-A +A

Rechtsbijstandverzekeraar erelonen begroot volgens de waarde van de zaak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 22/09/2016

Een advocaat mag zijn ereloon ten aanzien van een rechtsbijstandsverzekering begroten rekening houdende of op grond van de waarde van de zaak.

Weliswaar dient rekening gehouden met het WER boek III (Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen) van kracht sinds 9 mei 2014 en met de bepalingen van boek XIV (Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep) van kracht sinds 31 mei 2014, mits deze bepalingen reeds van kracht waren bij het afsluiten van de ereloonstaat.

Art. 2.2 van het protocolakkoord tussen de rechtsbijstandverzekeraars, de OVB en de OBFG van 3 november 2011 dat bepaalt dat de advocaat de rechtsbijstandsverzekeraar voorafgaandelijk moet inlichten over de berekeningswijze van de kosten en erelonen, veronderstelt dat daartoe door de verzekeraar een verzoek wordt gericht tot de advocaat, hetgeen A. hier niet deed.

De Richtlijn nr. 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten kende slechts toepassing in geval van een consument-natuurlijke persoon.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
949
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV A. t/ BVBA V.

...

1. De antecedenten en de vorderingen

De partijen voeren betwisting over de omvang van de ereloonstaat van het advocatenkantoor BVBA V., voor de prestaties uitgevoerd voor de verzekerde in rechtsbijstand bij A., de h. V.H., in een geding tegen diens voormalige werkgever.

Op 21 januari 2014 liet het advocatenkantoor (hierna aangeduid als «de BVBA») A. dagvaarden om te verschijnen voor de Rechtbank van Koophandel te Turnhout (thans te Antwerpen afdeling Turnhout).

Zij vorderde de veroordeling van A. tot betaling van een bedrag van 5.899,01 euro, vermeerderd met de conventionele intresten aan 10% vanaf 2 oktober 2013 op het bedrag van 5.129,57 euro tot aan de dagvaarding en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet, en vermeerderd met de gerechtskosten.

Met het thans bestreden vonnis van 28 november 2014 verklaarde de rechtbank de vordering grotendeels gegrond. A. werd veroordeeld tot betaling van het bedrag van 5.899,01 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de gewone wettelijke intrestvoet vanaf 2 oktober 2013 tot de datum van het vonnis en vanaf dan met de gerechtelijke intresten aan de gewone wettelijke intrestvoet. Zij werd tevens veroordeeld tot de gerechtskosten.

A. tekende hoger beroep aan met een op 28 januari 2015 neergelegd verzoekschrift.

A. is van oordeel dat zij ten onrechte is veroordeeld en zij vordert de volledige afwijzing van de eis van de BVBA als ongegrond. Subsidiair vordert zij dat de eis drastisch wordt herleid zoals uiteengezet in haar brief van 1 oktober 2013.

Haar vordering strekt er ook toe de BVBA te horen veroordelen tot de gerechtskosten van beide aanleggen, minstens te horen zeggen voor recht dat de dagvaardingskosten niet verschuldigd zijn omdat geïntimeerde naliet de zaak voor te leggen aan de balie en/of de gemengde commissie rechtsbijstandsverzekering.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de volledige bevestiging van het eerste vonnis en tot de verwijzing van appellante in de kosten.

2. Beoordeling

1. De dienende feiten kunnen als volgt worden samengevat.

Met het oog op een procedure tegen zijn voormalige werkgever consulteerde de h. V.H. geïntimeerde.

Bij e-mail van 16 april 2013 liet appellante, rechtsbijstandsverzekeraar van de h. V.H., het volgende weten: «Binnen de perken van onze voorwaarden nemen wij uw staat van kosten en erelonen ten laste voor het minnelijk beheer, d.w.z. voor uw minnelijke onderhandelingen met de tegenpartij. Gelieve te noteren dat 20% van elke externe kost ten laste blijft van onze verzekerde en dat het plafond van onze tussenkomst maximaal 12.500 euro bedraagt. Gelieve ons op de hoogte te willen houden van de essentiële stappen dewelke u onderneemt.»

Voor de inleiding van de procedure voor de arbeidsrechtbank is door geïntimeerde een verzoekschrift opgesteld maar de zaak kon met een dading worden geregeld. Een totaal bedrag van 158.256,55 euro werd voor de verzekerde van A. gerecupereerd van de werkgever.

Bij brief van 17 september 2013 werd de volgende staat van kosten en erelonen door geïntimeerde bezorgd aan A.:

158.256,55 euro x 7% 11.077,96 euro Kantoorkosten 856,00 euro Saldo 11.933,96 euro
Hiervan (eigenlijk van de som van 11.911,96 euro) werd de betaalde rechtsplegingsvergoeding van 5.500 euro door geïntimeerde afgetrokken met akkoord van A., zodat zij verzocht om betaling van het saldo van 6.4011,96 euro.

Met e-mails van 1 oktober 2013 heeft A. deze ereloonstaat betwist.

De BVBA handhaafde bij brief van dezelfde datum haar standpunt.

Vervolgens is tot dagvaarding overgegaan, waarbij geïntimeerde haar initiële vordering van 6.411,96 euro in hoofdsom minnelijk heeft herleid met 20% conform het e-mailbericht van 16 april 2013 van A., zodat zij nog een hoofdsom van 5.129,57 euro vorderde. Bijkomend werd een forfaitaire schadevergoeding gevorderd van 15% en conventionele intresten aan 10% vanaf de vervaldag van de ereloonstaat.

2. Niet betwist wordt dat geïntimeerde een rechtstreekse vordering kan instellen tegen A. tot betaling van haar staat van erelonen en kosten. Dit werd trouwens nog bevestigd ter zitting door de raadsman van A. op verzoek van het hof.

3. Evenmin betwist is dat A. met haar e-mailberichten van 1 oktober 2013 tijdig de ereloonstaat heeft geprotesteerd.

Hierbij zijn opmerkingen gemaakt die zowel de wijze van berekening van het ereloon door geïntimeerde als een eenzijdige partijbeslissing betreffen, als over de omvang van het gevorderde bedrag.

Voorts werd aan de BVBA verweten niet de nodige informatie aan A. te hebben bezorgd.

3.1. A. duidt het geïntimeerde ten kwade de erelonen begroot te hebben als een percentage van het verkregen bedrag en is van oordeel dat dit enkel mogelijk was indien daarover vooraf een akkoord werd gesloten.

In de concrete omstandigheden kan het hof dat standpunt niet bijvallen.

Zo A. haar akkoord tot het dragen van de ereloonstaat van geïntimeerde had willen afhankelijk maken van andere elementen dan deze opgenomen in haar mail van 16 april 2013, had ze dit moeten melden. Gezien de concrete bewoordingen van die mail, en gezien het feite dat op het ogenblik de polisvoorwaarden blijkbaar niet ter kennis van geïntimeerde werden gebracht door A., mocht de BVBA ervan uitgaan dat met «Binnen de perken van onze voorwaarden» niet meer of anders werd bedoeld dan (i) dat 20% van de externe kost lastens de verzekerde blijft en (ii) dat het plafond van de tussenkomst maximaal 12.500 euro bedraagt.

Er werden geen ruimere of andere contractuele afspraken dan deze gemaakt.

Bij gebreke aan afspraken en restricties bij de aanvang door A. opgelegd, stond niets eraan in de weg dat geïntimeerde in september 2013 haar staat als een waardetarief heeft opgesteld.

A. heeft de begroting van de ereloonstaat middels een eenzijdige partijbeslissing nooit uitgesloten.

Het hof ziet in dat de BVBA ertoe gehouden was om de polis van V.H. bij A. op te vragen.

Het hof stelt trouwens vast dat zelfs op heden de polis waarnaar A. verwijst, niet wordt bijgebracht, noch wordt aangeduid welke voorwaarden ervan door de BVBA niet zouden zijn nageleefd.

Zo het juist is dat de beoefenaar van een vrij beroep een ondernemer is in de zin van het WER, is het eveneens zo dat de bepalingen van het WER waarnaar appellante verwijst bij de uitvoering van de prestaties door de BVBA en bij het afsluiten van haar ereloonstaat, nog geen toepassing kenden gezien de inwerkingtreding van boek III (Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen) op 9 mei 2014 en van boek XIV (Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep) op 31 mei 2014.

Art. 2.2 van het protocolakkoord tussen de rechtsbijstandverzekeraars, de OVB en de OBFG van 3 november 2011 dat bepaalt dat de advocaat de rechtsbijstandsverzekeraar voorafgaandelijk moet inlichten over de berekeningswijze van de kosten en erelonen, veronderstelt dat daartoe door de verzekeraar een verzoek wordt gericht tot de advocaat, hetgeen A. hier niet deed.

De Richtlijn nr. 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten kende slechts toepassing in geval van een consument-natuurlijke persoon, hetgeen in casu niet zo is.

Vermits er met uitzondering van de twee hoger vermelde beperkingen, in april 2013 tussen A. en geïntimeerde geen andere afspraken waren gemaakt over de wijze van berekening van zijn ereloon, mocht geïntimeerde dit doen bij wijze van waardetarief.

3.2. De bepaling van het ereloon was ook voor de inwerkingtreding van de terzake relevante boeken en bepalingen van het WER niet zonder meer overgelaten aan de advocaat.

Krachtens art. 446ter, eerste lid Ger.W. dienen de advocaten hun ereloon te begroten met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht. In het tweede lid is eraan toegevoegd dat ingeval het ereloon niet met een billijke gematigdheid is vastgesteld, het door de raad van de Orde kan worden verminderd met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk.

De belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk zijn niet-limitatieve criteria door de wetgever aan de advocaat opgelegd om zijn ereloon te begroten. Aangenomen wordt dat ook rekening mag worden gehouden met onder meer het verkregen resultaat, de snelheid en efficiëntie waarmee een zaak is afgehandeld, de complexiteit van de zaak, de verrichte taken etc.

Teneinde aan te tonen dat zijn ereloonstaat kan worden behouden, verwijst geïntimeerde naar het behaalde resultaat, de wijze waarop dit kon behaald worden met name zonder verderzetting van de gerechtelijke procedure, en naar het «prestatieoverzicht» als bijlage gevoegd bij zijn staat van 17 september 2013.

Dit prestatieoverzicht vermeldt de datum van elke prestatie, en de aard ervan, in de periode van 19 februari 2013 tot 16 september 2013.

De prestaties betreffen briefwisseling, opzoekingen, berekeningen van een voorstel en tegenvoorstel, het telefonisch inwinnen van advies bij de FSMA, telefonisch overleg en onderhandelingen met de raadsman van de tegenpartij, nazichten van het dossier, vergadering, redactie van het inleidend verzoekschrift, het opstellen van de overeenkomst van dading en van de overeenkomsten warrants, dossierbeheer en intern overleg.

Niet vermeld is welke precieze tijd aan elke onderscheiden prestatie is besteed, wat het moeilijker maakt om te controleren of de aangerekende som in overeenstemming is met de gedane prestaties.

Niettemin tonen het opgegeven detail van de prestaties en hun frequentie aan dat het dossier arbeidsintensief is geweest teneinde tot de dadingsovereenkomst te kunnen komen. Het enkele feit dat de procedure voor de arbeidsrechtbank niet diende verdergezet te worden en er «niet eens besluiten moesten opgesteld worden» (sic), betekent niet dat de staat van erelonen onverantwoord zou zijn of dat het dossier niet arbeidsintensief zou zijn geweest.

Het resultaat was kennelijk zeer bevredigend voor de cliënt vermits quasi het volledig gevorderde bedrag kon worden gerecupereerd.

Mede rekening gehouden met het feit dat A. in haar brief van 1 oktober 2013 zelf aangeeft dat de toepassing van de «oude» percentages zou leiden tot een ereloon van 13.640,46 euro (dat zij dan weliswaar met 50% herleidt, maar waartoe het hof geen reden ziet), kan worden aanvaard dat de door geïntimeerde gevorderde erelonen in verhouding staan tot de omvang van de geleverde prestaties en met een passende gematigdheid en bescheidenheid werden vastgesteld.

In dat kader merkt het hof trouwens op dat die «oude» percentages die A. aangeeft een degressief systeem betreffen, beginnend aan een percentage van 15% om te eindigen aan 7% voor de bedragen boven de 125.000 euro.

A. blijft ook in haar conclusies voor het hof (p. 8-9) naar die berekening verwijzen.

3.3. Op geen enkel ogenblik vooraleer zij de staat van geïntimeerde protesteerde, heeft A. zich beklaagd over een gebrek aan informatie van de zijde van de BVBA.

Thans kan zij zich niet op dit voorwendsel stoelen om de verschuldigdheid van de staat van erelonen van de BVBA te betwisten.

4. Het ereloon dat door geïntimeerden is aangerekend aan A., kan worden behouden.

Het hoger beroep is ongegrond.

Noot: 

Hof van Beroep Antwerpen, 22 september 2016, RW 2017-2018, 949

Samenvatting

Een advocaat mag zijn ereloon ten aanzien van een rechtsbijstandsverzekering begroten rekening houdende of op grond van de waarde van de zaak.

Weliswaar dient rekening gehouden met het WER boek III (Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen) van kracht sinds  9 mei 2014 en met de bepalingen van boek XIV (Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep) van kracht sinds 31 mei 2014, mits deze bepalingen reeds van kracht waren bij het afsluiten van de ereloonstaat.

Art. 2.2 van het protocolakkoord tussen de rechtsbijstandverzekeraars, de OVB en de OBFG van 3 november 2011 dat bepaalt dat de advocaat de rechtsbijstandsverzekeraar voorafgaandelijk moet inlichten over de berekeningswijze van de kosten en erelonen, veronderstelt dat daartoe door de verzekeraar een verzoek wordt gericht tot de advocaat, hetgeen A. hier niet deed.

De Richtlijn nr. 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten kende slechts toepassing in geval van een consument-natuurlijke persoon.

Tekst arrest

NV A. t/ BVBA V.

...

1. De antecedenten en de vorderingen

De partijen voeren betwisting over de omvang van de ereloonstaat van het advocatenkantoor BVBA V., voor de prestaties uitgevoerd voor de verzekerde in rechtsbijstand bij A., de h. V.H., in een geding tegen diens voormalige werkgever.

Op 21 januari 2014 liet het advocatenkantoor (hierna aangeduid als «de BVBA») A. dagvaarden om te verschijnen voor de Rechtbank van Koophandel te Turnhout (thans te Antwerpen afdeling Turnhout).

Zij vorderde de veroordeling van A. tot betaling van een bedrag van 5.899,01 euro, vermeerderd met de conventionele intresten aan 10% vanaf 2 oktober 2013 op het bedrag van 5.129,57 euro tot aan de dagvaarding en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet, en vermeerderd met de gerechtskosten.

Met het thans bestreden vonnis van 28 november 2014 verklaarde de rechtbank de vordering grotendeels gegrond. A. werd veroordeeld tot betaling van het bedrag van 5.899,01 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de gewone wettelijke intrestvoet vanaf 2 oktober 2013 tot de datum van het vonnis en vanaf dan met de gerechtelijke intresten aan de gewone wettelijke intrestvoet. Zij werd tevens veroordeeld tot de gerechtskosten.

A. tekende hoger beroep aan met een op 28 januari 2015 neergelegd verzoekschrift.

A. is van oordeel dat zij ten onrechte is veroordeeld en zij vordert de volledige afwijzing van de eis van de BVBA als ongegrond. Subsidiair vordert zij dat de eis drastisch wordt herleid zoals uiteengezet in haar brief van 1 oktober 2013.

Haar vordering strekt er ook toe de BVBA te horen veroordelen tot de gerechtskosten van beide aanleggen, minstens te horen zeggen voor recht dat de dagvaardingskosten niet verschuldigd zijn omdat geïntimeerde naliet de zaak voor te leggen aan de balie en/of de gemengde commissie rechtsbijstandsverzekering.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de volledige bevestiging van het eerste vonnis en tot de verwijzing van appellante in de kosten.

2. Beoordeling

1. De dienende feiten kunnen als volgt worden samengevat.

Met het oog op een procedure tegen zijn voormalige werkgever consulteerde de h. V.H. geïntimeerde.

Bij e-mail van 16 april 2013 liet appellante, rechtsbijstandsverzekeraar van de h. V.H., het volgende weten: «Binnen de perken van onze voorwaarden nemen wij uw staat van kosten en erelonen ten laste voor het minnelijk beheer, d.w.z. voor uw minnelijke onderhandelingen met de tegenpartij. Gelieve te noteren dat 20% van elke externe kost ten laste blijft van onze verzekerde en dat het plafond van onze tussenkomst maximaal 12.500 euro bedraagt. Gelieve ons op de hoogte te willen houden van de essentiële stappen dewelke u onderneemt.»

Voor de inleiding van de procedure voor de arbeidsrechtbank is door geïntimeerde een verzoekschrift opgesteld maar de zaak kon met een dading worden geregeld. Een totaal bedrag van 158.256,55 euro werd voor de verzekerde van A. gerecupereerd van de werkgever.

Bij brief van 17 september 2013 werd de volgende staat van kosten en erelonen door geïntimeerde bezorgd aan A.:

158.256,55 euro x 7% 11.077,96 euro Kantoorkosten 856,00 euro Saldo 11.933,96 euro
Hiervan (eigenlijk van de som van 11.911,96 euro) werd de betaalde rechtsplegingsvergoeding van 5.500 euro door geïntimeerde afgetrokken met akkoord van A., zodat zij verzocht om betaling van het saldo van 6.4011,96 euro.

Met e-mails van 1 oktober 2013 heeft A. deze ereloonstaat betwist.

De BVBA handhaafde bij brief van dezelfde datum haar standpunt.

Vervolgens is tot dagvaarding overgegaan, waarbij geïntimeerde haar initiële vordering van 6.411,96 euro in hoofdsom minnelijk heeft herleid met 20% conform het e-mailbericht van 16 april 2013 van A., zodat zij nog een hoofdsom van 5.129,57 euro vorderde. Bijkomend werd een forfaitaire schadevergoeding gevorderd van 15% en conventionele intresten aan 10% vanaf de vervaldag van de ereloonstaat.

2. Niet betwist wordt dat geïntimeerde een rechtstreekse vordering kan instellen tegen A. tot betaling van haar staat van erelonen en kosten. Dit werd trouwens nog bevestigd ter zitting door de raadsman van A. op verzoek van het hof.

3. Evenmin betwist is dat A. met haar e-mailberichten van 1 oktober 2013 tijdig de ereloonstaat heeft geprotesteerd.

Hierbij zijn opmerkingen gemaakt die zowel de wijze van berekening van het ereloon door geïntimeerde als een eenzijdige partijbeslissing betreffen, als over de omvang van het gevorderde bedrag.

Voorts werd aan de BVBA verweten niet de nodige informatie aan A. te hebben bezorgd.

3.1. A. duidt het geïntimeerde ten kwade de erelonen begroot te hebben als een percentage van het verkregen bedrag en is van oordeel dat dit enkel mogelijk was indien daarover vooraf een akkoord werd gesloten.

In de concrete omstandigheden kan het hof dat standpunt niet bijvallen.

Zo A. haar akkoord tot het dragen van de ereloonstaat van geïntimeerde had willen afhankelijk maken van andere elementen dan deze opgenomen in haar mail van 16 april 2013, had ze dit moeten melden. Gezien de concrete bewoordingen van die mail, en gezien het feite dat op het ogenblik de polisvoorwaarden blijkbaar niet ter kennis van geïntimeerde werden gebracht door A., mocht de BVBA ervan uitgaan dat met «Binnen de perken van onze voorwaarden» niet meer of anders werd bedoeld dan (i) dat 20% van de externe kost lastens de verzekerde blijft en (ii) dat het plafond van de tussenkomst maximaal 12.500 euro bedraagt.

Er werden geen ruimere of andere contractuele afspraken dan deze gemaakt.

Bij gebreke aan afspraken en restricties bij de aanvang door A. opgelegd, stond niets eraan in de weg dat geïntimeerde in september 2013 haar staat als een waardetarief heeft opgesteld.

A. heeft de begroting van de ereloonstaat middels een eenzijdige partijbeslissing nooit uitgesloten.

Het hof ziet in dat de BVBA ertoe gehouden was om de polis van V.H. bij A. op te vragen.

Het hof stelt trouwens vast dat zelfs op heden de polis waarnaar A. verwijst, niet wordt bijgebracht, noch wordt aangeduid welke voorwaarden ervan door de BVBA niet zouden zijn nageleefd.

Zo het juist is dat de beoefenaar van een vrij beroep een ondernemer is in de zin van het WER, is het eveneens zo dat de bepalingen van het WER waarnaar appellante verwijst bij de uitvoering van de prestaties door de BVBA en bij het afsluiten van haar ereloonstaat, nog geen toepassing kenden gezien de inwerkingtreding van boek III (Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen) op 9 mei 2014 en van boek XIV (Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep) op 31 mei 2014.

Art. 2.2 van het protocolakkoord tussen de rechtsbijstandverzekeraars, de OVB en de OBFG van 3 november 2011 dat bepaalt dat de advocaat de rechtsbijstandsverzekeraar voorafgaandelijk moet inlichten over de berekeningswijze van de kosten en erelonen, veronderstelt dat daartoe door de verzekeraar een verzoek wordt gericht tot de advocaat, hetgeen A. hier niet deed.

De Richtlijn nr. 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten kende slechts toepassing in geval van een consument-natuurlijke persoon, hetgeen in casu niet zo is.

Vermits er met uitzondering van de twee hoger vermelde beperkingen, in april 2013 tussen A. en geïntimeerde geen andere afspraken waren gemaakt over de wijze van berekening van zijn ereloon, mocht geïntimeerde dit doen bij wijze van waardetarief.

3.2. De bepaling van het ereloon was ook voor de inwerkingtreding van de terzake relevante boeken en bepalingen van het WER niet zonder meer overgelaten aan de advocaat.

Krachtens art. 446ter, eerste lid Ger.W. dienen de advocaten hun ereloon te begroten met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht. In het tweede lid is eraan toegevoegd dat ingeval het ereloon niet met een billijke gematigdheid is vastgesteld, het door de raad van de Orde kan worden verminderd met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk.

De belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk zijn niet-limitatieve criteria door de wetgever aan de advocaat opgelegd om zijn ereloon te begroten. Aangenomen wordt dat ook rekening mag worden gehouden met onder meer het verkregen resultaat, de snelheid en efficiëntie waarmee een zaak is afgehandeld, de complexiteit van de zaak, de verrichte taken etc.

Teneinde aan te tonen dat zijn ereloonstaat kan worden behouden, verwijst geïntimeerde naar het behaalde resultaat, de wijze waarop dit kon behaald worden met name zonder verderzetting van de gerechtelijke procedure, en naar het «prestatieoverzicht» als bijlage gevoegd bij zijn staat van 17 september 2013.

Dit prestatieoverzicht vermeldt de datum van elke prestatie, en de aard ervan, in de periode van 19 februari 2013 tot 16 september 2013.

De prestaties betreffen briefwisseling, opzoekingen, berekeningen van een voorstel en tegenvoorstel, het telefonisch inwinnen van advies bij de FSMA, telefonisch overleg en onderhandelingen met de raadsman van de tegenpartij, nazichten van het dossier, vergadering, redactie van het inleidend verzoekschrift, het opstellen van de overeenkomst van dading en van de overeenkomsten warrants, dossierbeheer en intern overleg.

Niet vermeld is welke precieze tijd aan elke onderscheiden prestatie is besteed, wat het moeilijker maakt om te controleren of de aangerekende som in overeenstemming is met de gedane prestaties.

Niettemin tonen het opgegeven detail van de prestaties en hun frequentie aan dat het dossier arbeidsintensief is geweest teneinde tot de dadingsovereenkomst te kunnen komen. Het enkele feit dat de procedure voor de arbeidsrechtbank niet diende verdergezet te worden en er «niet eens besluiten moesten opgesteld worden» (sic), betekent niet dat de staat van erelonen onverantwoord zou zijn of dat het dossier niet arbeidsintensief zou zijn geweest.

Het resultaat was kennelijk zeer bevredigend voor de cliënt vermits quasi het volledig gevorderde bedrag kon worden gerecupereerd.

Mede rekening gehouden met het feit dat A. in haar brief van 1 oktober 2013 zelf aangeeft dat de toepassing van de «oude» percentages zou leiden tot een ereloon van 13.640,46 euro (dat zij dan weliswaar met 50% herleidt, maar waartoe het hof geen reden ziet), kan worden aanvaard dat de door geïntimeerde gevorderde erelonen in verhouding staan tot de omvang van de geleverde prestaties en met een passende gematigdheid en bescheidenheid werden vastgesteld.

In dat kader merkt het hof trouwens op dat die «oude» percentages die A. aangeeft een degressief systeem betreffen, beginnend aan een percentage van 15% om te eindigen aan 7% voor de bedragen boven de 125.000 euro.

A. blijft ook in haar conclusies voor het hof (p. 8-9) naar die berekening verwijzen.

3.3. Op geen enkel ogenblik vooraleer zij de staat van geïntimeerde protesteerde, heeft A. zich beklaagd over een gebrek aan informatie van de zijde van de BVBA.

Thans kan zij zich niet op dit voorwendsel stoelen om de verschuldigdheid van de staat van erelonen van de BVBA te betwisten.

4. Het ereloon dat door geïntimeerden is aangerekend aan A., kan worden behouden.

Het hoger beroep is ongegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/02/2018 - 15:02
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.