-A +A

Rechter kan een conclusietermijn bepalen beperkt tot een deel van de betwisting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Ieper
Datum van de uitspraak: 
maa, 22/05/2017

Het Hof van Cassatie van 8 maart 2013 stelde dat de laatste conclusie alomvattend dient te zijn en dat de argumentatie, de middelen en de eisen die niet in de syntheseconclusie staan door de rechtbank niet in aanmerking kunnen genomen en dat hieraan niet meer te remediëren valt, zodat een nieuwe conclusieronde geen oplossing kan bieden.

Art. 748bis Ger.W. bepaalt dat de laatste conclusie van een partij de vorm aanneemt van syntheseconclusies. Voor de toepassing van art. 780, eerste lid, 3°o Ger.W. vervangen alle vorige conclusies en in voorkomend geval de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.

Art. 748bis Ger.W. heeft tot doel het verloop van het geding te verbeteren en de rechtsgang te versnellen door het werk van de rechter te verlichten en nader te omschrijven, zodat hij in de regel enkel rekening mag houden met de laatste syntheseconclusie. Deze bepaling raakt de openbare orde (Cass. 6 februari 2015, RW 2015-16, 1501)

Wanneer nu een zaak stond gefixeerd stond op basis van art. 747 Ger.W en deze zaak aanleiding geeft tot een tussenvonnis waarin het laatste woord gelaten wordt aan een partij en in die laatste conclusie een nieuw argument ontwikkeld, is het denkbaar dat een partij een «noodconclusie» neergelegT.

Na een debat tussen de partijen kunnen dan op de terechtzitting nieuwe conclusietermijnen worden overeengekomen waarbij er dan ter terechtzitting uitdrukkelijk wordt gesteld dat deze conclusies enkel betrekking zouden hebben op een bepaald punt, met het oog op het niet nodeloos vertragen van de zaak.

In deze optiek passen is het aanvaardbaar binnen deze afspraken dat de reeds neergelegde conclusies niet dienen te hernomen of herhaald. Het kan dan volstaan ernaar te verwijzen. De doelstelling van de wetgever werd immers bereikt, namelijk het niet nodeloos vertragen en compliceren van de procedure.

In dit geval kan de rechtbank correct oordelen dat de laatste conclusie géén afstand van haar vordering inhoudt (voor hetgeen reeds in eerdere conclusies werd gesteld), waarbij deze laatste conclusie dan ook niet als syntheseconclusies dient te worden beschouwd.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1189
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA I.R. t/ NV C.B. en BVBA G.

2. De relevante feiten

De partijen inzake zijn:

– de BVBA G., zijnde een leasingmaatschappij;

– de NV C.B., een firma gespecialiseerd in de verkoop, verhuur en het onderhoud van betaalterminals;

– de BVBA I.R., een vennootschap die een Bed and Breakfast uitbaat in de Brugse binnenstad.

BVBA I.R. ondertekende een niet-gedateerde bestelbon voor een leasing van een betaalterminal. Op de bestelbon staat genoteerd dat er een leasing van 36 maanden wordt afgesloten ad 44,47 euro per maand en 61,05 euro restwaarde.

De terminal werd geleverd op 10 juli 2008 met vermelding leverancier C. C. De leveringsbon staat op de hoofding van BVBA G.

Op 28 juli 2008 bevestigde BVBA G. de leasing waarbij zij verwijst naar het contractnummer, te gebruiken bij elke correspondentie. Zij schrijft «

overeenkomstig uw aanvraag hebt U voor de aankoop van het materiaal aan het einde van de huurovereenkomst geopteerd, voor de som die op uw contract voorkomt. De modaliteiten voor het opheffen van de aandelenoptie worden bepaald door art. 14 van onze algemene voorwaarden. ...»

De leasingovereenkomst liep derhalve van 10 juli 2008 tot en met 10 juli 2011. Gedurende deze periode werden de betalingen aan BVBA G. verricht.

Op 29 november 2013 schrijft de NV C.B. de BVBA I.R. aan met de mededeling dat zij haar naam heeft gewijzigd én de samenwerking met de BVBA G. heeft stopgezet. De NV C.B. schrijft:

«... en heeft de NV C.B. in de hoedanigheid van uw betaalterminalprovider en dienstverlener het oorspronkelijk leasingcontract overgenomen.

Aangezien de leasingperiode afgelopen is, gaan wij ervan uit dat u de terminal reeds van de BVBA G. heeft afgekocht ...»

Naar aanleiding van deze brief richtte de BVBA I.R. zich tot de BVBA G., waarbij zij erop wijst dat:

– er ten onrechte kwartaalkosten werden gedebiteerd via domiciliëring;

– er niet werd gecommuniceerd naar aanleiding van het einde van de overeenkomst, zijnde 10 juli 2011;

– er ondertussen nog dertig maanden leasingsommen werden betaald;

– er wordt een commercieel voorstel geformuleerd.

De BVBA G. repliceert dat haar algemene voorwaarden bepalen dat er drie maanden voorafgaand aan het einde van de overeenkomst dient opgezegd te worden met het oog op het lichten van de koopoptie. Anders wordt de leasing automatisch verlengd.

Er volgt een uitgebreide e-mailcorrespondentie tussen de drie partijen.

Op 6 januari 2014 schrijft de NV C.B. dat in de algemene voorwaarden van de BVBA G. vermeld staat dat de BVBA I.R. zelf de aankoopfactuur dient op te vragen, zo niet wordt het contract stilzwijgend als huurcontract verlengd.

Ondertussen factureert de BVBA G. voor de afkoop van de terminal.

Deze factuur wordt betwist.

...

Uit de voorgelegde facturen van de BVBA G. blijkt dat zij telkens aanrekent onder de noemer huur of kwartaalkosten, ook na de stilzwijgende verlenging van de leasing.

Uit verdere correspondentie blijkt dat sinds 10 juli 2011 de BVBA I.R. kon genieten van software-updates. Deze werden echter niet vergoed, omdat de NV C.B. hiervoor niet aan de BVBA G. factureerde (omdat de NV C.B. ervan uitging dat de leasing was beëindigd), noch aan de BVBA I.R. Uiteindelijk werd er in 2011 voorgesteld om in te tekenen op een Service-Plus-Contract (d.i. dan de brief van 29 november 2013).

Op 15 mei 2014 factureert de BVBA G. met een factuur (...) de restwaarde. Deze factuur werd door de BVBA I.R. niet ontvangen op de factuurdatum, maar met een e-mailbericht van de raadsman van de BVBA G. van 7 oktober 2014. De factuur werd niet opgenomen in de boekhouding van de BVBA I.R.

Ondertussen is de BVBA I.R. op 21 februari 2014 overgegaan tot dagvaarding van de BVBA G. en de NV C.B.

...

3. Beoordeling

a. Inzake het procedure-incident gerezen naar aanleiding van de conclusies van NV C.B. van 20 maart 2017

In haar syntheseconclusies beroept de NV C.B. zich op de schending van art. 748bis Ger.W. en betoogt zij dat de conclusies van de BVBA I.R. 20 februari 2017 hieraan niet beantwoorden, zodat zij afstand deed van haar vordering. Er wordt hierbij verwezen naar rechtspraak van het Hof van Cassatie van 8 maart 2013. Ter zitting van 24 april 2017 stelt de raadsman van de NV C.B. dat hieraan niet meer te remediëren valt, zodat een nieuwe conclusieronde geen oplossing kan bieden.

Art. 748bis Ger.W. bepaalt dat de laatste conclusie van een partij de vorm aanneemt van syntheseconclusies. Voor de toepassing van art. 780, eerste lid, 3o Ger.W. vervangen alle vorige conclusies en in voorkomend geval de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.

Art. 748bis Ger.W. heeft tot doel het verloop van het geding te verbeteren en de rechtsgang te versnellen door het werk van de rechter te verlichten en nader te omschrijven, zodat hij in de regel enkel rekening mag houden met de laatste syntheseconclusie. Deze bepaling raakt de openbare orde (Cass. 6 februari 2015, RW 2015-16, 1501)

In casu dient op het procedureverloop gewezen te worden. Die zaak stond gefixeerd op basis van art. 747 Ger.W. ter zitting van 19 december 2016 en dit in het kader van het dossier gekend onder A/15/01056 (beroep door de BVBA I.R.) en bepaald per tussenvonnis (waarin werd geoordeeld over het al dan niet nietig zijn van de beroepsakte) van 14 maart 2016. Aan de BVBA G. werd toen het laatste woord gelaten. In de laatste conclusies werd door de BVBA G. een nieuw argument ontwikkeld, namelijk in verband met de exceptie op basis van art. 1053 Ger., door de BVBA I.R. in limine litis ontwikkeld (deze exceptie past in het kader van het dossier nr. A/16/00946 en heeft betrekking op het feit dat de NV C.B. niet bij het beroep van G. werd betrokken). Het was pas in conclusies van 29 november 2016 dat de BVBA G. hierop repliceert.

De BVBA I.R. heeft hiervoor een «noodconclusie» neergelegd ter zitting van 19 december 2016.

Na debat tussen de partijen werden nieuwe conclusietermijnen overeengekomen. Ter zitting is uitdrukkelijk gesteld dat deze conclusies enkel betrekking zouden hebben op dit punt, dit net met het oog op het niet nodeloos vertragen van de zaak.

In deze optiek passen de conclusies van de BVBA I.R. binnen deze afspraken en diende zij haar reeds neergelegde conclusies niet te hernemen en te herhalen. Het volstond ernaar te verwijzen. De doelstelling van de wetgever werd immers bereikt, namelijk het niet nodeloos vertragen en compliceren van de procedure.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de BVBA I.R. géén afstand van haar vordering heeft gedaan. De «vierde conclusies» van 20 februari 2017 dienen dan ook niet als syntheseconclusies te worden beschouwd.

...

c. De exceptie art. 1053 Ger.W. in het kader van de zaak (...) – Ontvankelijkheid en toelaatbaarheid van het hoger beroep van de BVBA G.

i. Impliciet akkoord van de BVBA G.?

1. De BVBA G. tekende met verzoekschrift hoger beroep aan tegen het vonnis van de Vrederechter over het eerste kanton Ieper. Het beroep was enkel gericht tegen de BVBA I.R. Deze beroept zich op art. 1053 Ger.W. dat bepaalt dat wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep moet gericht worden tegen alle partijen van wie het belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Ten laatste vóór het sluiten van het debat kan deze partij nog in het geding worden geroepen. Deze bepaling is van openbare orde (Cass. 24 februari 2005, Arr.Cass. 2005, 458).

De BVBA I.R. heeft in conclusies genomen voor de rechtbank van eerste aanleg van 3 december 2015 de schending van dit art. 1053 Ger.W. ingeroepen. Vooraf in briefwisseling was reeds over dit punt gecorrespondeerd.

In de conclusies voor de BVBA I.R. van 18 april 2016 heeft deze laatste gesteld afstand te doen van deze exceptie indien de beide andere partijen akkoord gaan met samenvoeging.

Pas voor het eerst in conclusies van 29 november 2016 wordt hierover door de BVBA G. geconcludeerd. In die optiek wordt aan partijen dan ook de mogelijkheid gegeven te concluderen op dit punt (zie sub a.). Op dat ogenblik is er nog steeds geen akkoord tot samenvoeging. Dit akkoord gebeurt aan de hand van het debat zoals gevoerd ter zitting van 19 december 2016.

Ten onrechte meent de BVBA G. dat zij reeds eerder met de samenvoeging akkoord is gegaan. In conclusies is hierover niets terug te vinden. Het is pas naar aanleiding van haar laatste conclusietermijn van 29 november 2016 dat de BVBA G. plots hierover concludeert. Zij meent impliciet akkoord te hebben gegeven in de voorafgaande briefwisseling.

Deze voorafgaande briefwisseling is op zijn minst onduidelijk en zelfs tegenstrijdig te noemen. Bovendien dient een dergelijk akkoord ten aanzien van de rechtbank te worden bevestigd en niet in briefwisseling tussen raadslieden en/of de partijen. Deze stukken maken alsnog geen procedurestukken uit.

De BVBA G. is dan ook geenszins akkoord gegaan met de samenvoeging, zodat de BVBA I.R. terecht haar exceptie van toelaatbaarheid herneemt.

...

5. Tot slot wijst de rechtbank erop dat de niet-naleving van de regels van art. 1053 Ger.W. ambtshalve moet worden ingeroepen, omdat de materie van openbare orde is.

ii. Art. 1053 Ger.W.

De discussie ontspint zich thans op het niveau van art. 1053 Ger.W. en de vraag of de BVBA G. de NV C.B. bij haar beroep had moeten betrekken. Met andere woorden, betreft het een onsplitsbaar geding of niet?

De notie onsplitsbaarheid is een versterkte vorm van samenhang. Een geschil is onsplitsbaar wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen, waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn (art. 31 Ger.W.). De regels van de samenhang zijn van toepassing (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 306).

Er is sprake van samenhang wanneer eisen onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde onverenigbare oplossingen bij een afzonderlijke berechting te vermijden (art. 30 Ger.W.).

Gelet op de verwevenheid van de contractuele relaties en de onduidelijkheid die hierover is geschapen (zie het e-mailverkeer tussen partijen voorafgaandelijk aan de procedure), is het duidelijk dat er sprake is van samenhang. Het is niet uitgesloten dat een afzonderlijke berechting ten laste van de BVBA G. en de NV C.B. tot tegenstrijdige uitspraken zou kunnen leiden. Het is niet omdat de leasingovereenkomst geen strikte meerpartijenovereenkomst (maar wel een meerpartijenoperatie) is, dat er in casu geen samenhang is met de vorderingen tegen BVBA I.R. Immers, BVBA I.R. sloot met NV C.B. een overeenkomst af betreffende de betaalterminal. BVBA I.R. trad in contractuele relatie met BVBA G. voor de leasing. Beide overeenkomsten zijn met elkaar vervlochten.

De rechtbank is van oordeel dat er wel degelijk samenhang is en derhalve onsplitsbaarheid.

Een van de aspecten in het dossier betreft het eigendomsrecht over de betaalterminal. Dit is een niet in geld waardeerbare vordering. Dit element doet eveneens besluiten dat het om een onsplitsbaar geschil gaat.

...

De contractuele relaties tussen de partijen

In haar brief van 28 juli 2008 schrijft de BVBA G.: «Overeenkomstig uw aanvraag, hebt U voor de aankoop van het materiaal aan het einde van de huurovereenkomst geopteerd, voor de som die op uw contract voorkomt.» Dit is een bevestiging van hetgeen in de overeenkomst tussen de NV C.B. en de BVBA I.R. staat genoteerd. De brief gaat verder: «De modaliteiten voor het opheffen van de aandelenoptie worden bepaald door art. 14 van onze algemene voorwaarden.»

Achteraf is gebleken dat de BVBA I.R. drie maanden vóór het verlopen van de termijn een aangetekende brief aan de BVBA G. diende te richten; zo niet wordt de overeenkomst zesmaandelijks verlengd, wat in casu ook is gebeurd. Nochtans heeft de BVBA I.R. bij de aanvang van de overeenkomst uitdrukkelijk gekozen voor de aankoopoptie en dit werd door de BVBA G. en de NV C.B. ook in die zin bevestigd.

Geruisloos werden op die manier gedurende dertig maanden leasegelden geïnd.

De BVBA I.R. beklaagt zich erover dat de omschrijving van de facturatie na het einde van de overeengekomen leasingperiode (dus na 10 juli 2011) dezelfde bleef als voorheen, namelijk kwartaalkosten, en niet spreekt over de verlenging van de leasingperiode.

Overeenkomsten dienen te goeder trouw te worden uitgevoerd. Dit geldt aan beide zijden van het contractueel veld.

De factuur kan worden beschouwd als een aanspraakbevestiging. Indien een handelaar zich op een aanvaarde factuur wenst te beroepen, dient deze aanspraakbevestiging voldoende precies te zijn, zodat de wederpartij ertoe zou zijn gehouden om deze te bestrijden. Een factuur zonder vermelding van de oorzaak van de schuld moet in beginsel niet worden geprotesteerd. De schuldeiser heeft een informatieplicht, die evenzeer een eis van goede trouw en eerlijk handelsgebruik is (M.E. Storme, «Bewijs- en verbintenisrechtelijke beschouwingen omtrent het stilzitten van de aangesprokene bij een factuur en bij andere vormen van aanspraakbevestiging», TBH 1990, p. 436 e.v., nr. 26).

De BVBA G. heeft zich niet gekweten van haar informatieplichten en dit op twee vlakken: met name door de BVBA I.R. niet op de hoogte te brengen van het aflopen van de leasingtermijn en de aankoopoptie en door dermate te factureren dat de BVBA I.R. niet kon opmerken dat de leasingperiode reeds was verstreken.

De BVBA G. kan zich hierbij niet op haar art. 14 van de algemene voorwaarden beroepen. Vooreerst betreft het een ongebruikelijk beding. In haar begeleidende brief verwijst de BVBA G. naar een aandelenoptie, wat op zijn minst verwarrend te noemen is. Bovendien werd bij aanvang van de contractuele relatie uitdrukkelijk geopteerd voor de afkoopoptie, zodat het schrijven van een aangetekende brief niet nodig was, omdat de BVBA G. duidelijk wist dat de BVBA I.R. voor de aankoopoptie koos.

De BVBA G. heeft de overeenkomst niet te goeder trouw uitgevoerd. Terecht verwijst de BVBA I.R. naar malafide praktijken en rechtsmisbruik.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onrechtmatig geïnde leasingvergoeding tot dertig maanden na het einde van de leasingovereenkomst dient terugbetaald te worden.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/03/2018 - 22:06
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 19:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.