-A +A

Recht van opstal - niet-overgeschreven akte gevolgen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 04/01/2016
A.R.: 
2013/ AR/1949

Het recht van opstal is een zakelijk recht. Teneinde tegenstelbaar te zijn aan derden dient het overgeschreven te worden op het hypotheekkantoor.

Te dezen was het opstalrecht niet geregistreerd en stelde zich de vraag of de curatoren dit konden opwerpen.

De eerste rechter oordeelde dat de curatoren optreden voor het faillissement van de gefailleerde vennootschap, die partij was bij de overeenkomst en dus niet als derden te aanzien zijn, zodat - nog volgens de eerste rechter - de overeenkomst hen tegenstelbaar was.

In hoger beroep (in tegenstelling tot voor de eerste rechter) verwijzen de curatoren naar rechtspraak (Cass. 2 februari 1961, Pas. 1961, I, 591; Cass. 5 maart 1982, arr. Cass. 1981- 82, 837; Kh. Brussel, 14 juni 1988, TBBR 1990, 229, Kh. Gent 27 oktober 1994, T.G.R. 1995, 21) waar wordt aangenomen dat een overeenkomst van zakelijke rechten die niet werd over-ge-schreven niet kan tegengesteld worden aan de curator.

Volgens vaststaande rechtspraak, ook die van het hof van Cassatie, komt het aan de curator toe om zich, in het belang van de boedel, al dan niet te beroepen op de niet-tegenwerpelijkheid. Deze rechtspraak wordt bijgetreden door DIRIX op basis van een ruime analyse van de aard van het bewindvoerderschap in het insolventierecht.

In navolging van Van Gerven, wijst DIRIX erop dat de curator moet worden beschouwd als een 'neutraal' bewindvoerder die aan het hoofd is gesteld van het vereffeningsbewind over de failliete boedel en die zijn bewindbevoegdheid ontleent aan degene die gerechtigd zijn tot het vermogen.

Bij faillissement zijn dat zowel de gefailleerde debiteur als de schuldeisers: blijft immers de gefailleerde eigenaar van zijn vermogen, dan is dit eigendomsrecht bezwaard met het beslagrecht van de gezamenlijke schuldeisers dat zij echter zelf niet meer kunnen uitoefenen.

Op basis van deze delegatie van bevoegdheden kan de curator rechtshandelingen waarvan de vereisten voor tegenwerpelijkheid aan derden voor de samenloop niet zijn vervuld, naast zich neerleggen.

Te dezen was niet aangetoond dat de curatoren  kennis hadden van de niet-overgeschreven onderhandse verkoop vóór het vonnis van faillietverklaring.

De overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 is dan ook niet tegenstelbaar aan de curatoren van het faillissement.
 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-2
Pagina: 
97
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Wat voorafgaat

Samengevat worden volgende feitelijke elementen in herinnering gebracht:

- op 17 februari 1989 werd een perceel grond aangekocht door de BVBA EFKAVEE;

- bij notariële akte van 25 mei 1991 werd op die grond een recht van opstal voor 100 % verleend aan de NV KAVCO;

- op 4 september 1991 bekwam de NV KAVCO een bouwvergunning;

- bij notariële akte van 28 maart 1994, verleden voor notaris L.V., verkoopt de BVBA EFKAVEE aan de NV PATRIKA het kwestieuze onroerend goed;

- bij dezelfde notariële akte droeg de NV KAVCO 10 % van haar opstalrecht over aan de NV DAKDEK en 15 % aan de BVBA PRIMA HOUSE - DE BETERE WONING;

- bij onderhandse akte van beweerdelijk 3 juli 1995 droeg de NV KAVCO de overige 75 % van haar opstalrecht over aan de NV PATRIKA; in deze overeenkomst werd tevens afgesproken dat een gebouw zal worden opgericht;

- bij vonnis van 12 juli 1996 werd de NV KAVCO failliet verklaard;

- bij notariële akte van 19 december 2001 Werd het onroerend goed verkocht aan de STAD GENK; de notariële akte werd opgemaakt tussen de NV PATRIKA, de BVBA PRIMA HOUSE - DE BETERE WONING, de NV DAKDEK en de STAD GENK; bij deze akte verklaarden partijen en de tussengekomen curatoren van het faillissement van de NV KAVCO zich akkoord met de verkoop aan 7.000.000 BEF (thans 173.525,47 EUR) en het blokkeren van de prijs tot een vonnis in kracht van gewijsde aangaande de verdeling van de prijs is tussen-gekomen;

- op 14 oktober 1997 gingen de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO over tot dagvaarding van:

1) de BVBA PRIMA HOUSE - DE BETERE WONING in betaling van een openstaand saldo voor (1) uitgevoerde werken, (2) gedragen publiciteitskosten, (3) betaling van werkelijke waarde van opstalrecht en (4) door de NV KAVCO ten voordele van voornoemde gedagvaarde geleverde prestaties in diverse onderaannemingen;

2) de NV DAKDEK in betaling van (1) een bedrag dat onrechtmatig aan haar werd overgemaakt, (2) publiciteitskosten in het voordeel van voornoemde, (3) betaling van werkelijke waarde van opstalrecht en (4) betaling van werkelijk door de NV KAVCO ge-leverde prestaties in diverse onderaannemingen;

3) de BVBA EFKAVEE in betaling van in haar voordeel gedragen publiciteitskosten;

4) de NV PATRIKA in betaling van (1) bouwwerken voor rekening van voornoemde uitgevoerd aan het gebouw te Genk, Evence Coppéelaan, (2) betaling van bouwwerken te Genk, Steendaalstraat 26 en (3) een ten onrechte betaalde factuur; 5) de BVBA GROUP APOLLO in betaling van vergoeding voor overgenomen materialen van het faillissement;

( .. ,)

- bij vonnis van 4 juni 1999 van de rechtbank van koophandel te Tongeren werd een deskundige aangesteld voor de opstelling van een boekhoudkundige afrekening tussen partijen buiten wat de gevorderde schadevergoeding betreft waarvoor het adagium "Je crimineJ tient Je civiJ en état" gold;

( .. ,)

- op 27 december 2010 werd het eindverslag van de deskundige neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Tongeren;

- bij bestreden vonnis van 9 oktober 2012 werd een heropening der debatten bevolen waarbij:

-) de rechtbank oordeelde dat er geen redenen waren om de overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 nietig te verklaren (dit was de onderhandse akte waarbij de NV KAVCO de overige 75 % van haar opstalrecht aan de NV PATRIKA overdroeg);

-) een heropening werd bevolen met betrekking tot de vraag welke verdeelsleutel diende toegepast te worden en op welke prijs: op de verkoopprijs of op de werkelijke kostprijs; - bij bestreden vonnis van 21 mei 2013 werd(en):

( .. ,)

- akte verleend aan de NV PATRIKA van haar tegeneis, die ontvankelijk en gegrond werd verklaard in de mate dat:

de vrijgave werd bevolen van de gekantonneerde gelden, afkomstig van de verkoop van het onroerend goed bij notariële akte van 19 december 2001;

de uitonverdeeldheidtreding werd bevolen;

voor recht werd gezegd dat de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO gerechtigd zijn op (22.066,80 EUR + 14.958,84 EUR+ 112.565,28 EUR=) 149.590,92 EUR, meer het pro rata-gedeelte van de intrest van de rubriekrekening of kantonnementsrekening waarop de verkoopprijs van de verkoop van 19 december 2001 door bemiddeling en benaarstiging van de instrumenterende notaris werden gestort tot op de datum van uitbetaling;

voor recht werd gezegd dat de NV PATRIKA gerechtigd was op een bedrag van 23.934,54 EUR, meer het pro rata-gedeelte van de intrest van de rubriekrekening of kantonnementsrekening waarop de verkoopprijs van de verkoop van 19 december 2001 door bemiddeling en benaarstiging van de instrumenterende notaris werden gestort vanaf de storting tot op de datum van uitbetaling;

( .. ,)

2. De standpunten in hoger beroep

2.1. Op 1 juli 2013 werd voor de appellante een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd.

2.2. De appellante vraagt bij conclusies neergelegd ter griffie op 4 september 2014 om:

( .. ,)

in hoofdorde:

- te zeggen voor recht dat zij gerechtigd is op 64.477,50 EUR ten titel van de grondwaarde meer het pro rata-gedeelte van de intrest;

- te zeggen voor recht dat zij gerechtigd is op 81.785,98 EUR ten titel van de waarde van de opstallen, meer het pro rata-gedeelte van de intrest;

in ondergeschikte orde:

- te zeggen voor recht dat zij gerechtigd is op 23.934,54 EUR ten titel van de grondwaarde meer het pro rata-gedeelte van de intrest;

- te zeggen voor recht dat zij gerechtigd is op 36.542,92 EUR ten titel van de waarde van de opstallen, meer het pro rata-gedeelte van de intrest;

( ... )

2.3. G.R. & T.A. q.q. curatoren van het faillissement van de NV KAVCO vragen bij conclusies gemaild op 15 mei 2015 om:

- het hoger beroep van de NV PATRIKA ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

( ... )

in hoofdorde:

- te zeggen voor recht dat de waarde van de opstallen dient berekend te worden aan de hand van de werkelijke kostprijs van de uitgevoerde werken, meer de intrest zoals bepaald door deskundige B.;

( ... )

in ondergeschikte orde:

- de waarde van de opstallen te rekenen aan de hand van de verkoopprijs:

( ... )

in uiterst ondergeschikte orde:

- te zeggen voor recht dat de bestreden vonnissen voor wat de berekening van de waarde van de opstalrechten en de toe te passen verdeelsleutel wordt bevestigd, zijnde (86,2069 % x 173.525,46 EUR=) 149.590,92 EUR;

( ... )

3. Beoordeling

( ... )

3.3.1. Opstalrecht

3.3.1.1. Ten aanzien van de NV PATRIKA

Volgende stukken worden nogmaals in herinnering gebracht:

a) Op 29 mei 1991 werd voor notaris J.L. een akte verleden waarbij de BVBA EFKAVEE een opstalrecht gaf aan de NV KAVCO met betrekking tot een perceel grond gelegen te Genk, ter plaatse genaamd "Meerbemd" en "Op de Meer", en palende aan de Evence Coppéelaan.

Het opstalrecht werd verleend voor twintig jaar ingaande op 1 januari 1991 om van rechtswege te eindigen op 31 december 2010.

De opstalhouder verbond zich ertoe een onroerend goed op de grond op te richten waarvan de werken gingen starten in juni 1991.

De opstalhouder mocht zijn recht van opstal geheel of gedeeltelijk overdragen, mits uitdrukkelijke toestemming bij authentieke akte van de opstalgever.

Artikel 9 bepaalde:

"De gebouwen die de opstalhouder opricht op het eigendom, worden bij het einde van onderhavige overeenkomst eigendom van de opstalgever.

In afwijking van artikel 6 van de wet van tien januari achttienhonderd vierentwintig is hij aan de opstalhouder uit dien hoofde geen enkele terugbetaling of vergoeding verschuldigd.

b) Bij notariële akte van 28 maart 1994 verleden voor notaris L.V. verkoopt de BVBA EFKAVEE aan de NV PATRIKA het kwestieuze onroerend goed.

Bij dezelfde notariële akte verkoopt de NV KAVCO 10 % van haar opstalrecht aan de NV DAKDEK voor 10.000 BEF (thans 247,89 EUR) en 15 % aan de NV PRIMA HOUSE - DE BETERE WONING voor 15.000 BEF (thans 371,84 EUR).

c) Bij overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 tussen de NV KAVCO, de aannemer, en de NV PATRIKA, de bouwheer, werd bedongen:

De verkoop geldt dan ook voor deze 75 %, opstalrecht met gebouw erop.

De aannemer verplicht er zich toe het in deze overeenkomst omschreven werk uit te voeren overeenkomstig de plannen.

De werken omvatten ruwbouw+ dak, parking niet afgewerkt. KOOPSOM+ WIJZE VAN BETALING

Deze werken zullen uitgevoerd worden voor een bedrag van 6.000.000 Fr (zegge zes miljoen) BTW medecontractant en dit voor de 75 % van het opstalrecht en het op te richten gebouw.

ANDERE OVEREENKOMST

Het is ook duidelijk dat met deze overeenkomst het opstalrecht met het gebouw erop terug verkocht is aan PATRIKA NV.

KAVCO NV zal geen enkel recht meer laten gelden op zijn recht van opstal bij het ondertekenen van deze overeenkomst.

Opgemaakt te Genk op 3 juli 1995 in 3 exemplaren.

( ... )

Tegenstelbaarheid van de overeenkomst van beweerde/ijk 3 juli 1995

De NV PATRIKA verwijst naar de overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 om voor te houden dat zij - en niet de NV KAVCO - eigenaar is van 75 % van het opstalrecht.

De curatoren van het faillissement van de NV KAVCO werpen tegen dat de overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 niet tegenstelbaar is ingevolge het gebrek aan tijdige overschrijving.

Artikel 1, eerste lid van de Hypotheekwet bepaalt:

"Alle akten onder de levenden, om niet of onder bezwarende titel, tot overdracht of aan-wijzing van onroerende zakelijke rechten, andere dan voorrechten en hypotheken, [met in-begrip van de authentieke akten bedoeld in de artikelen 577-4, § 1, en 577-13, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van de daarin aangebrachte wijzigingen], worden [1 .. .]1 [. . .] geheel overgeschreven in een daartoe bestemd register, op het kantoor van bewaring der hypotheken van het arrondissement waar de goederen zijn gelegen. Tot dan toe kan men zich op die akten niet beroepen tegen derden die zonder bedrog gecontracteerd bebben.]"

Het recht van opstal is een zakelijk recht. Teneinde tegenstelbaar te zijn aan derden diende het overgeschreven te worden op het hypotheekkantoor. Dit is hier niet gebeurd. De vraag rijst of de curatoren dit kunnen opwerpen.

De eerste rechter oordeelde dat de curatoren optreden voor het faillissement van de NV KAVCO, die partij was bij de overeenkomst en dus niet als derden te aanzien zijn, zodat - nog volgens de eerste rechter - de overeenkomst hen tegenstelbaar was.

In hoger beroep (in tegenstelling tot voor de eerste rechter) verwijzen de curatoren naar rechtspraak (Cass. 2 februari 1961, Pas. 1961, I, 591; Cass. 5 maart 1982, arr. Cass. 1981- 82, 837; Kh. Brussel, 14 juni 1988, TBBR 1990, 229, Kh. Gent 27 oktober 1994, T.G.R. 1995, 21) waar wordt aangenomen dat een overeenkomst van zakelijke rechten die niet werd over-ge-schreven niet kan tegengesteld worden aan de curator.

In verband daarmee kan nog naar volgende rechtsleer worden verwezen:

"Volgens vaststaande rechtspraak, ook die van het hof van Cassatie, komt het aan de curator toe om zich, in het belang van de boedel, al dan niet te beroepen op de niet-tegenwerpelijkheid. Deze rechtspraak wordt bijgetreden door DIRIX op basis van een ruime analyse van de aard van het bewindvoerderschap in het insolventierecht. In navolging van Van Gerven, wijst DIRIX erop dat de curator moet worden beschouwd als een 'neutraal' bewindvoerder die aan het hoofd is gesteld van het vereffeningsbewind over de failliete boedel en die zijn bewindbevoegdheid ontleent aan degene die gerechtigd zijn tot het vermogen. Bij faillissement zijn dat zowel de gefailleerde debiteur als de schuldeisers: blijft immers de gefailleerde eigenaar van zijn vermogen, dan is dit eigendomsrecht bezwaard met het beslagrecht van de ge-zamenlijke schuldeisers dat zij echter zelf niet meer kunnen uitoefenen. Op basis van deze delegatie van bevoegdheden kan de curator rechtshandelingen waarvan de vereisten voor tegenwerpelijkheid aan derden voor de samenloop niet zijn vervuld, naast zich neerleggen."

(B. Wylleman, Collectieve Schuldenregeling; Verkoop van onroerende Goederen, uitgever Larcier, blz. 20-21)

Het is niet aangetoond dat de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO kennis hadden van de niet-overgeschreven onderhandse verkoop vóór het vonnis van faillietverklaring.

De overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 is niet tegenstelbaar aan de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO.

Ten overvloede kan nog opgemerkt worden dat ingevolge het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 december 2004 de beweerdelijke datum van 3 juli 1995 niet de juiste is:

"Overwegende dat de verklaring van P.C. E. (stuk 112) volgens dewelke de verkoop-overeenkomst pas werd opgesteld in mei 1996 - derhalve zeer kort voor het faillissement - doch gedateerd op 3 juli 1995 overtuigend is;".

De beweerde overeenkomst werd kort voor het faillissement opgesteld. De verrichting heeft met andere woorden plaatsgevonden binnen de verdachte periode (datum van staking van betaling: 12 januari 1996).

Slotsom is dat de curator zich hier mag beroepen op de niet-tegen werpeli jkheid.

Nogmaals: De overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 is dan ook niet tegenstelbaar aan de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO.

De NV PATRIKA kan zich dan ook niet beroepen op deze overeenkomst om voor te houden dat zij 75 % van de opstalrechten heeft.

De curatoren van het faillissement van de NV KAVCO kunnen aanspraak maken op 75 % van het opstalrecht.

Artikel 9 van de overeenkomst van 29 mei 1991

Bij notariële akte van 28 maart 1994 werd de NV PATRIKA eigenaar van de grond. De NV KAVCO is tussengekomen bij die akte. De NV PATRIKA kan zich tegenover de NV KAVCO beroepen op artikel 9 van de overeenkomst van 29 mei 1991. Bij artikel 9 van de overeenkomst van 29 mei 1991 werd bedongen (hier nogmaals herhaald):

"De gebouwen die de opstalhouder opricht op het eigendom, worden bij het einde van onderhavige overeenkomst eigendom van de opstalgever.

In afwijking van artikel 6 van de wet van tien januari achttienhonderd vierentwintig is hij aan de opstalhouder uit dien hoofde geen enkele terugbetaling of vergoeding verschuldigd."

De NV PATRIKA beweert dat ten gevolge van deze bepaling de gebouwen zonder vergoeding eigendom werden van de opstalgever. Aan de overeenkomst van opstal is volgens haar een einde gekomen ingevolge de verkoop.

Het hof oordeelt als volgt:

Normaal was de beëindiging van het opstalrecht voorzien per 31 december 2010.

Door de tussenkomst van het faillissement van de NV KAVCO kwam een einde aan de opstalovereenkomst buiten de wil van partijen.

Partijen hebben geen rekening gehouden met deze situatie van vervroegde gedwongen beëindiging.

Het kan geenszins de bedoeling van partijen geweest zijn om bij elke vorm van vervroegde beëindiging voormeld artikel 9 te laten spelen.

De omstandigheid dat de NV KAVACO slechts vijf jaar na het sluiten van de overeenkomst failliet zou gaan, was niet voorzienbaar. Deze gewijzigde omstandigheid waaraan de NV KAVACO vreemd is, maakt dat het contractueel evenwicht dat op 29 mei 1991 was bedongen, ernstig verstoord werd.

Ook om die reden kan de NV PATRIKA zich niet beroepen op voormeld artikel 9 om voor te houden dat de gebouwen haar eigendom werden zonder vergoeding.

De NV PATRIKA verwijst nog naar de overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995. Zoals hiervoor geoordeeld, is deze overeenkomst niet tegenstelbaar aan de curatoren.

( ... )

Zoals hiervoor aangenomen is de overeenkomst van beweerdelijk 3 juli 1995 niet tegenstelbaar aan de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO. Die beweerde overeenkomst werd afgesloten in de verdachte periode.

Om die reden kan er geen verrekening van 6.000.000 BEF (thans 148.736,11 EUR) plaatsvinden met de koopprijs bekomen in 2001.

( ... )

3.3.2. Vergoedingen

3.3.2. 1. Partijen voeren betwisting over de wijze waarop de waarde van de opstallen moet worden berekend.

Volgens de curatoren van de NV KAVCO dient de waardebepaling te gebeuren aan de hand van de werkelijke kostprijs van de uitgevoerde werken, vermeerderd met de intrestlast, door deskundige B. bepaald op 300.440,28 EUR. Volgens de NV PATRIKA dient de waarde berekend te worden aan de hand van de prijs die het onroerend goed heeft opgebracht bij verkoop in 2001.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat moet uitgegaan worden van de verkoopprijs zoals die werd bekomen op 19 december 2001 aan de STAD GENK, namelijk 173.525,46 EUR. Deze prijs werd - zoals de eerste rechter terecht aanmerkte - bekomen na publicatie. Ze benadert de meest actuele waarde van het goed op dat moment, temeer daar er geen protest op de bekomen prijs volgde en geen van de gedingvoerende partijen meer hebben geboden.

Wat de toe te passen verdeelsleutel (waarde grond/waarde gebouwen) betreft, volgt het hof ook de zienswijze van de eerste rechter die uitging van de cijfers uit het deskundigen-verslag (deskundigenverslag van G.Ru., neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Tongeren op 27 december 2010, blz. 41). Waarna deze verdeelsleutel kon worden toegepast op de werkelijk bekomen verkoopprijs in 2001.

De curatoren van de NV KAVCO verwijzen naar een verslag JORIS, dat zich niet in hun bundel bevindt. De NV PATRIKA en de curator ad hoc van het faillissement van de NV DAKDEK verwijzen naar de opsplitsing van notaris H.H.

Het hof geeft de voorkeur aan het advies van G.Ru. opgesteld op verzoek van de rechtbank van koophandel te Tongeren, wat volgens het hof voldoende waarborgen van objectiviteit biedt.

Deze deskundige is bij de waardebepaling vertrokken van een geschatte waarde voor de grond van 1.700.000 BEF of 42.141,90 EUR. De schatting voor de waarde van het gebouw (8.000.000 BEF of 198.314,82 EUR), werd door hem veel te laag bevonden (deskundigen-verslag, blz. 41).

De werkelijke waarde van de opstal werd door hem bepaald op 10.619.731 BEF of 263.256,25 EUR.

Indien rekening wordt gehouden met de verhouding waarde grond of 42.141,90 EUR en waarde opbouw 263.256,25 EUR, geeft dit een verhouding van 13,7931 % voor de grond tegenover 86,2069 % voor de opbouw.

De kritiek van de NV PATRIKA op de bevindingen van de gerechtsdeskundige in verband met de door hem gehanteerde waarde, wordt dan ook door het hof niet aangenomen. Voorgaande geeft dan ook volgende berekeningen: 173.525,28 EUR (verkoopprijs 2001) x 86,2069 % 149.590,76 EUR voor opbouw 173.525,28 EUR - 149.590,76 EUR= 23.934,52 EUR voor de grond.

3.3.2.2. De NV PATRIKA moet aan de curatoren van het faillissement van de NV KAVCO voor het opstalrecht van 75 % : 149.590,76 EUR x 75 % = 112.193,07 EUR, te recupereren uit de verkoopopbrengst van de verkoop aan de STAD GENK.

3.3.2.3. Aan de NV PATRIKA komt als eigenaar van de grond een bedrag van 23.934,52 EUR toe. Eveneens te recupereren uit de verkoopopbrengst van de verkoop aan de STAD GENK.

( ... )
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 07/06/2018 - 20:34
Laatst aangepast op: vr, 08/06/2018 - 09:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.