-A +A

Rechter in kortgeding mag louter bewarende maatregelen nemen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 12/01/2007
A.R.: 
2004/00761

Als de zaak spoedeisend is, kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt; hij mag hierbij geen declaratoir van rechten doen, noch de rechtspositie van de partijen definitief regelen (1). (1) Cass., 6 dec. 2002, AR C.02.0171.N, nr 656.

De rechter in kort geding die zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van de partijen na te gaan en te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregelen die hij beveelt niet redelijk kunnen schragen, overschrijdt de grenzen van zijn bevoegdheid niet (1). (1) Cass., 14 jan. 2005, AR C.03.0622.N, nr 27.

Wanneer de partij een overeenkomst van onbepaalde duur eenzijdig wenst te beëindigen vermag de rechter niet, door het opleggen van een bijkomende opzeggingstermijn, in de uitvoering van de overeenkomst in te grijpen; in dergelijk geval heeft de kortgedingrechter wel de mogelijkheid om beperkte maatregelen tot bewaring van recht te treffen, en om met name een ware schadeloosstelling mogelijk te maken of nog om de handhaving van de contractuele rechten van de tegenpartij niet louter theoretisch te maken (1). (1) Zie Cass., 6 nov. 1987, AR 5397, nr 149 en T.B.H., 1988, 182, noot J.M. Nelissen Grade.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.05.0569.N
VOLVO CARS BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, J. F. Kennedylaan 25,
eiseres,

tegen
GARAGE LIEVEN DE KEULENAER, naamloze vennootschap, met zetel te 9120 Beveren-Waas, Vesten 90,
verweerster,
.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Uit het arrest blijkt:

1. tussen de eiseres en de verweerster bestond sedert 1 oktober 1996 een concessieovereenkomst die door de eiseres op 8 maart 2001 werd opgezegd met een opzeggingstermijn van drie jaar, die verstreek op 31 maart 2004;

2. teneinde zich te conformeren aan de Verordening (EG) 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002, betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, werden eind september 2003 tussen de eiseres en de verweerster twee nieuwe overeenkomsten voor onbepaalde duur afgesloten, betiteld als "Volvo Erkende werkplaats" en "Volvo Concessieovereenkomst";

3. aangezien de verweerster niet akkoord ging dat de voorheen gegeven opzeggingstermijn ook gold voor de nieuwe overeenkomsten, werden deze laatsten door de eiseres op 3 november 2003 opgezegd met een opzeggingstermijn van een jaar, ingaande op 1 november 2003;

4. op 27 september 2004 richtte de eiseres een aangetekende brief naar de verweerster waarbij het einde van de relaties per 31 oktober 2004 werd bevestigd (onder verwijzing naar hetgeen in de brief van 3 november 2003 was gesteld en met name ook naar de 'breuk in het vertrouwen tussen partijen').

III. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 3.4 en 3.5 van de Verordening 1400/2002/EG van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector;
- artikel 1780 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 13 april 1971;
- het algemeen rechtsbeginsel dat men zich niet voor onbepaalde tijd kan binden.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters schorsen voorlopig de uitwerking van de opzeggingen vervat in de brieven van de eiseres van 3 november 2003 en 27 september 2004, zeggen dat een dwangsom wordt verbeurd van 10.000 euro per dag dat de eiseres ingaat tegen die schorsing en zeggen dat de besliste maatregel ophoudt uitwerking te hebben indien nopens het geschil tussen partijen op initiatief van de verweerster een bodemrechter niet is geadieerd uiterlijk tegen de veertigste dag na de uitspraak van het arrest, na te hebben vastgesteld:

"Na sedert de tachtigerjaren van de vorige eeuw bestaande relaties, was (de verweerster) laatst sedert 1 oktober 1996 met (de eiseres) verbonden door een concessieovereenkomst voor personenwagens Volvo.

Deze overeenkomst werd door (de eiseres) per 08 maart 2001 opgezegd met een termijn van drie jaar die verstreek op 31 maart 2004.

11. Met ingang van 01 oktober 2003 noopte de Europese regelgeving (EG-Verordening van de Commissie 1400/2002 van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten in de motorvoertuigensector) tot aanpassing van alle vigerende concessieovereenkomsten en (de eiseres) wenste haar contractuele relaties hiermee in overeenstemming te brengen om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.

Zodoende ondertekenden (de verweerster) op 28 september 2003 en (de eiseres) op 30 september 2003 twee nieuwe overeenkomsten, betiteld als 'Volvo

Erkende Werkplaats' en 'Volvo Concessieovereenkomst'.

Telkens betrof het een overeenkomst voor onbepaalde duur.

12. Na de ondertekening van de vermelde overeenkomsten liep het mis: (de eiseres) eiste ook ondertekening van een specifieke verklaring, hetgeen door (de verweerster) werd geweigerd.

De verlangde verklaring hield in dat de voorheen gegeven opzeggingstermijn gewoon verder liep en zodoende ook gold voor de nieuwe overeenkomsten van onbepaalde duur.

Navolgend hield (de eiseres) voor dat (de verweerster) misbruik had gemaakt van de situatie waarbij de gelijktijdige ondertekening van het akkoord, samen met de overeenkomsten haar was ontgaan.

Per 3 november 2003 zegde ze dan de overeenkomsten op met een opzeggingstermijn van één jaar.

13. Vanaf 30 september 2003 is briefwisseling gevoerd tussen de partijen en hun advocaten, waarbij (de eiseres) vasthield aan het standpunt dat de - inmiddels door haar ondertekende- overeenkomsten geen uitwerking konden hebben, bij gemis aan een akkoord over de beëindigingsdatum.

(De verweerster) verwierp dit standpunt en wees er op dat de ondertekening van het akkoord nooit als voorafgaande voorwaarde voor de ondertekening van de overeenkomsten was gesteld.

Haar standpunt bleef dat partijen geldig waren verbonden voor onbepaalde duur.

Ze kondigde een kort geding aan indien de overeenkomsten niet spontaan zouden worden uitgevoerd.

14. Dit meningsverschil bleef verder onbeslecht maar op 14 oktober 2003 schreef (de eiseres) aan (de verweerster) een brief die eindigde met de zin 'vanaf heden kunnen we ons opnieuw voor 100 pct. concentreren op de verkoop en de dienstverlening'.

De relaties werden verder gezet op basis van de twee gesloten overeenkomsten aangezien de opgezegde concessieovereenkomst met ingang van 1 oktober 2003 haar uitwerking had verloren.

Volgde dan op 3 november 2003 de opzegging van de twee nieuwe overeenkomsten: een termijn van één jaar werd toegekend, ingaande op 1 november 2003.

Nopens de houding van (de verweerster) werd gesteld dat zij 'elke verdere samenwerking (...) onmogelijk maakt. De vertrouwensband, de goede trouw een eerlijkheid van de Volvo-verdelers is namelijk een essentiële voorwaarde voor een efficiënte distributie van de Volvo-producten en leveringen van de Volvo onderhouds- en herstellingswerkzaamheden'.

15. Op deze opzegging werd door (de verweerster) niet gereageerd en de relaties werden gewoon verder gezet.
(De verweerster) werd bij alle evenementen en acties nopens bedrijfsdoelstellingen betrokken zoals alle overige distributeurs, ook bij die waarvan het gebeuren nà 1 november 2004 was gepland.

Per 27 september 2004 volgde dan een aangetekende brief waarbij het einde van de relaties per 31 oktober 2004 werd bevestigd, onder verwijzing naar hetgeen in de brief van 3 november 2003 was gesteld en met name ook naar 'de breuk in het vertrouwen tussen partijen'.

Er werd aangekondigd dat ze niet meer hoefde aanwezig te zijn op een geplande bespreking.

16. Evenwel ontving (de verweerster) in oktober opnieuw uitnodigingen en op 3 november 2004 werd haar zelfs een nieuwe ondertekende 'stock financieringsovereenkomst' toegestuurd, die uitwerking had met ingang van 1 juli 2004.

Op 5 november 2004 kreeg ze per e-mail ook een aanbod om bepaalde uitrustingsgoederen te kopen.
Intussen was de inleidende dagvaarding evenwel al betekend om (de eiseres) te horen veroordelen zoals boven vermeld" (p. 5-8 van het bestreden arrest),
en op grond van volgende redenen:

"22. Boven al is gebleken dat het in de bedoeling van (de eiseres) lag om de concessierelaties af te stemmen op de Europese regelgeving opdat zij op het vlak van rechtsgeldigheid buiten schot zouden staan.

In conclusies wordt zulks ook nadrukkelijk bevestigd.

Zij heeft zich met de beide overeenkomsten zonder enig voorbehoud verbonden voor onbepaalde duur.

Het gemis aan de betwiste verklaring - waarmee kon worden geëffectueerd dat de relaties tijdens de toen lopende opzeggingsperiode van de voorheen vigerende concessie werden geconformeerd aan de Europese regelgeving - verandert daar niets aan. In de overeenkomsten wordt van die verklaring ook geen gewag gemaakt.

23. In het licht hiervan lijkt het op het eerste gezicht niet voor ernstige betwisting vatbaar dat de voor onbepaalde duur aangegane verbintenissen niet rechtmatig konden worden opgezegd na minder dan twee maanden uitwerking te hebben gehad.

Artikel 3.5. EG-Verordening 1400/2002, waaraan (de eiseres) de relaties wilde conformeren, legt immers beperkende voorwaarden op voor de opzegging van contractuele relaties van onbepaalde duur en die blijken in het voorliggende geval niet vervuld.

In beginsel moet de opzeggingstermijn tenminste twee jaar bedragen en enkel in de omstandigheden vermeld in littera b) i en ii kan die termijn worden verminderd tot één jaar.

In het voorliggende geval werd evenwel zelfs een minimale opzeggingstermijn van één jaar (niet) nageleefd, aangezien eerst bij brief van 03 november 2003 werd opgezegd tegen 31 oktober 2004.

25. Verder moet worden opgemerkt dat ook de motivering van de opzegging van 3 november 2003 aan kritiek kan blootstaan.
(De eiseres) voert in die brief immers aan dat de vertrouwensband was teloor gegaan en dat eerlijkheid en goede trouw een noodzakelijke vereiste zijn voor de uitvoering van de overeenkomsten.

Amper tien dagen later deelde (de eiseres) evenwel mee dat (de verweerster) zich kon concentreren op de uitvoering van de overeenkomst en de relaties hebben navolgend probleemloos gefloreerd.
(Eiseres) bewering inzake enig misbruik vanwege (de verweerster) wordt niet gestaafd.
26. Artikel 3.4. van de EG Verordening 1400/2002 - waarnaar partijen zich wilden schikken - schrijft voor dat uitvoerige opgave moet worden gedaan van de

objectieve en doorzichtige redenen voor de beëindiging.

De inhoud van de brief van 3 november 2003 lijkt hieraan geenszins te voldoen. Op het eerste gezicht lijkt de opzegging dus ook inhoudelijk niet regelmatig.

27. Tenslotte kan het middel van (de eiseres) betreffende de onmogelijkheid van de kortgedingrechter om in de voorliggende betwisting een maatregel op te leggen niet worden beaamd.

(De eiseres) stelt dat zij de relaties heeft verbroken en dat dit gegeven een onomkeerbare toestand heeft doen ontstaan die door de bodemrechter niet kan worden beïnvloed en zodoende ook niet door de kortgedingrechter.

28. Het hof (van beroep) stelt vast dat (de eiseres) de relaties niet heeft verbroken, maar opzegging heeft betekend naar hetgeen volgens haar in overeenstemming is met de overeenkomsten tussen partijen.

Wanneer de bodemrechter vaststelt dat die opzegging niet het gewenste resultaat heeft kunnen hebben, kan niet worden uitgesloten dat hij de effecten van de opzegging(en) neutraliseert, hetgeen kan resulteren in de vaststelling dat de relaties niet werden beëindigd.

Het schorsen van de effecten van de opzegging(en) vormt dan een voorlopige maatregel die de perken van het kortgeding niet te buiten gaat" (p. 10-12 van het bestreden arrest).

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht.

Artikel 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf.

Hieruit volgt dat de rechter in kort geding maatregelen kan bevelen tot bewaring van recht indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt, maar dat hij geen rechtsverklarende uitspraak mag doen noch de rechtspositie van partijen definitief mag regelen.

In haar conclusies voor de appelrechters betwistte de eiseres de vordering van de verweerster onder meer door aan te voeren dat zij de nieuwe overeenkomsten met de verweerster had afgesloten onder de voorwaarde dat laatstgenoemde ermee instemde dat de voordien gegeven opzeggingstermijn zou verder lopen en uitwerking zou hebben m.b.t. de nieuwe overeenkomsten (p. 23-27, nrs. 49-54 van de "conclusie in hoger beroep" van de eiseres).

Door te beslissen dat de eiseres zich met de beide overeenkomsten zonder enig voorbehoud voor onbepaalde duur heeft verbonden, beslechten de appelrechters zelf het geschil dat op dit punt tussen partijen bestond en doen zij uitspraak over de grond van de zaak, zodat zij de artikelen 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek miskennen.

Tweede onderdeel

Ingevolge artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt.

De kortgedingrechter overschrijdt evenwel de grenzen van zijn bevoegdheid wanneer hij bij het onderzoek van de ogenschijnlijke rechten van partijen rechtsregels betrekt die de voorlopige maatregel die hij beveelt niet redelijk kunnen schragen.

De eenzijdige verbreking, zelfs zonder gegronde reden of opzegging, van een overeenkomst die in de tijd gespreide prestaties inhoudt en gesloten is voor onbepaalde tijd, brengt het onmiddellijk tenietgaan van de overeenkomst mede.

Het algemeen rechtsbeginsel dat men zich niet voor onbepaalde tijd kan binden, waarvan artikel 1780 van het Burgerlijk Wetboek een uitdrukking is, sluit uit dat, in geval van eenzijdige verbreking, partijen gedwongen zouden worden de overeenkomst verder uit te voeren, al was het bij equivalent.

De verplichting tot betaling van de opzeggingsvergoeding bepaald bij artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, is geen autonome contractuele verbintenis, doch een verbintenis die in de plaats treedt van de niet nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn te geven.

Hieruit volgt dat, wanneer de partij die het contract eenzijdig wil beëindigen, bij de opzegging ervan, met de andere partij niet is overeengekomen nopens de in acht te nemen opzeggingstermijn, de rechter, bij wie het geschil wordt aangebracht, niet door het opleggen van een termijn of een bijkomende termijn, in de uitvoering van de overeenkomst vermag in te grijpen.

De door de appelrechters aangehaalde artikelen 3.4 en 3.5 van de Verordening 1400/2002/EG betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, houden evenmin in dat de rechter, in geval de opzegging niet regelmatig zou zijn gebeurd of de opzeggingstermijn ontoereikend zou zijn, de uitwerking van de opzegging zou kunnen schorsen.

Door te beslissen dat, "wanneer de bodemrechter vaststelt dat die opzegging niet het gewenste resultaat heeft kunnen hebben, niet (kan) worden uitgesloten dat hij de effecten van de opzegging(en) neutraliseert, hetgeen kan resulteren in de vaststelling dat de relaties niet werden beëindigd" en voorlopig de uitwerking van de opzeggingen vervat in de brieven van eiseres van 3 november 2003 en 27 september 2004 te schorsen, onder de verbeurte van een dwangsom, betrekken de appelrechters bij de voorlopige beoordeling van de rechten van partijen, een rechtsregel die hun beslissing niet redelijk kan schragen (schending van artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en schenden zij tevens de overige in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, is vreemd aan de grief dat de appelrechters uitspraak hebben gedaan over de grond van de zaak.

2. Voor het overige oordelen de appelrechters niet stellig dat de concessie voor onbepaalde tijd was verleend, maar preciseren ze ook dat "op het eerste gezicht" de opzegging van aangegane verbintenissen in de concrete omstandigheden onrechtmatig leek.

3. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Als de zaak spoedeisend is, kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt. Hij mag hierbij geen declaratoir van rechten doen, noch de rechtspositie van de partijen definitief regelen.

De rechter in kort geding die zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van de partijen na te gaan en te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregelen die hij beveelt, niet redelijk kunnen schragen, overschrijdt de grenzen van zijn bevoegdheid niet.

5. Wanneer de partij de overeenkomst van onbepaalde duur eenzijdig wenst te beëindigen, vermag de rechter niet, door het opleggen van een bijkomende opzeggingstermijn, in de uitvoering van de overeenkomst in te grijpen. In dergelijk geval heeft de kortgedingrechter wel de mogelijkheid om beperkte maatregelen tot bewaring van het recht te treffen, en om met name een ware schadeloosstelling mogelijk te maken, of nog om de handhaving van de contractuele rechten van de tegenpartij niet louter theoretisch te maken.

6. De appelrechters gronden hun oordeel dat de uitwerking van de opzeggingen vervat in de brieven van de eiseres voorlopig geschorst dienen te worden, in hoofdorde op de urgentie gebaseerd op de feitelijke beoordeling dat het geen twijfel lijdt dat in de geschetste omstandigheden de beëindiging van de relaties de verweerster ernstige schade toebrengt aangezien deze zich sedert oktober 2003 geheel en zonder andere bijkomende activiteit afgestemd heeft op de uitvoering van de vermelde overeenkomsten met onbepaalde tijdshorizon en aangezien zij gerichte investeringen heeft verricht, zich onderworpen heeft aan normatieve controles vanwege Volvo en heeft deelgenomen aan concessieovereenkomsten.

Verder gaan zij nader in op de rechten van de partijen en oordelen zij dat op het eerste gezicht niet voor ernstige betwisting vatbaar is dat de voor onbepaalde duur aangegane verbintenissen niet rechtmatig konden worden opgezegd na minder dan twee maanden uitwerking te hebben gehad en dat ook de motivering van de opzegging aan kritiek kan blootstaan.

Eveneens stellen zij vast dat de eiseres de relaties niet heeft verbroken, maar opzegging heeft betekend naar hetgeen volgens haar in overeenstemming is met de overeenkomsten tussen de partijen en dat wanneer de bodemrechter vaststelt dat die opzegging niet het gewenste resultaat heeft kunnen hebben, niet kan worden uitgesloten dat hij de effecten van de opzeggingen neutraliseert, hetgeen kan resulteren in de vaststelling dat de relaties niet werden beëindigd.

7. De appelrechters hebben bij de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van partijen geen rechtsregels betrokken die hun beslissing niet redelijk konden schragen.

8. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 779,58 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 28/07/2016 - 10:48
Laatst aangepast op: zo, 15/10/2017 - 11:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.