-A +A

Rechter die juridische omschrijving geeft aan feiten moet partijen niet toestaan daarover tegenspraak te voeren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 12/02/2016
A.R.: 
C.15.0259.F

De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op feiten die hem regelmatig zijn voorgelegd en het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en het recht van verdediging van de partijen eerbiedigt

Wanneer de partijen feiten aanvoeren waarop zij hun vordering of hun verweermiddel steunen, zonder daaraan een juridische omschrijving te geven of enige rechtsgrond te vermelden, miskent de rechter die de voormelde feiten kwalificeert en daarop een rechtsgrond toepast zonder de partijen toe te staan daarover tegenspraak te voeren, hun recht van verdediging niet.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1178
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. M. L.
2. IMMOBILIÈRE DE LA FERRIÈRES bvba,
tegen
A. L.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 december 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof

Eerste onderdeel

De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen eerbiedigt.

Wanneer de partijen de feiten aanvoeren waarop hun vordering of verdediging is gebaseerd, zonder daaraan een juridische omschrijving te geven of zich op een rechtsregel te beroepen, miskent de rechter die de voormelde feiten omschrijft en op die feiten het recht toepast, zonder de partijen toe te staan daarover tegenspraak te voeren, hun recht van verdediging niet.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt:

– in haar laatste appelconclusie betoogde de verweerster dat zij houder was van 437 aandelen van de eiseres en beriep zich daartoe op de akte van oprichting van die vennootschap. Tot staving van haar vordering voerde zij in die conclusie verschillende feitelijke gegevens aan, zonder de juridische grondslag ervan te preciseren;

– in hun laatste appelconclusie betoogden de eisers, in het feitenrelaas, «dat [de eiser] niet als enige aandeelhouder op het volledige kapitaal van [de eiseres] mocht inschrijven; de oprichtingsakte diende dus een tweede aandeelhouder te vermelden; die «constructie» werd door de partijen dus om zuiver opportunistische redenen opgezet; [...] bijgevolg werd bepaald dat [de eiser] en [de verweerster] respectievelijk 813 en 437 aandelen in hun bezit zouden hebben, die samen het kapitaal vertegenwoordigden; die verdeling werd willekeurig beslist [....] met als enig doel [de verweerster] «op papier» de tijdelijke hoedanigheid van aandeelhouder toe te kennen teneinde de terugbetaling te waarborgen van het bedrag dat ze als voorschot had betaald; [...] in werkelijkheid kwam die denkbeeldige verdeling van de aandelen net tot stand met de bedoeling om te wijzen op de kunstmatige rol die [de verweerster] met haar inbreng in het kapitaal van [de eiseres] speelde; [...] immers, aangezien de positie van [de verweerster] in de schoot van [de eiseres] volkomen fictief is, stelt zij zich ten opzichte van [de eiser] spontaan in de achtergrond op, waarbij zij er zich heel goed van bewust is dat ze geen eigen functie binnen de vennootschap bekleedt»; tijdens de «bespreking» van die conclusie hebben de eisers die beweringen in feite herhaald zonder hun verdediging met enige rechtsregel te staven.

Het arrest, dat overweegt dat de eiser «zich [...] in werkelijkheid beroept op een overeenkomst van naamlening, d.w.z. een overeenkomst waarbij een persoon zich ertoe verbindt een rechtshandeling in eigen naam maar voor rekening van een andere persoon te stellen, wiens naam voor derden onzichtbaar blijft», en zodoende aan de hem voorgelegde feiten een juridische omschrijving geeft, werpt geen betwisting op waarvan de partijen het bestaan bij conclusie hadden uitgesloten en heeft bijgevolg, zonder de wettelijke bepalingen te schenden noch de algemene rechtsbeginselen te miskennen die in dat onderdeel worden vermeld, kunnen beslissen dat «[de eiser] [...] het bestaan van een overeenkomst van naamlening niet aantoont».

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Art. 660 Ger.W. bepaalt dat, behalve wanneer het voorwerp van de vordering niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort, iedere beslissing betreffende de bevoegdheid de zaak zo nodig verwijst naar de bevoegde rechter die zij aanwijst. De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.

Krachtens die bepaling is de rechter naar wie de zaak door een beslissing betreffende de bevoegdheid verwezen wordt, door die beslissing gebonden wat zijn bevoegdheid betreft, maar niet wat het geschil zelf betreft.

Het onderdeel, dat uitgaat van de opvatting dat de rechter die ten gronde uitspraak doet over een rechtsvraag, gebonden is door de redenen van het eindvonnis dat uitspraak doet over de bevoegdheid van de rechter die van die vraag heeft kennisgenomen, faalt naar recht.

Noot: 

zie ook Cass. 27 juni 2013, AR C.11.0508.F, AC 2013, nr. 399, Cass. 29 april 1983, RW 1983-84, 1827; Cass. 25 juni 1990, RW 1990-91, 1068.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/03/2018 - 18:00
Laatst aangepast op: wo, 21/03/2018 - 18:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.