-A +A

Rechtmatige verwachting versus onverschuldigde betaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 26/05/2003

De leer van de rechtmatige verwachting belet niet zomaar een vordering wegens onverschuldigde betaling.

Onwettig is het arrest dat beslist dat er geen grond bestaat tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde en dat berust op de eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
19
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.01.0108.F.-
KAS VOOR KINDERBIJSLAG nr. 2, vereniging zonder winstoogmerk,

tegen
G.-Z. M.

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 22 maart 2001 gewe-zen door het Arbeidshof te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddel

Eiseres voert een middel aan :

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 47 van de bij koninklijk besluit van 19 december 1939 gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders ;
- artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek ;
- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen en redenen

Enerzijds beslist het arrest "dat het vaststaat dat (eiseres) eind 1992-begin 1993 twee vergissingen heeft begaan : enerzijds heeft zij haar beslissing van 10 december 1992 niet ter kennis gebracht aan (verweerster) en, anderzijds, heeft zij aan de bevoegde dienst niet de nodige richtlijnen gegeven om de betaling van de verhoogde bijslagen stop te zetten".

En, anderzijds, maakt het arrest tussen de verhoogde uitkeringen een onderscheid naargelang zij na dan wel voor 23 december 1994 zijn betaald. Wat laatstgenoemd tijdvak betreft beslist het arrest het volgende :

"Het is onmogelijk de aanvangsdatum van de onverschuldigde stortingen en, derhalve, de hoegrootheid van het onverschuldigd betaalde bedrag te bepalen.
Het is echter nutteloos de aanvangsdatum van de onverschuldigde betalingen en, derhalve, het juiste bedrag van het onverschuldigd betaalde bedrag na te gaan, aangezien, om de hieronder uiteengezette redenen, de bedragen die voor 23 december 1994 zijn betaald niet als onverschuldigd dienen te worden teruggevorderd (...).

De eerste rechter grondt zijn beslissing op de leer van de 'gewettigde verwachting' die haar oorsprong vindt in de fundamentele behoefte aan zekerheid.
(...) Dat beginsel van de 'gewettigde verwachting' kan te dezen niet met goed gevolg worden toegepast (...).

Te dezen kan de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde niet op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid worden beschouwd als een door (verweerster) geleden schade daar zij zich onrechtmatig heeft verrijkt.

Maar, (...), ook al omvat de buitencontractuele aansprakelijkheid, zoals zij in het Burgerlijk Wetboek geregeld wordt, niet het gehele vraagstuk van de aansprakelijkheid in de ruimste betekenis van het woord, toch kan de kwestie van de aansprakelijkheid op een algemener niveau worden onderzocht en kan aldus een beginsel met een ruimere draagwijdte worden aangewezen, dat niettemin nauwkeurig en concreet genoeg is om nuttige gevolgen te hebben in het positief recht.

Dat beginsel is omschreven (...) als het beginsel van de "eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander' (...).

Overeenkomstig dat beginsel vloeit uit 'de verwachting die de ene persoon om een wettige reden koestert jegens een ander' 'voor laatstgenoemde de verplichting voort om daaraan het verwachte gevolg te verlenen'.

Te dezen kan op grond van de hierboven uiteengezette feiten van de zaak (...) worden aangenomen dat de betrokkene wettige redenen had om te denken dat de verhoogde bijslagen voor haar zoon een verkregen recht waren en dat zij derhalve terecht mocht ervan uitgaan dat de kas achteraf van haar niet de terugbetaling van een onverschuldigd betaald bedrag zou eisen.

Die gewettigde verwachting aan de zijde van (verweerster) brengt voor de kas de verplichting mee om die verwachting in te lossen en afstand te doen van haar eis tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag.

Niettemin rijst de vraag welke invloed de goede afloop van de chirurgische ingreep van 21 juni 1991 (...) redelijkerwijs moest hebben op de geestestoestand van de moeder en op de mate waarin haar verwachtingen omtrent de ontvangst van de verhoogde bijslagen gewettigd waren.

Wat het tijdvak voor 23 december 1994 betreft heeft het (arbeids)hof redenen om aan te nemen dat de invloed van de chirurgische ingreep op de handicap door (verweerster) niet duidelijk kon worden ingeschat.

Die handicap bleek immers door de kas niet te worden betwist, aangezien zij haar beslissing van 10 december 1992, die gegrond was op de bezwaren van de geneesheer-hoofd van dienst van het ministerie van Sociale Voorzorg, niet ter kennis had gebracht.

Bovendien is voor een leek, te dezen voor een persoon van eerder bescheiden afkomst en, meer nog, voor de ongeruste moeder van een gehandicapt kind de evolutie van een medische parameter met betrekking tot dat kind niet zonder meer duidelijk.

De verwachting op grond waarvan de ten onrechte ontvangen bijslagen niet dienen te worden terugbetaald kan evenwel niet meer als gewettigd worden beschouwd vanaf het ogenblik dat duidelijk bleek dat het kind genezen was, wat bewezen wordt aan de hand van het attest van 13 februari 1997 waarin de datum van genezing wordt vastgesteld op 23 december 1994 (...).

Op dat ogenblik wist (verweerster) of diende zij te weten dat haar zoon niet langer gehandicapt was en dat hij bijgevolg geen recht meer had op de verhoogde kinderbijslag.

Tot slot dient (eiseres), krachtens het beginsel van de eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander, tot 23 december 1994 het verwachte gevolg te geven aan de gewettigde verwachting van (verweerster) volgens welke zij de onverschuldigd ontvangen, verhoogde kinderbijslag voor gehandicapte kinderen niet diende terug te betalen".

En bijgevolg beslist het arrest dat "(verweerster) de tussen 1 januari 1993 en 22 december 1994 betaalde verhoogde kinderbijslag voor een gehandicapt kind, definitief kan behouden".

Grieven

1. Eerste onderdeel

De hierboven weergegeven motivering geeft geen duidelijk antwoord op de vraag of het arbeidshof heeft beslist dat verweerster de tot 22 december 1994 betaalde verhoogde kinderbijslag kan behouden omdat die werkelijk verschuldigd was dan wel dat die bijslag onverschuldigd was betaald maar niet diende te worden teruggevorderd op grond van de uitsluitende toepassing van het zogezegde beginsel van de "eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander".

Die dubbelzinnigheid staat gelijk met een gebrek aan redengeving (schending van artikel 149 van de Grondwet).

2. Tweede onderdeel

Indien het arrest aldus moet worden uitgelegd dat het betekent dat de uitkeringen tot 22 december 1994 onverschuldigd zijn betaald, is het niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek en 149 van de Grondwet) of, in elk geval stelt het arrest het Hof niet in staat de wettigheid ervan na te gaan (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Enerzijds immers dient voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde slechts aan twee voorwaarden te zijn voldaan - het bestaan van een betaling en het onverschuldigd karakter ervan - , zodat het geen belang heeft dat de onverschuldigde storting te wijten is aan een niet verschoonbare vergissing ; daaruit volgt dat de reden van het arrest volgens welke "het vaststaat dat (eiseres) eind 1992-begin 1993 twee vergissingen heeft begaan", geen invloed heeft op het onverschuldigd karakter van de betaling van de verhoogde kinderbijslag (schending van de artikelen 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek).

Anderzijds geeft het arrest geen wettelijke grondslag aan het beginsel van de "eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander", welk beginsel het arbeidshof te dezen toepast na het beginsel van "het gewettigde vertrouwen" te hebben verworpen ; bovendien is de eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander geen algemeen rechtsbeginsel waarvan de toepassing de verwijzing naar een welbepaalde wetsbepaling overbodig zou maken.

De beslissing van het arrest volgens welke verweerster de tussen 1 januari 1993 en 22 december 1994 betaalde verhoogde kinderbijslag definitief kan behouden, berust dus op redenen die niet naar recht verantwoord zijn. In elk geval kan het Hof ten gevolge hiervan de beslissing niet op haar wettigheid toetsen (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Ten slotte is het middel, waarin de schending van artikel 149 van de Grondwet wordt aangevoerd doordat het het Hof niet in staat stelt zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, van openbare orde ; het kan voor de eerste maal voor het Hof worden voorgedragen.

IV. Beslissing van het Hof

Het middel :

Eerste onderdeel :

Overwegende dat uit de motivering van het arrest ondubbelzinnig blijkt dat het arbeidshof zijn beslissing heeft gegrond op de "eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander" ;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;

Tweede onderdeel :

Overwegende dat het arrest, door te beslissen dat eiseres afstand moet doen van haar eis tot terugbetaling van de bedragen die aan verweerster vanaf 1 januari 1993 tot 22 december 1994 onverschuldigd zijn betaald als verhoogde kinderbijslag voor gehandicapte kinderen en zich daartoe baseert op de leer van de "eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van een ander", de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek schendt ;

Dat, in zoverre, het onderdeel gegrond is ;

OM DIE REDENEN,

HET HOF

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen voor het tijdvak van 1 januari 1993 tot 22 december 1994 en over de kosten ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiseres in de kosten ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Luik.


S.01.0108.F
Eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ heeft in hoofdzaak gezegd:

1. Ik ben van mening dat het tweede onderdeel van het enig middel in de volgende mate gegrond is.
Niet naar recht verantwoord is het arrest dat, zoals te dezen, beslist dat er geen grond bestaat tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde en dat berust op de eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander.
Een dergelijk arrest schendt de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek; het miskent ze.

2. In verschillende, in andere zaken genomen conclusies heb ik reeds de gelegenheid gehad de volgende regels naar voren te brengen die de door mij voorgestelde oplossing verantwoorden.

1) Het wettelijkheidsbeginsel kan nooit worden geweerd omdat het rechtstreeks gegrond is op een grondwetstekst, namelijk artikel 159 van de Grondwet (1).

2) Het wettelijkheidsbeginsel komt weliswaar niet in het gedrang wanneer het bestuur een gedragsregel volgt i.v.m. een feitenkwestie (2), maar de kwestie i.v.m. de terugvordering van het onverschuldigd betaalde is geen feitenkwestie.

3) Ongetwijfeld kan de voorrang van het wettelijkheidsbeginsel, ook al is hij in rechte juist, onaangename gevolgen hebben vanuit het oogpunt van de billijkheid. De rechtzoekende tegen wie het wettelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd kan nochtans altijd pogen het te omzeilen door zich te beroepen op het gemeen recht van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. In andere zaken heb ik gewezen op de verwachting die voor de verkrijger kan voortvloeien uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (3). In één van die zaken heeft het Hof trouwens zelf beslist dat de rechter, gelet op de omstandigheden van de zaak, zonder de wettelijke en verordenende bepalingen betreffende de sociale zekerheid der loontrekkenden te schenden, kan beslissen dat het gedrag van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat beoordeeld wordt volgens het criterium van het orgaan van een normaal zorgvuldige en voorzichtige openbare instelling, die in dezelfde toestand verkeert, kan worden beschouwd als een verkeerde handelwijze waarvoor hij buitencontractueel aansprakelijk kan worden gesteld (4). Te dezen evenwel heeft het arbeidshof uitdrukkelijk de toepassing van de buitencontractuele aansprakelijkheid afgewezen.

3. Hieraan voeg ik nog toe dat ik, gelet op de in het bestreden arrest omschreven omstandigheden, ernstige twijfels koester over de vraag of het wel nuttig is een beroep te doen op een zogezegd (5) algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van de gewettigde verwachtingen van de ander. Zelfs als die eerbiediging een algemeen rechtsbeginsel wordt genoemd, zie ik het belang van dat beginsel hier niet in, enerzijds, omdat het samenvalt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die minder vaag zijn (6), en, anderzijds, omdat de rechter hoe dan ook een algemeen rechtsbeginsel niet mag laten voorgaan boven een ander dat berust op een schriftelijke tekst van een hogere rang, te dezen het wettelijkheidsbeginsel dat, ik herhaal het, rechtstreeks gegrond is op artikel 159 van de Grondwet (7).

4. Het bestreden arrest dient dus te worden vernietigd, in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen voor het tijdvak van 1 januari 1993 tot 22 december 1994 en, eventueel, in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

5. Het onderzoek van het eerste onderdeel heeft m.i. geen belang, daar het niet tot ruimere cassatie kan leiden.

6. Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding (Artt. 580, 2°, 1017, tweede lid, en 1111, vierde lid, Ger.W.).

Besluit: gedeeltelijke vernietiging
ARREST (vertaling)
(1) Concl. O.M., cass. 6 nov. 2000, AR. F.99.0108.F, nr. 598, inzonderheid nr. 8 van de concl.
(2) Concl. O.M, cass. 3 juni 2002, AR. F.01.0044.F, nr....., inzonderheid nr. 2 van de concl.
(3) Concl. O.M., cass., 6 nov. 2000, AR. F.99.0108.F, nr. 598, inzonderheid nr. 8 van de concl.; concl.
O.M., cass., 25 nov. 2002, AR. S.00.0036.F, nr...., inzonderheid nrs. 5 en 6 van de concl.
(4) Cass., 25 nov. 2002, AR. S.00.0036.F, nr..., met concl. O.M.
(5) Zie evenwel X. DIEUX, 'Le respect dû aux anticipations légitimes d'autrui', Brussel-Parijs, 1995, nr. 112, p. 253.
(6) Concl. O.M., cass., 14 maart 1994, AR. S.93.0097.F, nr. 119, inzonderheid nr. 6 van de concl.
(7) I.v.m. de verhouding tussen het beginsel van het gewettigd vertrouwen en het wettelijkheidsbeginsel, zie recent V. SCORIELS, 'Le principe de confiance légitime en matière fiscale et la jurisprudence de la Cour de cassation', J.T. 2003, pp. 304 tot 308, nrs. 13 tot 38, en p. 310, nrs. 43 tot 45; H. VANDEBERGH, 'Grenzen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel', Tijdschrift voor Fiscaal Recht (maart 2003), p. 218.
Wet / 1994-02-17 / Artt.1235,1376 / /
http://jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20030526-10...
 

Noot: 
V. Sagaert; Onverschuldigde betaling en het rechtmatig vertrouwen van de accipiens (onder dit arrest in het RW)
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 21/04/2016 - 11:48
Laatst aangepast op: di, 31/10/2017 - 16:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.