-A +A

Rechter mag niet zwaarder straffen voor beklaagde die blijft ontkennen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 30/05/2017
A.R.: 
C.13.0428.F

Wanneer de strafrechter vaststelt dat de beklaagde blijft ontkennen, mag hij bij schuldigverklaring niet zwaarder straffen wegens de aangehouden ontkentenis dan wel een al dan niet vermeend gebrek aan schuldinzicht.

De rechter mag bij de straftoemeting geen rekening houden met de wijze waarop een beklaagde zijn verdediging heeft georganiseerd. Het mede in aanmer-king nemen van de ontkenning door een beklaagde van het hem ten laste gelegde feit bij het bepalen van de straf en de maat ervan, ontzegt een beklaagde het recht zijn verdediging te voeren, zoals hij meent dit te moeten doen.

Publicatie
tijdschrift: 
jurdat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0783.N
K V D B,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. J V D,
burgerlijke partij,
2. A-M D,
burgerlijke partij,
3. J V D,
burgerlijke partij,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 15 juni 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten vermeld onder de telastleggin-gen C.1, C.2 en D. Het oordeelt dat de appelrechters niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders in zoverre ge-steund op de telastleggingen C.2 en D.
In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 155, 190ter, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 10 van de wet van 1 mei 1849: het arrest is niet wettig gemotiveerd; het steunt immers eisers schuldigverklaring op de verkla-ring van een voor de eerste rechter op de rechtszitting van 10 december 2014 afgelegde getuigenverklaring, terwijl het proces-verbaal van die rechtszitting niet is ondertekend door de voorzitter en uit geen enkel ander stuk blijkt dat de voorzitter in de onmogelijkheid was dit proces-verbaal te ondertekenen of dat de getuige de eed heeft afgelegd; derhalve blijkt niet dat de getuige de eed heeft afgelegd.

3. Artikel 407 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in strafzaken nietigheden uit enige onregelmatigheid betreffende de eed van getuigen gedekt zijn, wan-neer een vonnis of arrest op tegenspraak, dat geen maatregel van inwendige aard inhoudt, is gewezen zonder dat de nietigheid door een van de partijen is voorge-dragen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de afwe-zigheid van de eedaflegging van de op de rechtszitting van 10 december 2014 ge-hoorde getuige voor de eerste rechter werd aangevoerd of door hem ambtshalve werd uitgesproken. Het op tegenspraak gewezen beroepen vonnis van 18 februari 2015, dat geen maatregel van inwendige aard inhoudt, dekt dan ook de aangevoerde nietigheid.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling en miskend algemeen rechtsbeginsel

- artikel 6 EVRM;
- het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging.

5. De rechter mag bij de straftoemeting geen rekening houden met de wijze waarop een beklaagde zijn verdediging heeft georganiseerd. Het mede in aanmer-king nemen van de ontkenning door een beklaagde van het hem ten laste gelegde feit bij het bepalen van de straf en de maat ervan, ontzegt een beklaagde het recht zijn verdediging te voeren, zoals hij meent dit te moeten doen.

6. Het arrest oordeelt: "Uit zijn houding ter terechtzitting is nog steeds geen schuldbesef gebleken en heeft [de eiser] zijn houding van integrale ontkenning gehandhaafd. Volgens hem wordt er een complot tegen hem gesmeed en liegt ie-dereen die tegen hem een belastende verklaring heeft afgelegd". Het arrest stelt vast dat het bij het bepalen van de straf en de maat ervan ook met dit gegeven rekening houdt.

Door de ontkennende houding van de eiser mede in aanmerking te nemen bij de straftoemeting, is de beslissing over die straftoemeting niet naar recht verant-woord.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser tot straf en een bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten.
Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de verwij-zingsrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten op 229,57 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 30 mei 2017 uitgesproken

Noot: 

Pim Vanwalleghem, Rechter mag beklaagde niet straffen voor volgehouden ontkenning van misdrijf, De Juristenkrant 11 oktober 2017, 3

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 01/12/2017 - 11:03
Laatst aangepast op: vr, 01/12/2017 - 11:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.