-A +A

Rechter dient geen rekening te houden met een voorbehoud tot verdere conclusie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 11/02/2015

Een zaak is in staat van wijzen en de rechter kan over de vordering uitspraak doen als iedere partij over de zaak zelf heeft geconcludeerd (of in gebreke is gesteld dit te doen), zelfs indien één van de partijen slechts op onvolledige wijze op het verweer of op de vordering van haar tegenpartij heeft geantwoord, en ook al heeft één van de partijen zich het recht voorbehouden later te concluderen over een punt van het geschil

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
349
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

N. t/ B. en M.

...

Procedure – Voorwerp van de vorderingen

...

In essentie strekt de vordering van de heer B.V. (hierna: “de man”) ertoe om – langs gerechtelijke weg – zijn vaderschap vast te stellen ten aanzien van het kind M.B. (...) (hierna: “het kind”).

De (door de man gewenste) erkenning werd hem geweigerd door mevrouw N.B. (hierna: “de vrouw”), reden waarom de man zich tot de rechter heeft gewend.

...

Beoordeling

...

De man voert aan dat hij de vader is van het kind en wenst zijn vaderschap langs gerechtelijke weg te doen vaststellen.

De voogd ad hoc concludeert dat het ook in het belang van het kind is dat geweten is wie zijn biologische vader is; zij gedraagt zich naar de wijsheid van het hof voor wat betreft het gevorderde DNA-onderzoek.

Op het zittingsblad van de zitting van 24 december 2013 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren (zijnde een authentieke akte) werd ervan akte genomen dat alle partijen, dus ook de vrouw (alsdan vertegenwoordigd door haar advocaat), akkoord gingen met de voormelde onderzoeksmaatregel. Dit akkoord werd nogmaals herhaald in het bestreden vonnis.

Het hof stelt vast dat geen vordering tot ontkentenis van proceshandeling wordt ingesteld door de vrouw, spijts haar beweringen in conclusie dat haar toenmalige raadsman tegen haar instructies in zou hebben gehandeld. Dit houdt in dat het wettelijk vermoeden van volmacht op grond van art. 140 Ger.W. speelt.

De combinatie van dit wettelijk vermoeden met de vaststelling dat de vrouw de procedure in art. 848-849 Ger.W. niet heeft gevolgd, noopt naar het oordeel van het hof tot het besluit dat het (in beroep betwiste) akkoord van de vrouw met de voormelde onderzoeksmaatregel ook thans gestand blijft.

Het – door de vrouw – beweerde niet-gemandateerde optreden van de toenmalige raadsman van de vrouw kan dan ook niet langer staande gehouden worden.

Het beweerde vaderschap van de man kan op geen enkele andere wijze vastgesteld worden dan langs gerechtelijke weg. Ten aanzien van hem geldt er geen wettelijk vermoeden van vaderschap (aangezien hij niet gehuwd was met de moeder van het kind), terwijl de vrouw voorts weigert in te stemmen met een erkenning door de man.

Een DNA-onderzoek komt dan ook raadzaam voor.

Overigens kan de rechter op grond van art. 331octies BW zelfs ambtshalve een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methode gelasten.

Het verweer van de vrouw tegen de door de man gevorderde onderzoeksmaatregel is onterecht.

a) In de persoon van de man is er geen sprake van enig rechtsmisbruik.

b) De man maakt aan de hand van de verstrekte gegevens en de voorgelegde stukken afdoende aannemelijk dat hij een relatie met de vrouw heeft gehad; hij heeft dan ook het recht om zijn beweringen te bewijzen. Er worden door de man trouwens onderscheiden stukken (foto’s, geboortekaartje, bestelling doopsuiker, verklaring kinderwinkel/babylijst, ...) bijgebracht die zijn beweringen aannemelijk maken; tegen geen van deze stukken wordt door de vrouw een incidentele valsheidsvordering ingesteld.

c) Bij de beoordeling van de door de man gevorderde onderzoeksmaatregel moet worden uitgegaan van de regel dat de rechter op onaantastbare wijze de opportuniteit van een onderzoeksmaatregel beoordeelt, mits hij het recht op bewijs niet miskent (zie o.a. ook: Cass. 17 september 1999, Arr.Cass. 1999, 1122, Cass. 4 maart 1999, Arr.Cass. 1999, 313).

Het recht op bewijs, dat voortvloeit uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en uit art. 6 EVRM, is het recht van elke procespartij om enerzijds de bewijzen waarover zij beschikt voor te leggen en anderzijds te verzoeken dat de bewijzen waarover zij nog niet beschikt, zouden worden vergaard aan de hand van de nodige onderzoeksmaatregelen (zie o.a. Cass. 25 september 2000, Arr.Cass. 2000, 1424). Dat recht op bewijs verhindert o.a. dat de rechter een onderzoeksmaatregel zou weigeren omdat de aangevoerde feiten niet bewezen zouden worden of omdat niet reeds andere bewijsmiddelen zouden worden aangebracht.

In gevallen waarin een partij aantoont dat haar geen andere bewijsmogelijkheden ter beschikking staan, prevaleert art. 6 EVRM op de klassieke bewijslastregels; bijgevolg kan art. 6 EVRM in voornoemde geschetste context zelfs beschouwd worden als een noodrecht (J. Van Doninck, Onrechtmatig bewijs in civiele zaken, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 25, nr. 63). Het bewijsrecht heeft overigens een dienende functie en geldt ter ondersteuning van de effectuering van materiële rechten van de rechtssubjecten (vgl: J. Laenens, “Rechtscultuur en bewijs in civiele zaken” in Hulde aan Prof. Dr. Jean Laenens, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 209; zie voorts ook nog: M.E. Storme, “De goede trouw in het geding? De invloed van de goede trouw in het privaat proces- en bewijsrecht”, TPR 1990, 356).

d) Het recht van verdediging van de vrouw is op geen enkele wijze geschonden. Haar hoger beroep werd ontvankelijk verklaard. De vrouw heeft bovendien de gelegenheid gekregen haar standpunt uiteen te zetten in conclusies. Zij heeft, bij monde van haar raadsman, haar stelling ook nog kunnen toelichten ter zitting van dit hof op 13 januari 2015. Ten slotte heeft zij de kans onbenut gelaten om een vordering tot ontkentenis van proceshandeling in te stellen (zie supra). Alleszins bestaat er thans geen enkele reden meer om nog aanvullende conclusietermijnen toe te kennen.

Een zaak is in staat van wijzen en de rechter kan over de vordering uitspraak doen als iedere partij over de zaak zelf heeft geconcludeerd (of in gebreke is gesteld dit te doen), zelfs indien één van de partijen slechts op onvolledige wijze op het verweer of op de vordering van haar tegenpartij heeft geantwoord, en ook al heeft één van de partijen zich het recht voorbehouden later te concluderen over een punt van het geschil (vgl.: Cass. 21 december 1967, Arr.Cass. 1968, 594; Cass. 9 oktober 1969, Arr.Cass. 1970, 145; Cass. 12 mei 1978, Arr.Cass. 1978, 1070; Cass. 3 januari 1980, Arr.Cass. 1979-80, 510). In dat verband zij opgemerkt dat er, in het burgerlijk procesrecht, niet zoiets bestaat als een recht om een procedure in verschillende episodes te laten verlopen (zie o.a. C. Van Severen, “Partijen kunnen niet eenzijdig beslissen tot een opsplitsing van de rechtspleging”, NJW 2014, 611; K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, p. 97, nr. 63). De samenleving heeft baat bij een rechtspleging die zo snel mogelijk tot een einde komt. Het burgerlijk geding is immers een tijdsgebonden gebeuren bij uitstek. De partijen bij een rechtsstrijd kunnen slechts rekenen op een behoorlijke rechtsbedeling, wanneer zij de zaak in staat van wijzen brengen met de nodige spoed en ijver. Processuele termijnen moeten zorgen voor gepaste voortvarendheid, waarbij de rechter moet waken over een vlotte procesvoering. Het algemeen beginsel van het recht van verdediging, als exponent van het recht op een eerlijk proces (zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM), sluit overigens ook niet uit dat de wet het ogenblik vastlegt tot wanneer de gedingvoerende partijen geschriften of stukken kunnen indienen of vorderingen kunnen stellen (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriair, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 127, nrs. 213-214; E. Brewaeys, “De redelijke termijn in het burgerlijk geding” in Kent U de termijn nog? Termijnregelingen in en buiten de procedure, Brussel, Larcier, 2004, (1), p. 3, nrs. 3-5).

Centraal staat het belang van het kind. Zowel art. 22bis Gw. als art. 3, eerste lid van het Kinderrechtenverdrag verplichten de rechter ertoe om in de eerste plaats het belang van het (minderjarig) kind in aanmerking te nemen in de procedures die betrekking hebben op het kind. Bij de afweging van de onderscheiden belangen neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie (GwH 7 maart 2013, RW 2013-14, 170 en de talrijke verwijzingen in voornoemd arrest naar de rechtspraak van het EHRM).

Art. 7 van het voormelde Kinderrechtenverdrag bepaalt voorts nog dat het kind het recht heeft zijn ouders te kennen; onder deze verdragsbepaling dient ook het recht te worden begrepen om zijn afstamming – langs vaderszijde – gerechtelijk te laten vaststellen. De vaststelling van de afstamming is in onderhavige zaak geenszins nadelig voor het kind.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

Met toepassing van art. 1068, tweede lid Ger.W. wordt de zaak opnieuw verzonden naar de eerste rechter.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 28/10/2016 - 18:13
Laatst aangepast op: vr, 28/10/2016 - 18:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.