-A +A

Recht van opstal voor meer dan 50 jaar wordt herleid tot 50 jaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/12/2015
A.R.: 
C.15.0210.N

Het recht van opstal dat voor onbepaalde duur wordt bedongen, waardoor in werkelijkheid een zakelijk recht wordt gevestigd voor meer dan vijftig jaar, is niet nietig, maar dient herleid te worden tot deze wettelijk bepaalde maximumtermijn.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0210.N
M. V. M.,
eiseres,

tegen
1. M. M., advocaat, met kantoor te 9200 Dendermonde, Koning Astridlaan 8,
2. M. P., advocaat, met kantoor te 9200 Dendermonde, Kerkstraat 52,
beiden handelend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van Handelsdrukkerij E. De Veirman bvba,
verweerders,

3. BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 2 december 2010, 5 mei 2011, 20 oktober 2011 en 9 oktober 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen
- artikel 1134 Burgerlijk Wetboek;
- artikel 4 van de Wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal;
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing
Bij tussenarrest dd. 2 december 2010 besliste het hof van beroep om de termijn van het recht van opstal in casu te bepalen op de wettelijke maximumtermijn van 50 jaar:

"3. Bij gebrek aan een in de verkoopovereenkomst bepaalde duur van het in hoofde van de koper tot stand gekomen opstalrecht gaat het om een opstalrecht voor onbepaalde duur. Dergelijk opstalrecht is niet nietig, maar dient herleid te worden tot de wettelijk bepaalde maximumduur van vijftig jaar (...)."

 

Grieven

Eerste onderdeel

1. Na te hebben gezegd dat er geen in de verkoopovereenkomst bepaalde duur van het in hoofde van de koper tot stand gekomen opstalrecht aanwezig is, oordeelt het hof van beroep te Gent dat het gaat om een opstalrecht voor onbepaalde duur.

Na te hebben vastgesteld dat het gaat om een opstalrecht voor onbepaalde duur, oordeelt het hof van beroep te Gent dat dit opstalrecht niet nietig dient te worden verklaard, maar dient te worden herleid naar een opstalrecht van bepaalde duur, zijnde de wettelijk bepaalde maximumduur van vijftig jaar.

2. Door als dusdanig te oordelen dat het hier gaat om een opstalrecht voor de bepaalde duur van 50 jaar wordt de bindende kracht van de overeenkomst tussen partijen geschonden.

Overigens zou uit het feit dat niet uitdrukkelijk een kortere termijn werd bedongen op zich niet kunnen afgeleid worden dat dan maar de wettelijke maximumtermijn moet gelden.

Het gaat niet op in rechte om voor te houden dat wanneer partijen geen welbepaalde duur hebben bedongen de wettelijke maximumduur dient te gelden.

Tweede onderdeel

1. Alleszins heeft het bestreden arrest de bewijskracht van de overeenkomst tussen partijen miskend.

Deze geschreven akte werd door de huidige eiseres tot staving van hun betoog aan het hof van beroep voorgelegd.
In deze geschreven akte is duidelijk bepaald dat het ging om een overeenkomst van onbepaalde duur, gelet op het gebrek aan de vermelding van een bepaalde duur in deze overeenkomst.

Door desondanks te beslissen dat het hier ging om een overeenkomst van bepaalde duur - te weten 50 jaar - heeft het hof van beroep deze regelmatig voorgelegde akte in haar bewijskracht miskend.

Tweede middel
Geschonden wetsbepaling
- artikel 46 Faillissementswet.

Aangevochten beslissing

Bij tussenarrest dd. 2 december 2010 stelt het hof van beroep dat de curator het opstalrecht heeft beëindigd en dit in toepassing van artikel 46 Faillissementswet:

"4. Vervolgens rijst de vraag of het opstalrecht al dan niet werd beëindigd.

De curatele stelt dat het opstalrecht werd beëindigd in onderling overleg, minstens bij toepassing van artikel 46 Faillissementswet.

Een beëindiging van het opstalrecht in onderling akkoord is juridisch mogelijk, maar een dergelijk akkoord werd tussen [de eiseres] en de curatele nooit bereikt.
Wél stelt de curatele terecht dat zij dan minstens op grond van artikel 46 Faillissementswet het opstalrecht beëindigd heeft.

De eerste rechter heeft terecht beslist dat de curatele pas bij brief van 13 oktober 2002 op ondubbelzinnige wijze een einde heeft gesteld aan het opstalrecht. Dat dit onmiddellijk na het faillissement werd meegedeeld, blijkt niet uit de stukken van het dossier.

Besloten moet dus worden dat het opstalrecht werd beëindigd en dat [de eiseres] door natrekking eigenaar is geworden van het gebouw op 13 oktober 2002."

Grieven

Eerste en enig onderdeel

1. Na te hebben geoordeeld dat een beëindiging in onderling akkoord in casu niet van toepassing was, oordeelt het hof van beroep in zijn arrest dd. 2 december 2010 dat er wel een beëindiging van het opstalrecht heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2002 door de curator en dit met toepassing van artikel 46 Faillissementswet.

2. Artikel 46 Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de curators na hun ambtsaanvaarding onverwijld beslissen of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring, en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren.

Het faillissement op zich stelt geen einde aan de door gefailleerde gesloten overeen-komst.

Dit is echter niet het voorwerp van het geschil. Artikel 46 Faillissementswet heeft immers per definitie betrekking op contracten die niet automatisch worden beëindigd door het vonnis waarbij het faillissement wordt uitgesproken.

De verkoopovereenkomst, waarop de curator zich beroept, verleent een opstalrecht van onbepaalde duur en maakte het voorwerp uit van een notariële akte die werd overgeschreven in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder.

Door deze overschrijving is niet alleen het bestaan van dit opstalrecht, maar ook de onbepaalde duur van deze overeenkomst, tegenwerpbaar aan derden, en derhalve eveneens aan de curator van de gefailleerde.

Zelfs indien artikel 46 Faillissementswet geen uitzonderingen of afwijkingen vermeldt, laten de bewoordingen van dit artikel niet toe te stellen dat deze curator het bestaan en de duurtijd van deze notariële overeenkomst van handelshuur zou kunnen miskennen door deze overeenkomst voortijdig te beëindigen.

Dat de faillissementswet van openbare orde is en de curator het belang van de boedel moet nastreven is niet terzake dienend.

Doordat het hof van beroep te Gent echter heeft geoordeeld dat artikel 46 Faillisse-mentswet alsnog van toepassing zou zijn in casu om de verkoopovereenkomst te beëindigen, miskent zij het toepassingsgebied van artikel 46 Faillissementswet.

Derde middel

Geschonden wetsbepaling
- artikel 774, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek;
- beschikkingsbeginsel.

Aangevochten beslissing

Bij tussenarrest dd. 9 oktober 2014 van het hof van beroep te Gent werden de debatten ambtshalve heropend:

"In het tussenarrest d.d. 2 december 2010 was gevraagd dat de curatele standpunt zouden innemen omtrent het verweer van [de eiseres], meer bepaald dat de curatele geen rechtsgrond aangaf bij het stellen van haar vordering én dat de fiscale wetgeving voorziet in vermindering van de voorheffing indien het gebouw ongebruikt is en de curatoren deze hadden moeten vragen.

De curatoren beroepen zich op de rechtsgrond van onverschuldigde betaling.

Terecht werpt [de eiseres] op dat een som die betaald zou zijn zonder verschuldigd te zijn enkel kan verhaald worden op degene die deze som effectief heeft ontvangen. Artikel 1235 Burgerlijk Wetboek spreekt uitdrukkelijk van een ‘terugvordering'. Vermits de onroerende voorheffing betaald werd aan de Vlaamse Belastingsdienst kunnen de curatoren deze niet 'terugvorderen' van [de eiseres] op grond van artikel 1235 Burgerlijk Wetboek.

De vraag stelt zich evenwel of de curatoren hun vordering niet zouden kunnen enten op de theorie van de vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Het debat wordt heropend met verzoek aan de curatoren en [de eiseres] hieromtrent standpunt in te nemen.

Heropent voor wat betreft de door mr. Marianne Macharis en mr. Marc Peeters, beiden handelend in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de BVBA Handelsdrukkerij, gevorderde onroerende voorheffing, het debat teneinde partijen standpunt te laten innemen over de vraag of deze vordering desgevallend geënt kan worden op de theorie van de vermogensverschuiving zonder oorzaak."

Grieven

Eerste en enige onderdeel

1. Nadat het hof van beroep te Gent heeft geoordeeld dat de vordering van de curatoren werd afgewezen op grond van artikel 1235 Burgerlijk Wetboek, oordeelt het hof van beroep te Gent dat de debatten ambtshalve dienen te worden heropend teneinde partijen toe te laten te concluderen of de vordering van de curatoren al dan niet dient te worden aanvaard op grond van de theorie van de vermogensverschuiving zonder oorzaak.

2. Voor voormeld tussenarrest hadden de curatoren hun vordering nooit eerder gebaseerd op de vermogensverschuiving zonder oorzaak. Het hof van beroep heeft op eigen initiatief deze rechtsgrond voorgesteld in haar tussenarrest dd. 9 oktober 2014 en zich afgevraagd of de vordering van de curatoren eventueel met deze rechtsgrond gegrond kon worden verklaard.

3. Artikel 774 Gerechtelijk Wetboek en het beschikkingsbeginsel zijn dan ook geschonden, gelet dat het hof van beroep in casu ten onrechte ambtshalve de debatten heeft heropend en aan de partijen verzoekt een standpunt in te nemen over een rechtsgrond die door de huidige verweerders niet werden opgeworpen en die ook niet van openbare orde is.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiseres voert geen grieven aan tegen de arresten van 5 mei 2011 en 20 oktober 2011.

Het cassatieberoep is zoals de verweerders aanvoeren, in zoverre niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal bepaalt dat het recht van opstal een zakelijk recht is om gebouwen, werken of beplantingen op een andermans grond te hebben.

Krachtens artikel 4 Opstalwet kan het recht van opstal voor geen langere tijd dan van vijftig jaren worden bepaald, behoudens de bevoegdheid om het te hernieu-wen.

3. Uit voormelde wettelijke bepalingen volgt dat wanneer het recht van opstal voor onbepaalde duur wordt bedongen, er in werkelijkheid een zakelijk recht wordt gevestigd voor meer dan vijftig jaar. Een dergelijk recht van opstal is niet nietig, maar dient herleid te worden tot de wettelijk bepaalde maximumtermijn van vijftig jaar.

Het onderdeel dat in zijn geheel gesteund is op een tegengestelde rechtsopvatting faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. De appelrechters oordelen niet dat in de overeenkomst tussen partijen is be-dongen dat het recht van opstal vijftig jaren zal duren, maar dat het voor onbe-paalde duur bedongen recht van opstal dient herleid te worden tot de wettelijk toegestane maximum duur.

Door aldus te oordelen geven de appelrechters geen uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst, maar bepalen zij de rechtsgevolgen ervan. Zodoende miskennen zij niet de bewijskracht van de overeenkomst.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 46 Faillissementswet kan de curator, wanneer zulks nood-zakelijk is voor het beheer van de boedel, een einde maken aan een door de failliet gesloten lopende overeenkomst, zelfs wanneer door die overeenkomst rechten worden verleend die aan de boedel tegenwerpelijk zijn. Aldus kan de curator wanneer de voorwaarden hiertoe vervuld zijn een einde maken aan overeenkomsten inzake het gebruik en het genot van onroerende goederen ook al beantwoorden de aldus verleende rechten aan een zakelijk recht.

6. Het middel dat ervan uitgaat dat de curator krachtens artikel 46 Faillisse-mentswet geen afbreuk kan doen aan de duur van een overeenkomst tot het verle-nen van een recht van opstal door deze overeenkomst in het belang van de boedel voortijdig te beëindigen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

7. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de par-tijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridi-sche omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aange-voerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting op-werpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij en-kel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

8. Het middel dat ervan uitgaat dat het de rechter niet is toegestaan ambtshalve het debat te heropenen ten einde aan de partijen de gelegenheid te geven standpunt in te nemen over een ambtshalve aangevoerde rechtsgrond, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 741,46 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 28/10/2016 - 13:02
Laatst aangepast op: vr, 28/10/2016 - 16:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.