijk gestelde partij".

De RPV is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de in het gelijk gestelde partij. Dit vloeit niet enkel voort uit artikel 1022 Ger.W., maar ook uit artikel 1017, eerste lid Ger.W. naar luid waarvan ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeelt, iuncto artikel 1018, eerste lid ,6° Ger.W. naar luid waarvan de RPV deel uitmaakt van de kosten(1).

Het is niet steeds duidelijk wie in het geding de in het (on)gelijk gestelde partij is, dan wel óf er een in het (on)gelijk gestelde partij in het geding is. Zo werd de vraag of een partij die afstand van geding doet, als in het ongelijk gestelde partij moet aanzien worden en dus ten voordele van de tegenpartij, die dan beschouwd wordt als in het gelijkgesteld, moet veroordeeld worden tot de kosten met inbegrip van de RPV, tot nu toe niet eenduidig beantwoord in rechtspraak en rechtsleer.

De vraag of de partij die afstand doet van geding als in het ongelijk gesteld partij moet beschouwd worden is voor de beslissing tot veroordeling in de kosten niet relevant. Artikel 827 Ger.W. koppelt de veroordeling tot de kosten in dat geval immers los van het begrip "in het ongelijk gestelde partij". Dit artikel, krachtens hetwelk iedere afstand verplichting meebrengt tot het betalen van de kosten, is dus als afwijkende bijzondere wet, zoals bedoeld in artikel 1017, eerste lid Ger.W. te beschouwen.

Blijft dan de vraag of die kosten ook de RPV omvatten, omdat deze uitdrukkelijk gedefinieerd wordt als forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de in het gelijk gestelde partij, en de notie "in het (on) gelijkgestelde partij" dus via deze weg toch indirect opnieuw geïntroduceerd wordt ingeval van afstand van geding.

Het gerechtelijk wetboek bevat geen bepaling die de veroordeling tot de kosten ingeval van afstand van geding anders definieert dan in artikel 1018 Ger.W. Een tekstueel argument om te oordelen dat de RPV geen deel uitmaakt van de kosten ingeval van afstand van geding, bestaat dus niet.

Dan past het te kijken naar de grondslag van de verhaalbaarheid die de wetgever voor ogen had bij het tot stand komen van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat. De wetgever heeft er hierbij niet voor geopteerd de verhaalbaarheid te baseren op het foutcriterium in de materieel-rechterlijke verhouding, noch op een foutcriterium in de procesrechtelijke verhouding. De wetgever opteerde voor de grondslag die het principe van de RPV zelf staaft namelijk een procesrisico, waar onder verstaan moet worden "het risico dat elke partij loopt om haar eis of verweer afgewezen te zien, ongeacht de intrinsieke waarde van de eis of het verweer"(2) .

Dit procesrisico is ook aanwezig in een geding waarvan in een bepaalde fase afstand wordt gedaan. Degene die het initiatief genomen heeft om het geding te voeren, neemt nadien ook het initiatief om van het geding weer afstand te doen, maar dit initiatief heeft er de tegenpartij vaak wel in zekere mate toe verplicht zich te laten bijstaan door een raadsman en de hieruit voortvloeiend financiële verplichtingen te dragen. Mocht de partij die geconfronteerd wordt met een afstand van geding door de tegenpartij geen RPV toegekend krijgen riskeert hij die kosten zelfs niet gedeeltelijk vergoed te zien.

De partij die afstand doet van het geding veroordelen tot de kosten met inbegrip van de RPV strookt in die zin met de billijkheid, maar ook met het responsabiliserings- en efficiëntie argument dat werd aangevoerd bij het tot stand komen van de wet van 21 april 2007(3). De mogelijke veroordeling tot betaling van RPV, verhoogt de inzet van procedures, waardoor partijen meer geresponsabiliseerd zullen worden bij het instellen van procedures en waardoor overbodige procedures zullen teruggedrongen worden(4).

Uit wat voorafgaat blijkt dat, ook ingeval van afstand van geding, de veroordeling tot de kosten de RPV omvat. Gelet op het loskoppelen van het begrip "in het ongelijk gestelde partij" van de afstand van geding, dient de rechter in concreto niet te onderzoeken of de partij die afstand doet kan beschouwd worden als "in het ongelijk gestelde partij".

Het eerste middel, dat in beide gevallen uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht.

3. Tweede middel

De appelrechter veroordeelt eiseres tot de kosten, met inbegrip van de RPV in hoger beroep ten bedrage van 1320 euro. Eiseres voert aan dat de appelrechter met dit oordeel het beschikkingsbeginsel schendt. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt niet dat tussen partijen discussie bestond over het bedrag van de RPV. Verweerder vorderde in synthesebesluiten dat eiseres zou veroordeeld worden tot de kosten van hoger beroep, waarbij de RPV geraamd werd op 1210 euro. Uw Hof heeft reeds eerder geoordeeld(5) dat de RPV onderdeel is van de vordering en de rechter dus niet meer mag toekennen dan gevorderd wordt. In de zaak die voorligt is dit wel gebeurd, zodat eiseres terecht de schending aanvoert van het beschikkingsbeginsel.

Het eerste onderdeel van het tweede middel is gegrond. Het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden behoeft geen antwoord.

Gezien het bedrag van de RPV vaststaat, dient geen verwijzing te gebeuren.

Conclusie: Vernietiging zonder verwijzing in zoverre aan verweerder een RPV werd toegekend boven 1210 euro.
___________________
(1) B.VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Wolters Kluwer, 2016, 7.
(2) I. SAMOY en V. SAGAERT, De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat, RW, 2007-2008, 683.
(3) Zie Hoge Raad voor de Justitie, Advies over de wetsvoorstellen inzake de verhaalbaarheid: terugbetaling van kosten en erelonen van advocaten, 25 januari 2006, p. 9-10.
(4) I. SAMOY en V. SAGAERT, De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat, RW, 2007-2008, 698.
(5) Cass. 18 september 2014, AR C.12.0237.N, AC 2014, nr. 533.
 

Noot: 

• B. Van den Bergh, Over de rechtsplegingsvergoeding bij afstand van geding, hoger beroep inzake de veroordeling tot de gerechtskosten en cassatie zonder verwijzing

• B. Van den Bergh en S. Sobrie, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Mechelen, Kluwer, 2016, p. 7, nr. 7; T. De Haan, «Le point sur ... les désistements», JT 2011, 281-284;

• H. Boularbah, «Les frais et les dépens, spécialement l’indemnité de procédure» in H. Boularbah en F. Georges (eds.), Actualités en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2013, p. 359-360, nr. 18;

• J.-F. Van Drooghenbroeck en B. De Coninck, «La loi du 21 avril 2007 sur la répétabilité des frais honoraires d’avocat», JT 2008, 49)

Rechtspraak

Rechtbank eerste aanleg Gent, 21/04/2009 RW 2009-2010, 682

samenvatting

Bij van afstand van geding is er volgens de rechtbank van eerste aanleg te Gent in eigenlijke zin geen in het gelijk of ongestelde partij. Toch kan de rechter, gelet op de omstandigheden van de zaak een partij als in het gelijk gestelde partij beschouwen en zodoende de andere partij veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding. Evenwel gaat het Cassatiearrest van 9 juni 2017 een stap verder door te stellen dat in geval van afstand van geding de afstanddoende partij in de kosten dient te worden verwezen en dat deze kosten de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de wederpartij omvatten.

tekst van het vonnis

V. t/ M.

...

II. Relevante elementen van het geding

1. De eiseres en de verweerder zijn eigenaars van aanpalende woningen. (...).

2. Daar de eiseres gebouwschade lijdt, beweerdelijk ingevolge verbouwingswerkzaamheden door de verweerder aan zijn woning, stelt zij het onderhavige geding in en beveelt de rechtbank bij tussenvonnis van 27 maart 2007, een deskundigenonderzoek.

3. In de loop van het bedoelde deskundigenonderzoek doet de eiseres, bij conclusie van 9 oktober 2008, afstand van het door haar ingestelde geding.

III. Beoordeling

1. Bij afstand van geding ziet de partij (in casu de eiseres) af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering (in casu bij dagvaarding van 14 februari 2007) of met een tussenvordering, zonder dat het onderliggende (subjectieve) recht (en de rechtsvordering) wordt prijsgegeven (art. 820 Ger. W.). Op die manier wil de eiseres in globo afzien van de begonnen rechtspleging.

Afstand van geding is te allen tijde mogelijk in de loop van het geding.

Het staat buiten kijf dat de advocaat van de eiseres daartoe over de in art. 824, tweede lid, Ger. W. vereiste bijzondere volmacht beschikt.

Voor zover als nodig, neemt de verweerder (bij navolgende conclusie van 6 november 2008) die afstand aan (art. 825 Ger. W.).

2. Daar de rechtbank aan de eiseres/de partijen van de afstand akte verleent, brengt zulks het geschil in dezelfde staat als zou er geen geding zijn geweest (art. 826, eerste lid, Ger. W.).

3. Krachtens art. 827 Ger. W. moet de eiseres de gerechtskosten dragen.

De gerechtskosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in (het bij de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat met ingang op 1 januari 2008 gewijzigde) art. 1022 Ger. W. (art. 1018, 6o, Ger. W.).

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid, Ger. W.).

Hoewel er in casu (strikt gezien) geen daadwerkelijk in het gelijk gestelde partij is, kan, gelet op de context, de verweerder als de in het gelijk gestelde partij worden beschouwd (zie aangaande de rechtsplegingsvergoeding in geval van afstand van geding ook: Brussel 15 april 2008, J.L.M.B. 2008, 1143).

De oorspronkelijke vordering van de eiseres is en was in essentie een (vooralsnog) niet in geld waardeerbare vordering. In dat geval is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.200 euro (art. 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W.).

Mede gelet op de beperkte financiële situatie van de eiseres en op haar verzoek (ook ter terechtzitting van 7 april 2009) herleidt de rechtbank het voormelde basisbedrag tot een bedrag van 500 euro (art. 1022, derde lid, Ger. W.). De beweerde minimale draagkracht van de eiseres blijft echter onbewezen. De rechtbank kan evenmin het beweerde weinig complexe karakter van het voorliggende dossier beamen.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 24/12/2009 - 14:18
Laatst aangepast op: za, 06/01/2018 - 12:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.