-A +A

Rechter moet staking uitspreken bij vastgestelde overtreding van de WER bepalingen marktpraktijken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/06/2015
A.R.: 
C.14.0395.F

De stakingsrechter kan, in de regel, niet het bestaan van een overtreding van de Wet Marktpraktijken (huidig boek VI WER) vaststellen zonder vervolgens de staking ervan uit te spreken. De vaststelling dat de onwettige daad gestopt is, staat de uitspraak van een bevel tot staking slechts in de weg indien het risico op herhaling van die daad of van de onwettige praktijk die eraan ten grondslag ligt, uitgesloten is.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
537
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0395.F
BASE COMPANY nv,

tegen
PUBLIFIN, intercommunale coöperatieve vennootschap met beperkte aansprake-lijkheid.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 29 april 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Tweede onderdeel

Vermoedens zijn een bewijsmiddel van een onbekend feit.

De artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, die dat bewijsmiddel regelen, houden geen verband met de beoordeling door de rechter, uitgaande van de feiten die hem zijn voorgelegd, over het bestaan van een objectief risico op recidive van een onwettige praktijk.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Voor het overige stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel, luidens artikel 2, eerste lid, van de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende markt-praktijken en consumentenbescherming, dat van toepassing is op het geschil, het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van die wet.

Uit die bepaling volgt dat de stakingsrechter, in de regel, niet het bestaan van een inbreuk kan vaststellen zonder vervolgens de staking ervan uit te spreken.

De vaststelling dat de onwettige daad gestopt is, staat de uitspraak van een bevel tot staking slechts in de weg indien het risico op herhaling van die daad, of van de onwettige praktijk die eraan ten grondslag ligt, uitgesloten is.

Het arrest stelt vast dat "[de eiseres] erkent [...] dat, ‘[de verweerster] op 1 april 2013 de manier om haar prijzen te vermelden op haar website heeft veranderd; dat de prijzen van haar packetten voortaan immers [...] ook de huurprijs van de modem en van het kabeldistributieabonnenment omvatten'" en overweegt vervol-gens dat "een zo radicale ommezwaai van de prijzenpolitiek van [de verweerster] toelaat om elk risico op recidive uit te sluiten", aangezien het "ondenkbaar is dat [de verweerster] zou kunnen teruggrijpen naar haar vorige formule, die minder voordelig is voor de consument in een door harde concurrentie gekenmerkte markt, waaraan [de verweerster] toevoegt ‘dat op het niveau van een commerciële onderneming zoals [de hare], een dergelijke aanpassing van haar prijzen en van de specifieke kenmerken van haar producten niet kan worden gerealiseerd zonder een maandenlange voorbereiding, informaticaontwikkeling, opleiding van het personeel en van de verkopers, alsook zeer aanzienlijke investeringen in com-municatie opdat het idee van een "all-in"-prijs ingang kan vinden bij de consu-ment; op grond van die omstandigheden is een "terugkeer" objectief gezien uitge-sloten is'".

Met die overwegingen, waaruit blijkt dat, volgens het hof van beroep, de omstan-digheden elk risico uitsluiten op herhaling van de daad of van de praktijk die de uiting ervan is, heeft het arrest, zonder voornoemd artikel 2, eerste lid, te schenden of voornoemde regels betreffende de bewijslast te miskennen, naar recht kunnen beslissen dat "de door [de eiseres] ingestelde vordering tot staking zonder grondslag moet worden verklaard".

In zoverre het onderdeel ontvankelijk is, kan het niet worden aangenomen.

Eerste onderdeel

De overwegingen waartegen het tweede onderdeel tevergeefs opkomt, volstaan om de beslissing van het arrest dat "de door [de eiseres] ingestelde vordering tot staking zonder grondslag moet worden verklaard" te schragen.

Het onderdeel dat opkomt tegen ten overvloede gegeven redenen, kan niet tot ruimere cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,

Noot: 

Consumentenrecht [DCCR] STUYCK, Jules; Noot 'Geen bevel tot staking bij afwezigheid van herhalingsgevaar' 2016, nr. 110, p. 63-68.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 09/01/2017 - 13:43
Laatst aangepast op: ma, 09/01/2017 - 13:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.