-A +A

Rechter oordeelt onaantastbaar over onpartijdigheid politie en het hierdoor onregelmatige strafonderzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 27/06/2016
A.R.: 
P.13.0428.N

Artikel 127, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt:

"Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun onpartijdigheid. Zij moeten elke handeling of houding vermijden waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat ze, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hen mogen verwachten."

Artikel 22 van de deontologische code van de politiediensten van 10 mei 2006 heeft dezelfde draagwijdte.

Die bepalingen houden enkel ambtsverplichtingen in voor politieambtenaren. Zij verplichten de rechter niet een strafonderzoek onregelmatig te verklaren op de en-kele grond dat politieambtenaren in hun processen-verbaal kritische of subjectieve inlichtingen over bepaalde partijen verstrekken.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een opsporingsambtenaar blijk heeft gegeven van partijdigheid, waardoor het strafonderzoek onregelmatig is.
In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1344
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.17.0155.N

J.C.S. en S.V.V.O. t/ L.G. e.a.

BVBA S.A. t/ J.C.S. en S.V.V.O.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 januari 2017.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van art. 6 EVRM en artikel 127 van de wet van 7 december 1998 «tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus», alsmede miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel: het arrest oordeelt dat de politieambtenaren zich op een «(ietwat) kritische wijze» ten aanzien van de eisers hebben uitgelaten, dat het hof van beroep door elke vorm van sfeerschepping heen kijkt en dat de kritische houding van de politie-ambtenaren ten aanzien van één partij en de sfeerschepperij doorheen de verschillende processen-verbaal het vermoeden van onpartijdigheid niet aantasten; zoals blijkt uit de voorbeelden die de eisers in hun beroepsconclusie hebben vermeld, hebben de verbalisanten zich doorheen het strafonderzoek niet onpartijdig opgesteld, zoals nochtans verplicht door art. 127 van de voormelde wet en door artikel 22 van de deontologische code; een aantasting van het vermoeden van onpartijdigheid is voldoende; bijgevolg miskent het arrest het onpartijdigheidsbeginsel.

3. Art. 127, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 «tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus», bepaalt: «Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun onpartijdigheid. Zij moeten elke handeling of houding vermijden waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat ze, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hen mogen verwachten.»

Art. 22 van de deontologische code van de politiediensten van 10 mei 2006 heeft dezelfde draagwijdte.

Die bepalingen houden enkel ambtsverplichtingen in voor politieambtenaren. Zij verplichten de rechter niet een strafonderzoek onregelmatig te verklaren op de enkele grond dat politieambtenaren in hun processen-verbaal kritische of subjectieve inlichtingen over bepaalde partijen verstrekken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een opsporingsambtenaar blijk heeft gegeven van partijdigheid, waardoor het strafonderzoek onregelmatig is.

In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

5. Het arrest oordeelt dat:

– het gegeven dat bepaalde politie-inspecteurs zich bij wijze van inlichting in processen-verbaal op een kritische manier hebben uitgelaten over het handelen of de houding van de eisers bij het onderzoek naar de talrijke met burenruzies gerelateerde feiten, niet ipso facto impliceert dat het onderzoek naar de vervolgde feiten niet objectief zou zijn gevoerd;

– er in deze zaak ook geen schijn van partijdigheid wordt gewekt en het onderzoek hierdoor evenmin onbetrouwbaar wordt;

– de eisers nergens aannemelijk maken dat het strafonderzoek op onregelmatige wijze zou zijn gevoerd en derhalve onbetrouwbaar zou zijn;

– de eisers uitvoerig tegenspraak hebben kunnen voeren over alle bewijselementen in het strafdossier;

– het hof van beroep door elke vorm van sfeerschepping heen kijkt en zich een eigen oordeel vormt over de schuld van de eisers aan de individuele, thans vervolgde feiten op grond van de objectieve bewijselementen in het strafdossier;

– de mogelijk subjectieve overwegingen of commentaren van politie-inspecteurs in processen-verbaal slechts de waarde hebben van inlichtingen en door het hof van beroep worden beoordeeld in het licht van de totaliteit van het strafdossier;

– er derhalve geen grond voorligt om het openbaar ministerie te verzoeken enig onderzoek te voeren naar de werking van de politiediensten in dit strafdossier;

– het hof van beroep zich niet uitspreekt over niet-vervolgde feiten.

Aldus miskent het arrest het onpartijdigheidsbeginsel niet, maar verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...

Noot: 

Deontologische code van de politiediensten KB van 10 mei 2006 (BS 30 mei 2006, p. 27.086).

• Cass. 13 september 2016, AR nr. P.16.0403.N; Gent 2 februari 1989, RW 1989-90, 1094, noot A. Vandeplas;

• F. Van Volsem, «Over hoe (de schijn van) partijdigheid in hoofde van een politieman of -vrouw tot een onontvankelijke strafvordering kan leiden» (noot onder Gent 30 september 2008), RABG 2009, 31-40.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/04/2018 - 19:51
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.