-A +A

Recht van verdediging en raad van State

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/09/2011

Op en laatste memorie voor de Raad van State kan repliek worden gegeven.

Belangengroepen die bij administratieve beslissingen niet geconsulteerd.

Een overheid die een beslissing kan nemen, kan deze ook intrekken

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1907
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV E.B. t/ Belgische Staat

Arrest nr. 215.194

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 15 juni 2009, strekt tot de nietigverklaring van het KB van 24 maart 2009 betreffende radiotoegang in de frequentiebanden 3410-3500/3510-3600 MHz en 10150-10300/10500-10650 MHz.

III. Regelmatigheid van de rechtspleging

Beoordeling

5. De door de verwerende partij ingediende tweede laatste memorie is geen door het algemeen procedurereglement geregeld stuk, zodat zij in beginsel uit het debat moet worden geweerd. Er dient te dezen evenwel acht geslagen te worden op de omstandigheid dat de verwerende partij, gelet op art. 14, tweede lid van het procedurereglement – dat voorziet in een parallelle wisseling van de laatste memories door de partijen – niet in de gelegenheid is gesteld om een repliek te geven op de door de verzoekende partij in haar laatste memorie aangebrachte nieuwe elementen. Het recht van verdediging van de verwerende partij vereist evenwel dat zij daartoe de kans krijgt en met het oog daarop het administratief dossier kan vervolledigen. In verband met het door de verwerende partij neergelegde stuk 11bis moet overigens worden vastgesteld dat dit stuk zich reeds in het administratief dossier bevond, zij het dat het een ontwerpdocument betrof, terwijl thans een ondertekende en gedateerde definitieve versie ervan wordt bijgebracht. Er is dan ook geen grond om toepassing te maken van art. 21, derde lid RvS-Wet; de verwerende partij heeft immers tijdig het administratief dossier toegestuurd en vervolgens aangevuld.

6. Er is geen reden om de tweede laatste memorie en het stuk 11bis uit het debat te weren.

VIII. Onderzoek van de middelen

D. Het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel

Beoordeling

100. De verplichting tot consultatie van een belangengroep is geen ongeschreven beginsel dat het bestuur op grond van zijn verplichting tot behoorlijke regelgeving moet naleven. Er is evenmin een wettelijke bepaling die de verwerende partij oplegt om bij de totstandkoming van de bestreden regeling de belangengroepen te betrekken. Art. 18, § 1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bepaalt enkel dat het koninklijk besluit moet worden “genomen na advies van het Instituut en vastgesteld na overleg in de Ministerraad”. Het organiseren van een openbare consultatie zonder daartoe verplicht te zijn kadert in een zorgvuldige voorbereiding van het te nemen besluit.

101. Uit de door de verzoekende partij ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur kan geen verplichting worden afgeleid waarbij de overheid na de openbare consultatie bij het treffen van het bestreden reglementair besluit aan de operatoren had moeten meedelen aan welke opmerking al dan niet gevolg wordt gegeven en waarom. De overheid dient geen individuele verduidelijking te geven aan elk van de belanghebbenden die haar hun opmerkingen hebben bezorgd.

E. Het derde onderdeel van het tweede middel

Beoordeling

108. Het parallellisme van de vormen houdt in dat de overheid die bevoegd is om een administratieve beslissing te nemen, bij ontstentenis van een andersluidende bepaling ook de overheid is die bevoegd is om een einde te maken aan de gevolgen van die beslissing en dat zij daarbij een soortgelijke procedure moet volgen als die welke gevolgd is om de beslissing te nemen. Op basis van het principe van het parallellisme van de vormen en de zogenaamde “regel van de tegengestelde akte” is de wijziging van een reglementair besluit, behalve andersluidende bepaling, onderworpen aan dezelfde vormvereisten als de totstandkoming van het besluit zelf. Wanneer het substantiële vormvereisten betreft, kan de niet-naleving ervan grond opleveren tot vernietiging door de Raad van State.


 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/06/2012 - 20:06
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2012 - 20:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.