-A +A

Recht van de burgerlijke partij tot betaling rechtsplegingsvergoeding door veroordeelde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 16/06/2015
A.R.: 
174/2013

Gelet op de hoofdsommen en de vergoedende rente (zij het met uitsluiting van de gerechtelijke vergoedende rente), zoals gevorderd in de voor dit hof neergelegde conclusie, is de burgerlijke partij T.E. in beginsel gerechtigd op een (geïndexeerde) rechtsplegingsvergoeding van 990 euro (basisbedrag) per aanleg, d.w.z. op tweemaal 990 euro.

Na te hebben opgemerkt dat bepaalde schadeposten die door de burgerlijke partij worden gevorderd (inzonderheid de gevorderde vergoedingen wegens de onmogelijkheid van verre fietstochten en wegens de noodzaak van vliegreizen in businessclass) elke grondslag missen, merkt de tweede beklaagde B.C. op dat slechts een rechtsplegingsvergoeding van 412,50 euro kan worden toegekend, zijnde het (geïndexeerde) minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor vorderingen van 2.500,01 euro tot 5.000 euro. De tweede beklaagde verzoekt aldus af te wijken van het wettelijk vastgelegde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Het hof is van oordeel dat hierop moet worden ingegaan. Het moet immers als kennelijk onredelijk worden beschouwd om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op grond van een vordering die slechts ingevolge niet-gestaafde en bijgevolg manifest ongegrond bevonden schadeposten moet worden ingedeeld in de schaal van de vorderingen van 5.00,01 euro tot 10.000 euro. Rekening houdend bovendien met het gegeven dat de zaak geenszins complex, maar integendeel eerder eenvoudig moet worden genoemd, is het hof dan ook van oordeel dat de rechtsplegingsvergoeding moet worden verminderd tot het (geïndexeerde) minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor vorderingen van 5.000,01 euro tot 10.000 euro, zodat de burgerlijke partij gerechtigde is op een rechtsplegingsvergoeding van 550 euro per aanleg.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
270
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie en T.E. t/ S.J. en B.C.

...

Het volstaat in herinnering te brengen dat het op 29 april 2012 na een voetbalwedstrijd tot een ernstig incident is gekomen tussen enerzijds de eerste beklaagde S.J. en de tweede beklaagde B.C., beiden speler bij de voetbalclub S.M., en anderzijds de burgerlijke partij T.E., die zich in de voetbalkantine geringschattend had uitgelaten over de voetbalprestaties van de tweede beklaagde. De beide beklaagden hebben de burgerlijke partij gevolgd toen deze zich van de kantine naar de parking begaf en hebben hem vervolgens gestampt en geslagen, waardoor deze laatste onder meer werd verwond aan het rechteroog en tevens ten val kwam, waarbij hij zijn staartbeen heeft bezeerd. De eerste beklaagde S.J. en de tweede beklaagde B.C. werden in dit verband als mededaders vervolgd wegens het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan de burgerlijke partij T.E., met de omstandigheid dat de slagen en verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden (art. 66, 392, 398 en 399 Sw.). Het slachtoffer T.E. stelde zich burgerlijke partij voor de eerste rechter en vorderde dat de beklaagden hoofdelijk zouden worden veroordeeld om hem een provisionele schadevergoeding te betalen en dat alvorens verder te oordelen een geneesheer-deskundige zou worden aangesteld.

Bij tussenvonnis van 26 maart 2013, waartegen de beide beklaagden hoger beroep hebben aangetekend, stelde de eerste rechter alvorens recht te doen een geneesheer-deskundige aan om het slachtoffer T.E. te onderzoeken, terwijl in de motieven van dit tussenvonnis werd geoordeeld dat de telastlegging bewezen was. Daar de beslissing nopens de schuld van de beklaagden door de eerste rechter aldus onwettig werd afgesplitst van de eindbeslissing betreffende de strafvordering, deed het hof, na de hogere beroepen van de beklaagden tegen dit tussenvonnis ontvankelijk te hebben verklaard, bij tussenarrest van 12 november 2013 het bestreden tussenvonnis van 26 maart 2013 dan ook teniet, waarbij de zaak voorts werd geëvoceerd door het hof (art. 215 Sv.), dat alvorens verder recht te doen een geneesheer-deskundige (...) aanstelde om de burgerlijke partij T.E. nader te onderzoeken.

Na afloop van het deskundigenonderzoek (...) oordeelde het hof bij tussenarrest van 30 juni 2014 – dat een eindbeslissing betreffende de strafvordering tegen de beide beklaagden inhoudt – dat de telastlegging bewezen was ten aanzien van de beide beklaagden, aan wie beiden de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd gegund, terwijl ze op burgerlijk gebied hoofdelijk werden veroordeeld tot het betalen van een provisionele schadevergoeding van één euro aan de burgerlijke partij T.E. De zaak werd voor verdere afhandeling op burgerrechterlijk gebied in voortzetting gesteld.

Thans dient het hof zich enkel nog uit te spreken over de vordering tot schadevergoeding van de burgerlijke partij T.E. tegen de eerste beklaagde S.J. en de tweede beklaagde B.C.

...

De burgerlijke partij T.E. vordert thans na het deskundigenonderzoek een schadevergoeding van in het totaal 6.773,23 euro, vermeerderd met de rente, waarbij de vergoeding wordt gevorderd van verschillende schadeposten (...).

...

De vordering van de burgerlijke partij T.E. is aldus gegrond ten belope van een bedrag van 2.785,83 euro (= 247,98 euro + 1.034,25 euro + 103,60 euro + 1.400 euro).

De burgerlijke partij vordert voorts vergoedende rente (...).

De data worden door de beklaagden niet betwist, zodat er vergoedende rente kan worden toegekend zoals gevorderd. Tevens is, er overeenkomstig de vordering van de burgerlijke partij, gerechtelijke rente verschuldigd zoals hierna bepaald.

De eerste beklaagde S.J. en de tweede beklaagde B.C. dienen voorts hoofdelijk te worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij T.E., aangezien deze laatste ten aanzien van de beklaagden – zij het slechts gedeeltelijk – in het gelijk werd gesteld en tijdens de behandeling ten gronde, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, werd vertegenwoordigd door een advocaat.

Ten onrechte voert de tweede beklaagde B.C. aan dat de burgerlijke vordering slechts werd behandeld in hoger beroep, zodat de burgerlijke partij slecht gerechtigd zou zijn op een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep.

De burgerlijke partij T.E., bijgestaan door haar raadsman, heeft zich immers al voor de eerste rechter burgerlijke partij gesteld (zie de “nota burgerlijke partijstelling” en het stukkendossier dat door de burgerlijke partij T.E. voor de eerste rechter op de terechtzitting van 26 februari 2013 werd ingediend). Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de vordering van de burgerlijke partij voor de eerste rechter cijfermatig nog niet was geconcretiseerd, noch door de vaststelling dat het bestreden vonnis van 26 maart 2013 door het hof teniet werd gedaan en het hof de zaak heeft geëvoceerd.

Gelet op de hoofdsommen en de vergoedende rente (zij het met uitsluiting van de gerechtelijke vergoedende rente), zoals gevorderd in de voor dit hof neergelegde conclusie, is de burgerlijke partij T.E. in beginsel gerechtigd op een (geïndexeerde) rechtsplegingsvergoeding van 990 euro (basisbedrag) per aanleg, d.w.z. op tweemaal 990 euro.

Na te hebben opgemerkt dat bepaalde schadeposten die door de burgerlijke partij worden gevorderd (inzonderheid de gevorderde vergoedingen wegens de onmogelijkheid van verre fietstochten en wegens de noodzaak van vliegreizen in businessclass) elke grondslag missen, merkt de tweede beklaagde B.C. op dat slechts een rechtsplegingsvergoeding van 412,50 euro kan worden toegekend, zijnde het (geïndexeerde) minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor vorderingen van 2.500,01 euro tot 5.000 euro. De tweede beklaagde verzoekt aldus af te wijken van het wettelijk vastgelegde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Het hof is van oordeel dat hierop moet worden ingegaan. Het moet immers als kennelijk onredelijk worden beschouwd om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op grond van een vordering die slechts ingevolge niet-gestaafde en bijgevolg manifest ongegrond bevonden schadeposten moet worden ingedeeld in de schaal van de vorderingen van 5.00,01 euro tot 10.000 euro. Rekening houdend bovendien met het gegeven dat de zaak geenszins complex, maar integendeel eerder eenvoudig moet worden genoemd, is het hof dan ook van oordeel dat de rechtsplegingsvergoeding moet worden verminderd tot het (geïndexeerde) minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor vorderingen van 5.000,01 euro tot 10.000 euro, zodat de burgerlijke partij gerechtigde is op een rechtsplegingsvergoeding van 550 euro per aanleg.

Noot: 

Grondwettelijk Hof 10/07/2014, AR 100/2014

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 25 maart 2013 in zake het openbaar ministerie tegen L. V.D.P. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2013, heeft de Correctionele Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden, rekening gehouden met de in het overwegend gedeelte vermelde overwegingen [...], de bepalingen van artikel 162, lid 2 Sv., het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van de niet-discriminatie, in zoverre zij de correctionele rechtbank ertoe verplichten de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, te veroordelen in alle kosten gemaakt door de Staat en de beklaagde, wanneer die partij het strafonderzoek heeft geopend door middel van een klacht met burgerlijke partijstelling, en dus in zoverre zij die burgerlijke partij het recht ontnemen om argumenten aan te voeren die de rechter ervan kunnen overtuigen haar van alle of een deel van de voormelde kosten te ontheffen, terwijl het Hof van Assisen overeenkomstig artikel 350 Sv. wel steeds over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om de burgerlijke partij al dan niet in de kosten te veroordelen wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 162, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, dat op het ogenblik van de prejudiciële vraagstelling bepaalde :

« De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan. Zij wordt veroordeeld in alle kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald ».

Die bepaling is van toepassing op de politierechtbanken, de correctionele rechtbanken en in hoger beroep, op grond van de artikelen 194 en 211 van hetzelfde Wetboek.

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling dat ten aanzien van de door de Staat en de beklaagde gemaakte kosten bestaat onder de burgerlijke partijen die in het ongelijk worden gesteld, naargelang de strafvordering, na klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter, wordt gebracht voor de correctionele rechtbank, dan wel het hof van assisen, waarbij enkel het hof van assisen, overeenkomstig artikel 350 van het Wetboek van strafvordering, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om de burgerlijke partij al dan niet in de kosten te veroordelen.

B.3. De strafrechter beschikt in principe over een beoordelingsbevoegdheid inzake de tenlastelegging van alle of een gedeelte van de door de Staat of de beklaagde gemaakte kosten aan de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld.

Wanneer evenwel die burgerlijke partijstelling plaatshad voor de onderzoeksrechter, terwijl de strafvordering nog niet bij hem aanhangig was gemaakt (artikel 63 van het Wetboek van strafvordering), of door rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter (artikel 64, tweede lid, en artikel 145 van hetzelfde Wetboek), was de rechter ertoe gehouden die kosten ten laste te leggen van de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, zonder dat hij daarbij over een beoordelingsbevoegdheid beschikte, behalve wanneer de zaak werd doorverwezen naar het hof van assisen.

B.4.1. Artikel 162 van het Wetboek van strafvordering is, met ingang van 10 mei 2014, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 2 april 2014 tot wijziging van artikel 162 van het Wetboek van strafvordering. Thans bepaalt artikel 162 van het Wetboek van strafvordering :

« De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan. Zij kan worden veroordeeld in alle, dan wel een deel van de kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald ».

B.4.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 april 2014 blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was de onbillijkheid van de voorheen van toepassing zijnde regeling te temperen.

« Momenteel zal een slachtoffer dat zich burgerlijke partij stelt om te verhinderen dat het gerecht indommelt boven zijn dossier, worden veroordeeld in de kosten van deskundigenonderzoek als het gerecht er niet in slaagt de schuldige te arresteren.

Uiteraard kan het gerecht niet alle kosten van deskundigenonderzoek op zich nemen, vooral als de deskundigenonderzoeken de hoedanigheid van slachtoffer van de burgerlijke partij in twijfel trekken. Het is echter evenmin toelaatbaar dat een slachtoffer (van verkrachting, bijvoorbeeld) dat een klacht indient en zich burgerlijke partij stelt, de kosten van deskundigenonderzoek moet betalen die noodzakelijk zijn (aangezien ze werden aanvaard door de onderzoeksrechter) als Justitie er niet in slaagt de schuldige te vinden. [...]

Door artikel 162 van het Wetboek van strafvordering te wijzigen, zal een beoordelingsbevoegdheid aan de rechter worden gelaten, die dan naar gelang van de omstandigheden van de zaak kan beslissen of het slachtoffer de gemaakte kosten al dan niet moet dragen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2675/001, pp. 4-5).

B.5. De zaak dient te worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, opdat dit de zaak opnieuw kan beoordelen in het licht van het nieuwe artikel 162 van het Wetboek van strafvordering en kan oordelen of een prejudiciële vraag nog nodig is.

Om die redenen,
het Hof
zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 juli 2014.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/10/2016 - 13:23
Laatst aangepast op: za, 22/10/2016 - 13:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.