-A +A

Rechterlijke maatregel van inwendige orde is beslissingen waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of erop vooruitloopt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 22/05/2017

Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek geldt slechts voor de beslissingen waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of erop vooruitloopt, zodat de beslissing geen enkele partij een onmiddellijk nadeel kan berokkenen; het beroepen vonnis dat uitspraak doet over de betwisting tussen partijen over de samenhang tussen de onderscheiden vorderingen doet uitspraak over een juridisch geschilpunt en is geen maatregel van inwendige aard.

Maatregelen van inwendige orde betreffen in essentie administratieve procesbehandelingen die de rechter stelt in het belang van een goede rechtsbedeling en die ertoe strekken de zaak in staat van wijzen te brengen, zonder dat de zaak er als zodanig door wordt beïnvloed. Zij strekken tot voorbereiding van de zaak zonder een oordeel in te houden. Zij beogen een snelle en efficiënte rechtsbedeling en dienen op die manier het algemene belang. Verzet en hoger beroep zijn uitgesloten, omdat nog geen beslissing is genomen over het geschil tussen de partijen.

De ratio van de uitsluiting van verzet en hoger beroep heeft betrekking op het gebrek aan belang dat een partij heeft bij het aanvechten van de beslissing. Wat de maatregelen van inwendige orde en het soort vonnissen alvorens recht te doen, zoals het bevel tot persoonlijke verschijning, gemeen hebben, is dat de rechter er in beginsel geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen.

Dit neemt niet weg dat deze beslissingen enigszins nadelig kunnen aanvoelen.

Ter vrijwaring van het recht op verzet en hoger beroep past een enigszins restrictieve uitlegging van het concept “maatregel van inwendige aard”

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
397
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(VMH C. BVBA / G., G.A. BVBA en G. NV - Rolnr.: C.16.0441.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 januari 2016.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 4 april 2017 verwezen naar de 3de kamer.

II. Cassatiemiddel

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen van inwendige aard niet vatbaar voor hoger beroep.

Die bepaling geldt slechts voor de beslissingen waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of erop vooruitloopt, zodat de beslissing geen enkele partij een onmiddellijk nadeel kan berokkenen.

Het beroepen vonnis dat uitspraak doet over de betwisting tussen partijen over de samenhang tussen de onderscheiden vorderingen doet uitspraak over een juridisch geschilpunt en is geen maatregel van inwendige aard.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat partijen betwisting hebben gevoerd over de door de eiseres in haar dagvaarding vooropgestelde samenhang en bundeling van vorderingen. Waar de eiseressen bij betwisting of afwezigheid van samenhang, aandrongen op de opsplitsing van het geschil, heeft de verweerster de samenhang betwist maar zich aangesloten bij de door de eiseressen vooropgestelde sanctie.

De appelrechters stellen met verwijzing naar het beroepen vonnis vast dat de twee vorderingen betreffende onderscheiden werven uitgaande van de rechtsvoorganger van de eiseres door het beroepen vonnis werden gesplitst met een afzonderlijk rolnummer.

Zij oordelen dat “geen betwisting werd gevoerd omtrent de samenhang of splitsing van de gebundeld aangebrachte zaken en dat laatste zelfs uitdrukkelijk naar recht werd gesuggereerd” en dat de beroepen beslissing een beslissing van inwendige aard uitmaakt in de zin van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek.

3. Door te oordelen dat geen betwisting werd gevoerd miskennen de appelrechters de bewijskracht van de conclusie.

Door vervolgens te oordelen dat de beroepen beslissing een beslissing van inwendige aard uitmaakt in de zin van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, schenden zij voormeld artikel. De vaststelling dat partijen het in subsidiaire orde eens waren over de toe te passen sanctie voor het geval de rechtbank geen samenhang zou aannemen doet hieraan niets af.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

VOORZIENING IN CASSATIE

(…)

II. Feiten en retroacta van de procedure
1. De eiseres is een onderneming gespecialiseerd in projectmanagement en bouwcoördinatie.

De eerste verweerster deed op de eiseres een beroep voor de projecten “Regenboogstadion” en “Redevco”.

2. Met een dagvaarding van 7 april 2015 vorderde de eiseres voor de rechtbank van koophandel te Gent:

- met een bij voorraad uitvoerbaar tussenvonnis met uitsluiting van de rechten van kantonnement en borgtocht aan de eerste verweerster de verplichting op te leggen aan de eiseres 11.273,53 EUR te betalen, meer de interest aan het wettelijk handelstarief vanaf 3 april 2015 op de hoofdsom van 10.395 EUR, en de kosten van het exploot van dagvaarding inclusief het rolrecht te voldoen;

- voor de verdere in staat stelling een gedingkalender met twee conclusietermijnen voor de eerste verweerster en een tussentijdse repliekmogelijkheid voor de eiseres en bijhorende pleitdatum vast te stellen;

- vervolgens, met een bij voorraad uitvoerbaar eindvonnis met uitsluiting van de rechten van kantonnement en borgtocht aan de eerste verweerster de verplichting op te leggen aan de eiseres de som van 95.627,07 EUR te betalen, meer de interest, en een rechtsplegingsvergoeding begroot op 5.500 EUR.

In de procedure voor de rechtbank van koophandel betwistte de eerste verweerster dat de vorderingen van de eiseres die enerzijds voortvloeiden uit het project “Regenboogstadion” en anderzijds uit het project “Redevco” als samenhangende vorderingen konden worden behandeld. Ook betwistte zij dat de zaak bij korte debatten kon worden behandeld.

Op 12 mei 2015 liet de eerste verweerster de tweede verweerster dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, dit in het kader van het project “Regenboogstadion”.

In een tussenvonnis van 25 juni 2015 splitste de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Kortrijk, de vorderingen die door de eiseres als samenhangend werden ingeleid en zegde de rechtbank voor recht dat:

- de vordering tot betaling van de aan de eiseres eventueel toekomende vergoedingen met betrekking tot de werf Redevco verder zal worden behandeld onder het rolnr. A/15/1689;

- de vordering tot betaling van de aan de eiseres eventueel toekomende vergoedingen met betrekking tot de werf Regenboogstadion met de in gedwongen tussenkomst en vrijwaring gedagvaarde tweede verweerster zal worden behandeld onder een nieuw toe te kennen rolnummer, na vereffening van de rolrechten;

- de vordering tot betaling van de aan de eiseres eventueel toekomende vergoedingen met betrekking tot de werf Redevco niet in korte debatten kunnen worden behandeld, en verwees de rechtbank de beide zaken naar de zitting van 11 september 2015.

3. Tegen dat tussenvonnis tekende de eiseres hoger beroep aan.

In een arrest van 29 januari 2016 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt het hof de eiseres tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Tegen dat arrest voert de eiseres het volgende middel tot cassatie aan.

III. Middelen
Enig middel
Middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 616, 1046 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 19 oktober 2015;

- voor zoveel als nodig, de artikelen 30 en 701 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing
In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt het de eiseres tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle overwegingen en motieven waarop zij steunen, die hier als integraal hernomen worden beschouwd, en in het bijzonder op de volgende overwegingen:

“2. M.b.t. de beroepen beslissing van de afdelingsvoorzitter om de 2 vorderingen van [de eiseres] gesplitst onder afzonderlijk rolnummer en niet in korte debatten (art. 735 Ger.W.) te laten behandelen door de 7de kamer van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, volgens de er te regelen procedure o.g.v. artikel 747, § 2 Ger.W.:

Door [de eiseres] werden 2 vorderingen (werf/Redevco resp. werf/Regenboogstadion) gebundeld gedagvaard, waarbij tevens werd voorgehouden dat (omstandig verwijzend naar rechtsleer) bij ontstentenis van samenhang het geschil dient te worden opgesplitst (nr. 26, p. 11-12 dagvaarding).

Waar aldus op zich geen betwisting werd gevoerd omtrent de samenhang of splitsing van de gebundeld aangebrachte zaken en dat laatste zelfs uitdrukkelijk naar recht werd gesuggereerd, betreft de beroepen beslissing geen betwiste rechtsvraag doch een beslissing van inwendige aard in de zin van artikel 1046 Ger.W., niet vatbaar zijnde voor hoger beroep.

Ook de beslissing omtrent de rechtspleging in korte debatten is zelf niet vatbaar voor enig rechtsmiddel (art. 735, § 6 Ger.W.).

3. Alle verdere excepties, conclusies en middelen kunnen aan het voorgaande niets veranderen en worden, gelet op het voorgaande verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant.” (p. 3 van het bestreden arrest).

Grieven
1.1. Een authentieke of onderhandse akte is met toepassing van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek bewijskrachtig tussen de partijen. De rechter is krachtens die artikelen gehouden de bewijskracht van de akten te eerbiedigen.

1.2.1. Luidens artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte worden ingesteld.

Overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. De samenhang staat ter vrije beoordeling van de rechter.

1.2.2. Luidens artikel 616 van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen ieder vonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

Ook artikel 1050, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 19 oktober 2015, bepaalt dat in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

Artikel 1050, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie die in deze zaak van toepassing is, bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.

Luidens artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zijn beslissingen of maatregelen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen. Artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek geldt dus slechts voor beslissingen waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of erop vooruit loopt, zodat de beslissing geen enkele partij onmiddellijk nadeel kan berokkenen.

2. Zoals het hof van beroep vaststelt en zoals blijkt uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, heeft de eiseres twee vorderingen, nl. inzake “Werf/Redevco” en inzake “Werf/Regenboogstadion”, gebundeld in één dagvaarding (p. 3, nr. 2, tweede al. van het arrest; zie ook de dagvaarding van 7 april 2015).

De dagvaarding en de regelmatig neergelegde conclusies maken deel uit van het rechtsplegingsdossier en zijn stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan.

Met een dagvaarding van 7 april 2015 bracht de eiseres inderdaad zowel haar vorderingen betreffende het project Regenboogstadion als haar vorderingen betreffende het project Redevco, welke beide gericht zijn tegen dezelfde partij, nl. de eerste verweerster, samen voor de rechtbank van koophandel. In de dagvaarding argumenteerde de eiseres dat de bundeling van de vorderingen in deze zaak proces- en bedrijfseconomisch aangewezen is, niet alleen omdat de verschillende eisen telkens dezelfde gedaagde betreffen, maar ook omdat de eerste verweerster de beide projecten waaruit de eisen voortvloeien eerder zelf met elkaar heeft vermengd en de eisen betreffende de verbouwing van het Regenboogstadion de rechtstreekse aanleiding zijn voor de contractuele wanprestatie van de eerste verweerster met betrekking tot de werf Redevco. De eiseres voerde aan dat de vorderingen betreffende de beide projecten ook de verbroken vertrouwensband met elkaar gemeenschappelijk hebben, en beriep zich, onder verwijzing naar rechtspraak en rechtsleer, op de proceseconomie als in acht te nemen criterium voor de beoordeling van de samenhang (p. 10 van de dagvaarding). Voorts voerde de eiseres in diezelfde dagvaarding aan dat, voor het geval de rechtbank dan wel de eerste verweerster de samenhang betwijfelen zou, de “per dergelijke onwaarschijnlijke hypothese toe te passen maatregel de opsplitsing van het geschil is”, waarbij zij eveneens verwees naar rechtsleer (p. 11 van de dagvaarding). Ook liet de eiseres gelden dat, temeer ook de eerste verweerster bij de geoptimaliseerde proceseconomie en reductie van de gedingkosten voor de samenhangende vorderingen gebaat is, niet valt in te zien welk belang zij bij een vraag tot gesplitste behandeling zou hebben (p. 11 van de dagvaarding).

In regelmatig ter griffie van de rechtbank van koophandel neergelegde conclusies vorderde de eerste verweerster te zeggen voor recht dat de gestelde vorderingen voortvloeiend uit de werf Regenboogstadion en deze voortvloeiend uit de werf Redevco geen samenhangende vorderingen zijn en dat de beide geschillen eerst dienen te worden gesplitst alvorens verder te worden behandeld (p. 6 en 7 en p. 19 van de “Conclusie m.b.t. toepassing 735 Ger.W. - werf Redevco”).

De rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Kortrijk, vermeldde deze betwisting ook in het vonnis van 25 juni 2015 (p. 2, onderaan, en p. 3, bovenaan, van het vonnis van 25 juni 2015) en oordeelde (p. 3, midden, van het vonnis van 25 juni 2015):

“Rekening houdend met de gekende gegevens van de zaak, met de door de partijen gegeven uitleg en met de door [de eerste verweerster] ingediende stukken, beslist de rechtbank

1. de naar [de eiseres] voorhoudt samenhangende vorderingen te splitsen,

zoals door [de eerste verweerster] in limine litis gevorderd, in enerzijds de vordering tot de betaling van de aan [de eiseres] eventueel toekomende vergoedingen m.b.t. de werf Redevco en anderzijds de vordering tot de betaling van de aan [de eiseres] eventueel toekomende vergoedingen m.b.t. de werf Regenboogstadion.

Naar het oordeel van de rechtbank is er absoluut geen samenhang tussen de twee vorderingen [...].”

In het vonnis van 25 juni 2015 besliste de rechtbank van koophandel aldus de vorderingen te splitsen (p. 3 en p. 4 van het vonnis). Ook dit vonnis maakt deel uit van het rechtsplegingsdossier en betreft derhalve een stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan.

3. Uit de hierboven vermelde stukken, nl. de inleidende dagvaarding, de “Conclusie m.b.t. toepassing 735 Ger.W. - werf Redevco” van de eerste verweerster en het vonnis van 25 juni 2015, stukken die alle deel uitmaken van het rechtsplegingsdossier en waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat tussen de eiseres en de eerste verweerster wel degelijk betwisting werd gevoerd omtrent de samenhang of splitsing van de gebundeld aangebrachte zaken.

Door te oordelen dat op zich geen betwisting werd gevoerd omtrent de samenhang of splitsing van de gebundeld aangebrachte zaken, miskent het hof van beroep de bewijskracht van de akten houdende de inleidende dagvaarding van 7 april 2015, houdende de “Conclusie m.b.t. toepassing 735 Ger.W. - werf Redevco” van de eerste verweerster en houdende het vonnis van 25 juni 2015 (schending van de art. 1319, 1320 en 1322 BW). De omstandigheid dat de eiseres argumenteerde dat “voor het geval de rechtbank, dan wel [de eerste verweerster] de samenhang betwijfelen zou, [...] de per dergelijke onwaarschijnlijke hypothese toe te passen maatregel de opsplitsing van het geschil is” (p. 11 van de dagvaarding), doet aan het bestaan van de betwisting op dit punt geen afbreuk.

Door te oordelen dat de beroepen beslissing geen betwiste rechtsvraag doch een beslissing van inwendige aard is in de zin van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, miskent het hof van beroep die bepaling alsook de artikelen 30 en 701 van het Gerechtelijk Wetboek. Door op die grond te oordelen dat de beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep en het hoger beroep niet-ontvankelijk is, miskent het hof van beroep bovendien de artikelen 616 en 1050, zoals van toepassing in deze zaak, van het Gerechtelijk Wetboek.

Conclusie

De beslissing van het hof van beroep dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, is niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen).

Toelichting
Luidens artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zijn beslissingen of maatregelen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard beslecht of niet reeds een beslissing daarover wijst, zodat de beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen (Cass. 30 maart 2010, P.09.1592.N). Artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek geldt dus slechts voor beslissingen waarbij de rechter geen enkel feitelijk of juridisch geschilpunt beslecht of erop vooruit loopt, zodat de beslissing geen enkele partij onmiddellijk nadeel kan berokkenen (Cass. 17 februari 2011, P&B 2011, 96).

De ratio legis van de uitsluiting van verzet en hoger beroep ligt in het gebrek aan belang dat een partij heeft bij het aanvechten van de beslissing: aangezien geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard wordt beslecht noch daarover al een beslissing wordt gewezen, kan de beslissing geen onmiddellijk nadeel berokkenen

aan een partij (zie B. Lambrecht, “Art. 1046” in X, Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, losbl.). Die beslissingen kunnen voor geen enkele partij rechtstreeks grievend zijn (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, nrs. 1126, 1575 en1591).

De eiseres verwijst nog naar de conclusies van advocaat-generaal P. Duinslaeger voorafgaand aan het cassatiearrest van 30 maart 2010 (P.09.1592.N) en van advocaat-generaal Van Ingelgem voorafgaand aan een cassatiearrest van 3 oktober 2014 (C.13.0164.N), alsook naar het laatstgenoemde cassatiearrest.

Om deze redenen

Concludeert de eiseres dat het uw Hof behage

- de bestreden beslissing te vernietigen;

- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep;

- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

 

Noot: 

Maes, B., « Over beslissingen of maatregelen van inwendige aard (art. 1046 Ger.W.) », R.A.B.G., 2018/5, p. 404-407

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 19:22
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.