-A +A

Recht van voorrang van schuldeiser blijft bestaan zolang schuldvordering niet geheel is betaald.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 20/10/2016
A.R.: 
C.15.0401.F

Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft bestaan zolang zijn schuldvordering op de hoofdschuldenaar niet geheel is betaald.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. C.15.0401.F
S.E.L.A.R.L. BAULAND, CARBONI, MARTINEZ & ASSOCIÉS, vennoot-schap naar Frans recht, voorheen S.E.L.A.R.L. Bauland, Gladel & Martinez,
tegen
1. BNP PARIBAS FORTIS nv,
2. Frédéric TORELLI, gerechtelijk mandataris.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 12 november 2012.

II. FEITEN VAN DE ZAAK

De feiten van de zaak, zoals die blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen worden samengevat als volgt:

1. In maart en december 1987 heeft de "Société nationale de crédit et d'investissement", in de rechten waarvan de verweerster is getreden, aan de ven-nootschap Bois du Val verschillende kredieten verstrekt voor een totaalbedrag van 718.891,22 euro, waaraan verschillende waarborgen waren gekoppeld. De heer S. heeft zich voor de verbintenissen van die vennootschap hoofdelijk borg gesteld voor een bedrag van 235.498,85 euro.

Die kredieten werden opgezegd op 23 juni 1988.

2. Bij vonnis van 12 december 1988 heeft de rechtbank van koophandel Charleroi het faillissement van de vennootschap Bois du Val uitgesproken.

3. Bij vonnis van 5 september 2001 werd de schuldvordering van de verweerster opgenomen in het bevoorrecht passief van de vennootschap Bois du Val voor een bedrag van 793.378,81 euro, onder voorbehoud van de vervallen interest vanaf 12 december 1988.

4. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Charleroi van 23 mei 1990 heeft de verweerster de veroordeling verkregen van M. S., in zijn hoedanigheid van hoofdelijke borg voor de verbintenissen van de failliete vennootschap, tot betaling van 245.854,15 euro, vermeerderd met de interest, en heeft zij via een uitvoerend beslag onder derden de betaling van 246.998 euro verkregen.

5. Bij vonnis van 11 januari 2002 heeft de tribunal de grande instance van Carpen-tras (Frankrijk) de gerechtelijk-herstelprocedure van de heer S. voor geopend ver-klaard.

6. De curator in het faillissement van de vennootschap Bois du Val heeft de nodi-ge verrichtingen tot sluiting van het faillissement gedaan en een proces-verbaal van rekening en verantwoording opgemaakt, waarin hij voorziet om aan de verweerster een dividend van 878.483,48 euro toe te kennen.

7. Bij exploot van 14 december 2005 heeft de eiseres aan de curator een uitvoe-rend beslag onder derden lastens M. S. doen betekenen tot beloop van 1.038.969 euro, krachtens een arrest van 24 september 1999 van het hof van beroep te Nîmes (Frankrijk).

8. De eiseres heeft de verweerster, de curator en de verweerder, in zijn hoedanig-heid van gerechtelijk vereffenaar van de goederen van de heer S., gedagvaard voor de rechtbank van koophandel Charleroi, om te doen zeggen dat hij in de plaats van de verweerster zal worden gesteld tot beloop van een bedrag van 522.989,74 euro, dat het uitvoerend beslag onder derden bijgevolg uitwerking kan krijgen tot beloop van dat bedrag, namelijk dat waarop M. S., krachtens zijn subrogatie in de rechten van de verweerster, aanspraak kan maken in het kader van de rekening en verantwoording van het faillissement van de vennootschap Bois du Val, en dat het vonnis bindend voor en tegenstelbaar aan de curator en de ver-weerder wordt verklaard.

De verweerster heeft gevorderd dat het uitvoerend beslag onder derden nietig en jegens haar niet-tegenstelbaar zou worden verklaard, dat de aanspraken van de eiseres op het haar toegekende dividend onontvankelijk of niet-gegrond zouden worden verklaard en dat voor recht zou worden gezegd dat de curator in het faillissement van de vennootschap Bois du Val haar het volledige dividend moet stor-ten.

De verweerder heeft gevorderd dat voor recht zou worden gezegd dat M. S. in de plaats van de verweerster wordt gesteld tot beloop van 522.989,74 euro en dat de curator zou worden veroordeeld om dat bedrag aan de verweerder te storten.

9. Het vonnis van de eerste rechter verklaart de vordering van de eiseres onont-vankelijk, de incidentele vordering van de verweerder ontvankelijk maar niet-gegrond en de incidentele vordering voor de verweerster ontvankelijk en gegrond in zoverre ze ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat de curator haar 878.483,48 euro moet storten, vermeerderd met de interest verkregen op de bij de Deposito- en Consignatiekas geopende rubriekrekening.

De eiseres en de verweerder hebben tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Het arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter, met de wijziging dat de vor-deringen van de eiseres en van de verweerder, gesteld dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond worden verklaard.

III. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
(...)

Gegrondheid van het cassatieberoep

Tweede middel

Beide onderdelen samen

In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, verduidelijkt het in geen van beide onderdelen in hoeverre het arrest die wetsbepalingen schendt en is het niet ontvankelijk.

Voor het overige bepaalt artikel 1252 Burgerlijk Wetboek dat de bij de artikelen 1249 en 1251 van dat wetboek bepaalde indeplaatsstelling plaatsheeft zowel te-gen de borgen als tegen de schuldenaars; zij mag niet de schuldeiser benadelen wanneer deze slechts gedeeltelijk betaald is en in dat geval kan hij zijn rechten, voor wat hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen bij voorkeur boven degene van wie hij slechts een gedeeltelijke betaling ontvangen heeft.

Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft bestaan zolang zijn schuldvorde-ring op de hoofdschuldenaar niet geheel is betaald.

Hieruit volgt dat, wanneer een borg zijn schuld jegens de schuldeiser slechts ge-deeltelijk betaalt, noch de verjaring van het recht van de schuldeiser op het onbetaalde gedeelte van die schuldvordering noch het verval van zijn recht om tegen de borg op te treden wegens niet-aangifte van zijn schuldvordering, overeenkom-stig artikel 53 van de Franse wet van 25 januari 1985 "relative au redressement et à la liquidation judiciaire des entreprises", een weerslag hebben op het recht van voorrang van de schuldeiser, wiens schuldvordering niet geheel is betaald, op zijn hoofdschuldenaar.

In zoverre beide onderdelen op de tegengestelde opvatting berusten, falen ze naar recht.

In zoverre, ten slotte, enerzijds, het tweede onderdeel de passage uit de conclusie niet preciseert die niet zou zijn beantwoord en, anderzijds, de schending van de artikelen 50, 51 en 53 van de Franse wet van 25 januari 1985, 3, derde lid, Burger-lijk Wetboek en 8, § 2, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk betreffende de rechterlijke bevoegdheid, het gezag en de tenuitvoerlegging van rechter-lijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, ge-sloten te Parijs op 8 juli 1899, geheel is afgeleid uit de, tevergeefs aangevoerde, schending van artikel 1252 Burgerlijk Wetboek, is dat onderdeel niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste onderdeel

Artikel 23 Faillissementswet 1997 bepaalt dat de rente van schuldvorderingen die niet gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht, pand of hypotheek, ophoudt te lopen vanaf het vonnis van faillietverklaring, doch alleen ten aanzien van de boedel en dat de rente van de gewaarborgde schuldvorderingen niet kan worden gevorderd dan van de opbrengst van de goederen die verbonden zijn voor het voorrecht, het pand of de hypotheek.

Uit die bepaling volgt dat de rente enkel ophoudt te lopen ten aanzien van de boe-del en niet ten aanzien van de gefailleerde of de borg van die gefailleerde.

Bijgevolg kan de hoofdschuldeiser, in wiens rechten de borg in de plaats gesteld meent te zijn, zich ten aanzien van die borg op de lopende rente beroepen zolang het dividend niet door de boedel is betaald, om zich aldus tegen de indeplaatsstel-ling van die borg te verzetten.

Het onderdeel, dat op de tegengestelde opvatting berust, faalt naar recht.

(...)

Dictum
Het Hof
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel in openbare terechtzitting van 20 oktober 2016 uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 29/06/2017 - 13:30
Laatst aangepast op: do, 29/06/2017 - 13:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.