-A +A

Rechter mag zaak behandelen gepleit door een advocaat die net zoals hij meewerkt aan een zelfde juridische publicatie zonder co-auteur te zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 08/11/2016
A.R.: 
2016/NT/137

Intimidatie (volgens Van Dale: "het bevreesd-maken") is een subjectief begrip en "het zich geïntimideerd voelen" zal van persoon tot persoon verschillen. Aldus kan "intimidatie" geen misdrijf uitmaken.

Bepaalde houdingen kunnen begrepen worden in een sfeer dat een beschuldigde zich geïntimideerd voelde zonder dat hiermee gezegd wordt dat hij daadwerkelijk geïntimideerd werd.
Een klacht tegen een advocaat door een gerechtsdeskundige kan niet aanzien worden als een démarche teneinde de goede afloop van een expertise te verzekeren wanneer de deskundige reeds vervangen was door de rechtbank op het ogenblik van de klacht.

Het neerleggen van een klacht [door een gerechtsdeskundige] bij de stafhouder omdat een advocaat zonder mandaat zou hebben gehandeld is ongepast en lasterlijk, tenzij de klager zulks formeel kan bewijzen.

"Het spreekt voor zich dat het recht van verdediging wel in het gedrang komt wanneer de gerechtsdeskundige zich inlaat met het mandaat (ad litem) waarmee de advocaat is gelast, in het bijzonder door een cliënt te bevragen over opdrachten die hij wel of niet aan zijn advocaat zou hebben gegeven. (...) Het is niet aan de gerechtsdeskundige om zich te plaatsen tussen een advocaat en diens cliënt en zich vragen te stallen omtrent die verhouding en de draagwijdte van het mandaat."

Er bestaat geen uitlokking van het misdrijf van lasterlijke aangifte.
Het beschuldigen van een rechter dat deze een professionele samenwerking heeft met een advocaat maakt laster uit wanneer zulks gesteund is op de vaststelling dat de advocaat en de rechter beide als "auteur" hun medewerking verlenen in het kader van de reeks "Larcier Duiding" niet als "co-auteurs" in de zin van artikel 14 van de "uitgeefovereenkomst" kunnen worden beschouwd. Vergoedingen van respectievelijk 31,30 en 7,52 euro bruto.

Een dergelijke aantijging, waarbij de professionele integriteit en eerlijkheid van een vrederechter en een advocaat in vraag wordt gesteld, is uiteraard van aard om deze personen in hun eer te krenken en om hen aan de openbare verachting bloot te stellen.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest
...

 

VERDACHT VAN :

De eerste :

A.

Bij de overheid, te weten bij mevrouw de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, kwaadwillig schriftelijk een lasterlijke aangifte te hebben ingediend tegen een drager of agent van het gezag of tegen enig persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, met name tegen K, vrederechter, van feiten in verband met zijn bediening, ter zake:

1. met name tegen K via het sturen van een brief dd. 28.12.2012 waarin KB de vrederechter K ervan beticht valsheden te hebben laten akteren op het zittingsblad dd: 16 oktober 2012 en in het vonnis dd. 23 oktober 2012.

Te 9000 Gent op 2 januari 2013

2. met name tegen C, plaatsvervangend vrederechter via het sturen van een brief dd. 18.01.2013 waarin KB de plaatsvervangende vrederechter C ervan beticht KB valselijk te beschuldigen in een vonnis dd. 11.01.2013.

Te 9000 Gent op niet nader bepaalde datum in de periode van 18 januari 2013 tot 25 januari 2013.

 

B.

Bij de overheid, kwaadwillig schriftelijk een lasterlijke aangifte te hebben ingediend tegen M, advocaat te weten bij:

1. de stafhouder van de balie Gent, ter zake door het sturen van een brief dd. 30 oktober 2012 waarin hij klacht indient lastens Mter. M en hem verwijt dat Mter M een verzoekschrift tot wraking van deskundige KB indiende zonder hiertoe gemandateerd te zijn door zijn cliënt.

Te 9000 Gent op 30 oktober 2012.

2. Bij mevrouw de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent d.m.v. een brief dd. 28.12.2012 waarin hij Mter M beschuldigt van intimidatie en het indien van een verzoekschrift tot wraking van de deskundige zonder mandaat van de cliënt.

Te 9000 Gent op 2 januari 2013.

C.

Aan een persoon die klacht doet, met name aan M, kwaadwillig, in een van de bij artikel 444 van het Strafwetboek aangeduide gevallen, ter zake door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden, een bepaald feit ten laste te hebben gelegd, dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, terwijl de wet het bewijs van het ten laste gelegde feit toelaat, namelijk:

1.door in een schrijven van 03.12.2012 gericht aan het vredegerecht Zomergem maar eveneens meegedeeld aan alle in het proces betrokken partijen te stellen dat de vrederechter een contractueel en bezoldigd samenwerkingsverband heeft met Mter M, raadsman van de eisende partij in het geschil.

Te 9930 Zomergem op 3 december 2012.

 

2.door in een schrijven van 22.12.2012, neergelegd op 24.12.2012, gericht aan het vredegerecht Zomergem maar eveneens meegedeeld aan alle in het proces betrokken partijen te stellen dat Mter M de zakenpartner is van vrederechter K.

Te 9930 Zomergen op 24 december 2012.

 

D.

Een persoon die klacht doet, met name K, te hebben belaagd, terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren via het versturen van mails en brieven naar verschillende partijen, via herhaaldelijk telefonisch verkeer naar de griffie van het vredegerecht Zomergem waarin hij de vrederechter allerlei verwijten en beschuldigingen naar het hoofd slingert.

Te 9930 Zomergem herhaaldelijk op niet nader bepaalde data in de periode van 23 oktober 2012 tot 15 mei 2013.

 

E.

Een lid van de rechterlijke orde, met name K, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, te hebben gesmaad door daden, woorden, gebaren of bedreigingen, namelijk door te stellen dat K een advocaat, nl M, heeft bevoordeeld omdat ze samen een samenwerkingsverband zouden hebben bij de uitgeverij Larcier, dat K een PV van verhoor had vervalst, dat K een gevaarlijk man is.

Te 9930 Zomergem herhaaldelijk op niet nader bepaalde data in de periode van 23 oktober 2012 tot 15 mei 2013.

 

I. Op strafrechtelijk gebied

1. De schuld

1.1. De tenlasteleggingen A.1, A.2 en B.2

Naar het oordeel van het hof heeft de eerste terecht geoordeeld dat de tenlasteleggingen A.1, A.2 en B.2 (voor zover betrekking op de beschuldiging van het indienen van een verzoekschrift tot wraking van de deskundige zonder mandaat van de cliënt) in hoofde van de beklaagde KB niet afdoende bewezen zijn. De pertinente motieven van de eerste rechter hieromtrent (5e tot en met 7e blad onder "Tenlastelegging A.1", 7e en 8e blad onder "Tenlastelegging A.2" en 9e blad, tweede paragraaf onder "Tenlastelegging B.2") worden door het hof bijgetreden en alhier overgenomen.

In tegenstelling tot de eerste rechter is het hof van oordeel dat de tenlastelegging B.2 (voor zover betrekking op de beschuldiging van intimidatie) in hoofde van de beklaagde KB niet afdoende bewezen is.

Uit het dossier blijkt dat tijdens de deskundige werkzaamheden de sfeer tussen de beklaagde KB (die optrad als deskundige) en advocaat M (die optrad als raadsman van één van de partijen in zake) op zijn zachtst gezegd "gespannen" was waarbij bepaalde zaken werden gezegd, zoals onder meer door meester M: "Ik heb dhr. B gemeld dat klacht zal worden neergelegd als valsheid in geschrifte wordt gepleegd." (Verklaring van 22 mei 2013 - kaft 1c / stuk 65 strafdossier).

Intimidatie (volgens Van Dale: "het bevreesd-maken") is een subjectief begrip en "het zich geïntimideerd voelen" zal van persoon tot persoon verschillen.

Gelet op de omstandigheden waarin deze gezegdes werden gedaan kan het hof aannemen dat de beklaagde KB zich op dat ogenblik geïntimideerd heeft gevoeld (waarbij het hof wil benadrukken dat het geenszins vaststaat dat meester M bewust de beklaagde heeft willen intimideren) en dat - waar hij in zijn schrijven van 28 december 2012 aan de Procureur-generaal stelt: "Ondanks het feit dat ik geregeld persoonlijk werd geïntimideerd door advocaat M (niet door zijn cliënt!) waarbij onder meer werd gedreigd met een klacht met burgerlijke partijstelling bij een onderzoeksrechter, ..." - hij enkel zijn eigen interpretatie heeft willen geven van hetgeen op de deskundige werkzaamheden werd gezegd, zonder hiermee een valse klacht te willen formuleren.

De vrijspraak voor de tenlastelegging B.2 (voor zover betrekking op de beschuldiging van intimidatie) dringt zich dan ook op.

 

1.2. De tenlasteleggingen B.1, C.1, C.2, D en E

1.2.1. Voorafgaand

Waar hij eerder een verzoek tot wraking (ingediend door meester M) van de beklaagde KB als gerechtsdeskundige bij vonnis van 16 mei 2012 had afgewezen, heeft vrederechter K (vredegerecht van het kanton Zomergem) bij vonnis van 23 oktober 2012 - op verzoek van de eisende partij in het geding, bijgestaan door meester M - de beklaagde KB als gerechtsdeskundige vervangen. In dit vonnis heeft de vrederechter een zeer uitgebreide uiteenzetting gegeven van de moeilijke omstandigheden waarin de deskundige werkzaamheden verliepen om tenslotte te stellen: "Dat het deskundigenonderzoek inmiddels in een eindstadium zit, belet de vaststelling niet dat een serene afhandeling ervan totaal geblokkeerd is door de herhaaldelijke incidenten sinds de wrakingsprocedure. De zich steeds herhalende ernstige discussies tussen de raadslieden en de gerechtsdeskundige belasten de afhandeling van dit gerechtelijk dossier. 5. Bijgevolg gaat de rechtbank over tot de vervanging van de gerechtsdeskundige K.B. door: (...)".

Waar de beklaagde KB thans laat uitschijnen dat hij zich kon neerleggen bij deze beslissing van de vrederechter (zie syntheseconclusie overgemaakt aan de griffie van het hof op 27.09.2016 op pagina 6 onder nr. 9: "De vrederechter heeft alsdan beslist tot vervanging van concluant als gerechtsdeskundige. Concluant voert daaromtrent geen betwisting.") blijkt voor het hof integendeel uit de feiten, die zich na dit vonnis van 23 oktober 2012 hebben voorgedaan, dat deze beslissing bij de beklaagde niet in goede aarde is gevallen.

 

1.2.2. De tenlastelegging B.1

De tenlastelegging B.1 is net als voor de eerste rechter ook voor het hof in hoofde van KB afdoende bewezen. De pertinente motieven van de eerste rechter hieromtrent worden door het hof bijgetreden en alhier overgenomen.

Tevergeefs tracht de beklaagde KB het voor te stellen dat zijn schrijven van 30 oktober 2012 aan de stafhouder van de balie te Gent - in navolging op een voorgaand schrijven van 19 oktober 2012 - geen kwaadwillige en lasterlijke aangifte was (zie syntheseconclusies op pagina 29 onder nummer 2: "Concluant heeft gewoon gehandeld, vanuit zijn bekommernis de expertise op correcte wijze te kunnen uitvoeren, en met dien verstande dat hij verhoopte dat een gesprek met de Stafhouder, in aanwezigheid van mr. M, allicht een oplossing zou kunnen bieden." en op pagina 31 onder nummer 4: "de briefwisseling van concluant naar de Stafhouder is eerder te aanzien als een noodkreet, waarbij concluant in de eerste plaats om een tussenkomst verzocht van de Stafhouder, als onafhankelijke derde, teneinde terug orde op zaken te kunnen zetten;").

De beklaagde KB was immers bij vonnis van 23 oktober 2012 reeds vervangen als gerechtsdeskundige en de bewoordingen in zijn schrijven van 30 oktober 2012 (kaft 1b / stukken 317 en 318 strafdossier) aan de stafhouder laten er niet de minste twijfel over bestaan dat de beklaagde formeel een klacht heeft geformuleerd tegen meester M:

"Waarde Stafhouder,

Betreft: officiële klacht tegen mr. M

Ik wens met huidig schrijven officieel klacht neer te leggen tegen mr. M, advocaat met kantoor te (...).

(...)

Inmiddels werd ik vervangen als gerechtsdeskundige in deze zaak bij vonnis van 23 oktober 2012.

(...)

Het is voor mij pijnlijk duidelijk geworden dat zijn cliënt geen opdracht gaf voor het verzoek tot wraking en vervanging, maar dat mr. M op eigen houtje handelde ten nadele van de procespartijen.

(...)

Mag ik u verzoeken, Waarde Stafhouder, het passende gevolg te willen geven aan voormelde officiële klacht."

De stafhouder heeft bij schrijven van 13 december 2012 aan de beklaagde KB laten weten dat hij een tuchtdossier tegen meester M heeft geopend doch dat zijn klacht werd afgewezen als ongegrond.

Het is ook voor het hof duidelijk dat de beklaagde met dit schrijven van 30 oktober 2012 bewust een valse aantijging heeft geformuleerd met de kwaadwillige bedoeling meester M in zijn professionele carrière te schade. De beklaagde KB wist op dat ogenblik immers al dat hij de door hem aangebrachte aantijging, namelijk dat meester M geen mandaat van zijn cliënt zou hebben gehad om het wrakingsverzoek en het verzoek tot vervanging in te dienen, niet kon bewijzen en dat deze aantijging bovendien volkomen ongepast was, nu al in het vonnis van 23 oktober 2012 uitdrukkelijk werd gesteld: "Het spreekt voor zich dat het recht van verdediging wel in het gedrang komt wanneer de gerechtsdeskundige zich inlaat met het mandaat (ad litem) waarmee de advocaat is gelast, in het bijzonder door een cliënt te bevragen over opdrachten die hij wel of niet aan zijn advocaat zou hebben gegeven. (...) Het is niet aan de gerechtsdeskundige om zich te plaatsen tussen een advocaat en diens cliënt en zich vragen te stallen omtrent die verhouding en de draagwijdte van het mandaat."

De bewering van de beklaagde KB dat deze kwaadwillige aangifte minstens werd "uitgelokt" door meester M wordt - nog los van het feit dat "uitlokking" van dit misdrijf juridisch niet bestaat - op geen enkele wijze hard gemaakt. Integendeel was er geen enkele reden om deze aangifte op 30 oktober 2012 nog te formuleren gezien de beklaagde reeds op 23 oktober 2012 van zijn opdracht was ontheven.

 

1.2.3. De tenlasteleggingen C.1 en C.2

De tenlasteleggingen C.1 en C.2 zijn net als voor de eerste rechter ook voor het hof in hoofde van KB afdoende bewezen.

Onder deze tenlasteleggingen wordt de beklaagde KB vervolgd wegens het misdrijf van laster:

- Tenlastelegging C.1: op 3 december 2012 heeft de beklaagde een brief verstuurd naar het "Vredegerecht van het Kanton Zomergem T.a.v. de Vrederechter" waarin uitdrukkelijk werd gesteld: "Intussen is mij via de balie Gent ter ore gekomen dat u een contractueel en bezoldigd samenwerkingsverband heeft met mr. M." (kaft 1a / subkaft 14 / stuk 31 strafdossier); dit schrijven werd aan verscheidene personen toegestuurd ("Kopie van huidig schrijven gaat naar de raadslieden inzake.").

- Tenlastelegging C.2: op 22 december 2012 (ter griffie neergelegd op 24 oktober 2012) heeft de beklaagde een brief opgesteld voor het "Vredegerecht van het kanton Zomergem T.a.v. de plaatsvervangend Vrederechter" waarin uitdrukkelijk werd gesteld: "...is de kern van de huidige betwisting een conflict van de zakenpartner van de titularis van het Vredegerecht van het kanton Zomergem, eveneens plaatsvervangend vrederechter van het voornoemde kanton! (...) Als klap op de vuurpijl is het niemand minder dan de zakenpartner van de titularis, plaatsvervangend vrederechter en advocaat M die de gerechtsdeskundige zonder de minste reden en kennelijk zonder de minste gêne van partijdigheid beschuldigt!" (kaft 1a / subkaft 14 / stuk 33 strafdossier); ook dit schrijven werd aan verscheidene personen toegestuurd ("Kopie van huidig schrijven gaat naar de raadslieden inzake.").

In deze brieven wordt door de beklaagde KB vooropgesteld dat vrederechter K ("de titularis van het Vredegerecht van het kanton Zomergem") en advocaat M "een contractueel en bezoldigd samenwerkingsverband" zouden hebben en bijgevolg "zakenpartners" zouden zijn.

Zoals hiervoor reeds uiteengezet staat het voor het hof vast dat er van enig "samenwerkingsverband" geen sprake is. Uit de schriftelijke verklaring van A, "Chief Publishing Officer" bij de uitgeverij Larcier, (stuk 4 neergelegd door de burgerlijke partij K ter terechtzitting van het hof op 11 oktober 2016) blijkt afdoende dat de personen die als "auteur" hun medewerking verlenen in het kader van de reeks "Larcier Duiding" niet als "co-auteurs" in de zin van artikel 14 van de "uitgeefovereenkomst" kunnen worden beschouwd. Het hof acht dienvolgens het voorleggen van de "uitgeefovereenkomsten" die K en M met de uitgeverij hebben afgesloten niet noodzakelijk, temeer deze overeenkomsten tussen auteur en uitgeverij als vertrouwelijk dienen te worden beschouwd.

Waar de beklaagde KB voorhoudt dat met deze publicatie "Wet&Duiding huur" "grote financiële belangen zijn gemoeid" (zie syntheseconlusie pagina 20 onder nr. 4) blijkt uit de stukken die voorliggen:

- dat advocaat M als medewerker aan deze publicatie in 2010 aan auteursrechten een brutobedrag van 31,30 euro heeft ontvangen en in 2011 een brutobedrag van 7,52 euro (kaft 1b / stukken 88 t.e.m. 91);

- dat vrederechter K als medewerker aan deze publicatie in 2015 aan auteursrechten een brutobedrag van 62,30 euro heeft ontvangen (stuk 6 neergelegd ter terechtzitting van het hof op 11 oktober 2016).

Voor het hof kan er geen twijfel over bestaan dat de beklaagde KB - waar hij het heeft over "een contractueel en bezoldigd samenwerkingsverband" en "zakenpartners" - in de nasleep van zijn vervanging als gerechtsdeskundige met kwaadwillig opzet zowel vrederechter K als advocaat M heeft willen schaden door, in brieven die aan alle partijen in zake werden toegestuurd, te suggereren dat de procedure niet correct is verlopen omdat deze beide personen gezamenlijke financiële belangen hebben, wat eigenlijk noch min noch meer neerkomt op een beschuldiging van (een bepaalde vorm van) corruptie.

Een dergelijke aantijging, waarbij de professionele integriteit en eerlijkheid van een vrederechter en een advocaat in vraag wordt gesteld, is uiteraard van aard om deze personen in hun eer te krenken en om hen aan de openbare verachting bloot te stellen.

 

1.2.4. De tenlastelegging D

De tenlastelegging D is net als voor de eerste rechter ook voor het hof in hoofde van KB afdoende bewezen.

Onder de tenlastelegging D wordt de beklaagde vervolgd wegens belaging van vrederechter K in de periode van 23 oktober 2012 tot 15 mei 2013.

Uit het dossier blijkt dat de beklaagde KB, na zijn vervanging als gerechtsdeskundige op 23 oktober 2012, nog allerhande handelingen heeft gesteld:

- 16.11.2012: e-mail aan de griffier van het vredegerecht (LM) waarin gesproken wordt over het "contractueel en bezoldigd samenwerkingsverband" tussen de vrederechter en advocaat M (kaft 1a / subkaft 14 / stuk 29 strafdossier);

- 22.11.2012: e-mail aan dezelfde griffier waarin weeral sprake over het "contractueel samenwerkingsverband" (kaft 1a / subkaft 14 / stuk 30 strafdossier);

- 03.12.2012: brief aan Vredegerecht (zie tenlastelegging C.1);

- 22.12.2012: brief aan Vredegerecht (zie tenlastelegging C.2);

- 24.01.2013: brief aan vrederechter waarin onder meer wordt gesteld: "Op 28 december 2012 heb ik een klacht tegen u neergelegd bij mevrouw de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent." (kaft 1a / subkaft 14 / stuk 36 strafdossier);

- 20.03.2012: faxschrijven aan Vredegerecht waarin de beklaagde schrijft dat de vrederechter (in een andere zaak) "een vroegere schoolvriend" als deskundige heeft aangesteld (kaft 1a / subkaft 14 / stuk 39 strafdossier);

Daarnaast blijkt dat de beklaagde KB in de bewuste periode ook onophoudelijk heeft getelefoneerd naar de griffie van het Vredegerecht te Zomergem, waarbij hij zich onder meer zeer negatief uitliet over de vrederechter. Dit blijkt onomstotelijk uit:

- de verklaring van M (hoofdgriffier vredegerecht Zomergem): "U wijst mij erop dat de Heer Vrederechter aanhaalt dat er herhaaldelijk door KB getelefoneerd werd naar het personeel van de griffie, meer bepaald met de griffier L. M. en de hoofdgriffier M., met het uiten van diverse mondelinge beschuldigingen op soms vrij agressieve wijze, ten aanzien van zijn persoon: de vrederechter was een gevaarlijk man, hij had de deskundige vals beschuldigd, hij had een PV van verhoor vervalst door verklaringen niet op te nemen, hij had een samenwerkingsverband met Meester M. en had daarom de deskundige vervangen, hij wou een onpartijdige vrederechter hebben in Zomergem, ed." "De telefonische gesprekken kwamen inderdaad daar op neer zoals hierboven aangehaald. Aanvankelijk telefoneerde B. naar de griffier Mevrouw M. of iemand anders van de griffie om zijn ongenoegen te ventileren naar aanleiding van het vervangingsvonnis van 23.10.2012. B. telefoneerde regelmatig. Dit kon wekelijks zijn of meerdere keren per week. Na zekere tijd werd de griffie dit beu en werden de telefoons van B. aan mij doorgegeven. Ik deelde B. mede dat ik zijn handelswijze niet kon appreciëren temeer dat het ging om het herhalen van dezelfde beschuldigingen en dit gepaard ging met een zekere dreiging. (...) Als ik de telefoons opnam sprak B. altijd in negatieve zin over de vrederechter en de griffier en nam hij een slachtofferrol aan. (...) Ik wil nog opmerken dat de agressieve telefoons van B. een destabiliserende invloed hadden op de werking van de griffie in die zin dat er bij ons een soort angstpsychose ontstond. Wij kregen allemaal schrik dat hij eventuele uitspraken van ons zou verdraaien of misbruiken." (kaft 1a / stukken 42 en 43 strafdossier);

- de verklaring van LM (griffier vredegerecht Zomergem): "U wijst mij erop dat de Heer Vrederechter K er zich over beklaagt dat hij vanaf het vervangingsvonnis van 23.10.2012 systematisch het voorwerp is geworden van belagingen, laster en smaad door B, en dat ook het vredegerecht zelf regelmatig werd lastig gevallen door deze laatste zowel telefonisch als schriftelijk." "Dit is volledig juist." "De Heer Vrederechter haalt aan dat er herhaaldelijk door KB getelefoneerd werd naar het personeel van de griffie, meer bepaald met de griffier LM en de hoofdgriffier M, met het uiten van diverse mondelinge beschuldigingen op soms vrij agressieve wijze, ten aanzien van zijn persoon: hij was een gevaarlijk man, hij had de deskundige vals beschuldigd, hij had een PV van verhoor vervalst door verklaringen niet op te nemen, hij had een samenwerkingsverband met Meester M en had daarom de deskundige vervangen, hij wou een onpartijdige vrederechter hebben in Zomergem, ed." "Deze telefonische gesprekken kwamen daar inderdaad op neer. Hij hing eerst het slachtoffer uit om vervolgens zich kwaad te maken tegen ons. Ik ving in de eerste plaats de telefoons op of soms mijn collega SDV. Aangezien hij de griffie telefonisch bleef lastig vallen werden de telefoongesprekken uiteindelijk doorgegeven aan onze hoofdgriffier Mijnheer M.".

Dat de beklaagde KB de vrederechter niet persoonlijk heeft geschreven, gefaxt, gemaild of getelefoneerd doet naar het oordeel van het hof niet ter zake. Het hoeft geen betoog dat de vrederechter, die uiteraard op de hoogte werd gesteld van hetgeen zich voordeed op de griffie van zijn vredegerecht, hierdoor werd verontrust en dat zijn rust hierdoor ernstig werd verstoord (zie zijn verklaring van 26 juli 2013: "Reeds meer dan zes maanden blijft KB mij aanvallen met allerlei beschuldigingen, verspreidt hij bovendien deze beschuldigingen naar derden toe. De strafrechterlijke klachten tegen mijn persoon dreigen mijn integriteit bij de hogere magistratuur te hypothekeren of kapot te maken. De hierboven aangehaalde en beschreven daden van B hebben mijn leven verzuurd zowel persoonlijk als professioneel. Ook mijn gezondheid krijgt te lijden onder deze aanvallen.", iets wat de beklaagde zeker wist of had moeten weten.

 

1.2.5. De tenlastelegging E

De tenlastelegging E is net als voor de eerste rechter ook voor het hof in hoofde van KB afdoende bewezen.

Het bestempelen van een vrederechter als "een gevaarlijk man, hij had de deskundige vals beschuldigd, hij had een PV van verhoor vervalst door verklaringen niet op te nemen, hij had een samenwerkingsverband met Meester M en had daarom de deskundige vervangen, hij wou een onpartijdige vrederechter hebben in Zomergem, ed." (zie hiervoor onder 1.2.4) maakt smaad uit ten aanzien van een lid van de rechterlijke orde ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, gezien dergelijke beschuldigingen de fundamentele kwaliteiten waaraan een magistraat voldoet, namelijk rechtschapenheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit, in vraag stellen.

Het feit dat dit meer dan geregeld gebeurde (zie hiervoor onder 1.2.4.: de verklaring van hoofdgriffier M: "B. telefoneerde regelmatig. Dit kon wekelijks zijn of meerdere keren per week. Na zekere tijd werd de griffie dit beu en werden de telefoons van B. aan mij doorgegeven. Ik deelde B. mede dat ik zijn handelswijze niet kon appreciëren temeer dat het ging om het herhalen van dezelfde beschuldigingen en dit gepaard ging met een zekere dreiging.") bewijst voor het hof dat de beklaagde KB de bewuste wil had om vrederechter K te smaden en dat hij de bedoeling had dat deze beschuldigingen ter kennis zouden gebracht worden aan de vrederechter, wat ook effectief gebeurde.

Dat de beklaagde KB tegenover andere personen "met lof over Vrederechter K" zou hebben gesproken doet in deze dan ook niet ter zake. Het hof acht het oproepen van getuigen hieromtrent niet noodzakelijk.

...

(Vierde kamer, 2016/NT/137, 8 november 2016)

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/01/2018 - 19:52
Laatst aangepast op: di, 09/01/2018 - 19:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.