-A +A

Recht op vrije meningsuiting en reclameverbod voor politieke partijen, syndicaten en werkgeversorganisaties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
woe, 22/12/2010

In zoverre een verbod verbod om reclame uit te zenden voor politieke partijen en representatieve werkgevers- of werknemersorganisaties een absolute en permanente draagwijdte heeft en zich niet beperkt tot de verkiezingscampagne, is het niet redelijk verantwoord, omdat het tot gevolg kan hebben dat aan bepaalde formaties de toegang wordt verhinderd tot een belangrijk middel waarover zij beschikken om hun standpunten aan het publiek bekend te maken.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1772
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 161/2010

Onderwerp van het beroep

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 september 2009 ter post aangetekende brief is beroep tot vernietiging ingesteld van art. 12, § 1, eerste zin, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 27 februari 2003 betreffende de audiovisuele mediadiensten, zoals gewijzigd bij art. 16 van het decreet van 5 februari 2009 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 april 2003, tweede editie, en 18 maart 2009, tweede editie) door (...).

...

In rechte

B.1.1. Vóór de wijziging ervan, bij het decreet van 5 februari 2009, bepaalde art. 12, § 1, eerste zin, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep: «Reclamecommunicatie mag noch de politieke partijen noch de representatieve werkgevers- of werknemersorganisaties als doel hebben».

Die bepaling verving art. 27bis, § 1, eerste zin, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 1987 over de audiovisuele sector, zoals het was ingevoegd bij art. 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1991 «tot wijziging van de wet van 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie en teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie, van het decreet van 12 december 1977 houdende het statuut van de «Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF)» en van het decreet van 17 juli 1987 over de audiovisuele sector».

De eerste zin van dat art. 27bis, § 1, bepaalde: «De reclame mag noch de politieke partijen, noch de beroepsorganisaties als voorwerp hebben».

B.1.2. Het decreet van 5 februari 2009 «tot wijziging van het decreet van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep en van het decreet van 9 januari 2003 betreffende de doorzichtigheid, de autonomie en de controle in verband met de overheidsinstellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren» wijzigt het opschrift van het decreet van 27 februari 2003. Dat decreet heeft voortaan als opschrift het «decreet betreffende de audiovisuele mediadiensten».

Art. 16 van het voormelde decreet van 5 februari 2009 vervangt, in art. 12 van het decreet van 27 februari 2003, het woord «reclamecommunicatie» door het woord «commerciële communicatie». Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat «men het begrip «commerciële communicatie» verkiest boven het begrip «reclamecommunicatie», omdat dit begrip niet alleen reclame beoogt, maar eveneens telewinkelen, sponsoring, zelfpromotie, enz.» (Parl.St. Parlement van de Franse Gemeenschap 2008- 2009, nr. 634/1, p. 8).

Overigens moet volgens art. 1, 7o, van het decreet van 27 februari 2003, zoals ingevoegd bij het decreet van 5 februari 2009, onder commerciële communicatie worden verstaan: «elke boodschapsvorm opgenomen in een audiovisuele mediadienst, welke dient om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten. Die boodschappen worden opgenomen in een audiovisuele mediadienst, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van commerciële communicatie zijn onder meer interactieve commerciële communicatie, commerciële communicatie door middel van een splitscreen, reclame, virtuele reclame, sponsoring, telewinkelen, zelfpromotie en productplaatsing».

B.1.3. Art. 12, § 1, eerste zin, bepaalt voortaan: «Commerciële communicatie mag noch de politieke partijen noch de representatieve werkgevers- of werknemersorganisaties als doel hebben».

Dit is de bestreden bepaling.

B.1.4. Bij een besluit van 26 maart 2009 is de Franse Gemeenschapsregering overgegaan tot de coördinatie van het decreet van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep, zoals het werd «gewijzigd bij de decreten van 22 december 2005, 2 juli 2007, 19 juli 2007, 7 december 2007, 29 februari 2008, 5 juni 2008, 18 juli 2008, 12 december 2008, 5 februari 2009, bij het arrest nr. 163/2006 van het Arbitragehof van 8 november 2006 en bij besluit van de Regering van 19 januari 2007». Dat besluit werd bekrachtigd bij een decreet van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009.

Art. 12, § 1, eerste zin, van het decreet van de Franse Gemeenschap betreffende de audiovisuele mediadiensten, dat op 26 maart 2009 werd gecoördineerd, komt overeen met het voormelde art. 12, § 1, eerste zin, van het voormelde decreet van 27 februari 2003.

...

Wat het eerste middel betreft

B.4. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van art. 19 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 10 van het EVRM, doordat de bestreden bepaling op onverantwoorde wijze de vrijheid van meningsuiting zou aantasten.

...

B.6.1. Art. 12, § 1, van het decreet van 27 februari 2003 maakt deel uit van de regeling van de programma‘s die worden uitgezonden door elke audiovisuele mediadienst die door de RTBF wordt uitgegeven en elke audiovisuele mediadienst van een dienstenuitgever die onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap ressorteert (art. 8 van het decreet van 27 februari 2003).

B.6.2. Het verbod, voor de uitgevers van mediadiensten, om reclame voor politieke partijen uit te zenden, werd als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding van het voormelde decreet van 19 juli 1991: «Paragraaf 1 verbiedt reclame voor politieke partijen. De Europese richtlijn en onze reglementering bevatten op dat vlak geen specifiek verbod. Niettemin beoogt de wet van 6 februari 1987 het verbod voor handelsreclame, om politieke, religieuze, syndicale, ideologische of filosofische strekkingen voor te stellen. Reclame die duidelijk van een politieke partij uitgaat, valt bijgevolg niet noodzakelijk onder die omschrijving. Teneinde elke discriminatie tussen politieke strekkingen te vermijden en om de toegang van de burger tot evenwichtige politieke informatie te bevorderen, wordt dan ook voorgesteld om reclame voor politieke partijen te verbieden, maar overwegende dat het organiseren van politieke informatie door middel van zendtijd die op evenwichtige wijze wordt toegekend, naar aanleiding van de verkiezingscampagnes, niet onder dat verbod valt» (Parl.St. Parlement van de Franse Gemeenschap 1990-1991, nr. 196/1, p. 8).

B.7. Die wil om, enerzijds, een niet-discriminerende behandeling tussen de politieke strekkingen en, anderzijds, de toegang van de burger tot evenwichtige politieke informatie te waarborgen, vormt een legitieme doelstelling die een inmenging kan verantwoorden in de vrijheid van meningsuiting die is gewaarborgd in art. 19 van de Grondwet en in art. 10 van het EVRM (EHRM 28 juni 2001, VgT Verein gegen Tierfabriken t/ Zwitserland, § 62; EHRM 11 december 2008, TV Vest AS & Rogaland Pensjonistparti t/ Noorwegen, § 70). Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor het verbod om reclame uit te zenden voor de representatieve werkgevers- of werknemersorganisaties.

B.8. Het Hof moet niettemin nagaan of de bestreden bepaling redelijk verantwoord is ten opzichte van dat doel.

In dat opzicht beschikt de wetgever, in principe, over een beperkte beoordelingsmarge wanneer hij de vrijheid belemmert om meningen uit te drukken die, zoals die van de werkgevers- of werknemersorganisaties, behoren bij een debat dat betrekking heeft op het algemeen belang, zelfs wanneer zij in de vorm van reclame worden geuit (zie, mutatis mutandis, EHRM 28 juni 2001, voormeld, §§ 70-71). Er dient eveneens een strikte evenredigheidstoetsing te worden toegepast wanneer de wetgever het gebruik van reclamemiddelen door politieke partijen wil beperken (EHRM 11 december 2008, voormeld, § 64).

B.9.1. Art. 3, derde lid, van het decreet van 14 juli 1997 «houdende het statuut van de «Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF)»» bepaalt: «Het bedrijf zorgt, bij het vaststellen van zijn programma- aanbod, ervoor dat de kwaliteit en de diversiteit van de aangeboden uitzendingen het bijeenbrengen van het ruimste publiek mogelijk maken, dat ze tot de maatschappelijke cohesie bijdragen, met inachtneming van de verwachtingen van socio-culturele minderheden, en dat de verschillende levensbeschouwelijke strekkingen van de maatschappij vertegenwoordigd worden, zonder discriminatie tussen mensen, inzonderheid wegens hun cultuur, ras, geslacht, ideologie, levensovertuiging of godsdienst, en zonder sociale segregatie. Deze uitzendingen strekken ertoe een debat te veroorzaken en de democratische inzet van de samenleving duidelijk te maken, bij te dragen tot het verstevigen van de maatschappelijke waarden, inzonderheid door een ethiek waaraan de eerbied voor de mens en de burger ten grondslag ligt, de integratie en de opvang van bevolkingsgroepen van vreemde afkomst die in de Franse Gemeenschap leven, te bevorderen».

Bij art. 68 van het op 26 maart 2009 gecoördineerde decreet betreffende de audiovisuele mediadiensten wordt aan de lokale televisiezenders eenzelfde verplichting opgelegd.

B.9.2. Krachtens art. 3, zevende lid, van hetzelfde decreet sluit de RTBF met de Franse Gemeenschap een beheerscontract om de nadere regels voor de uitvoering van zijn opdracht van openbare dienst vast te stellen.

Het derde «beheerscontract van de «Radio-Télévision belge de la Communauté française» voor de jaren 2007 tot en met 2011», dat op 13 oktober 2006 werd gesloten, bevat verschillende bepalingen betreffende de verspreiding van de meningen van de politieke partijen en van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties.

Art. 7 van het genoemde contract bepaalt:

«7.1. De RTBF verbindt zich op algemene wijze ertoe geen programma‘s en audiovisuele inhouden te producen, te coproducen, te verwerven, te programmeren en uit te zenden:

a) die strijdig zouden zijn met de wetten of met het algemeen belang, wat geenszins afbreuk doet aan de mogelijkheid waarover hij beschikt om in zijn programma‘s en audiovisuele inhouden het initiatief te nemen tot een debat, en de democratische inzet van de samenleving duidelijk te maken;

b) die afbreuk zouden doen aan de inachtneming van de menselijke waardigheid, waarbij de RTBF zich in staat acht om bij te dragen tot het verstevigen van de maatschappelijke en burgerlijke waarden;

c) die een aanzet zouden bevatten tot geweld, haat of vormen van discriminatie of segregatie, meer bepaald op grond van geslacht, seksuele geaardheid, zogenaamd ras, huidskleur, taal, etnische of nationale afstamming, sociale afkomst, politieke overtuiging of enige andere overtuiging, geloof of levensbeschouwing, een handicap, leeftijd, vermogen, geboorte, waarbij de RTBF zich in staat acht bij te dragen tot sociale samenhang, meer bepaald ten aanzien van de sociale minderheden, alsook tot de opvang en de harmonieuze integratie van de verschillende bevolkingsgroepen van de Franse Gemeenschap;

d) die ertoe zouden strekken de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal- socialistische regime is gepleegd of elke andere vorm van genocide, te ontkennen, te minimaliseren, te rechtvaardigen of goed te keuren;

e) die een levensbeschouwelijke strekking, geloof of denkbeeld zouden bevorderen die een bedreiging vormen voor de fundamentele vrijheden die gewaarborgd zijn bij de Grondwet of bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, of die ertoe strekken het publiek te misleiden;

f) die de lichamelijke, mentale of morele ontplooiing van minderjarigen zouden kunnen schaden».

Art. 22 van hetzelfde contract bepaalt:

«22.1. De RTBF programmeert radio- en televisieprogramma‘s en zendt ze regelmatig uit, op terugkerende tijdstippen waarover zijn raad van bestuur beslist, en biedt, in de mate van het mogelijke en op verzoek, audiovisuele inhouden aan om meer bepaald bij te dragen tot opleiding, opvoeding, informatie van de consument, het sensibiliseren voor het leefmilieu en leefklimaat, gezondheidsopvoeding en het vulgariseren van wetenschappelijke kennis, het begrijpen van het maatschappelijke, politieke en economische leven, het informeren en aansporen van jongeren, ouderschap, opvoedkundige kwesties, mediaopvoeding en opvoeding tot burgerschap.

22.2. Op het gebied van permanente vorming ziet de RTBF erop toe dat hij, in zijn programma‘s en audiovisuele inhouden, en meer bepaald in zijn magazines en documentaires, op transversale wijze behandelt:

a) de kwesties die betrekking hebben op het overbrengen van de democratische inzet, om deze voor een zo groot mogelijk publiek toegankelijk te maken, en meer bepaald de kwesties die te maken hebben met het verstevigen van de sociale samenhang, individuele en collectieve responsabilisering, de rol van relaties binnen het gezin en tussen generaties, het belang van sociaal bewust engagement en van jongeren, in het bijzonder in de Franse Gemeenschap,

(...)».

B.9.3. Art. 36, § 1, van het op 26 maart 2009 gecoördineerde decreet van de Franse Gemeenschap «betreffende de audiovisuele mediadiensten» bepaalt:

«De dienstenuitgever waarvan de audiovisuele mediadienst verdeeld wordt via een platform voor gesloten verdeling, moet:

(...)

3o als hij informatie uitzendt, een huishoudelijk reglement opstellen betreffende de objectiviteit bij de verwerking van informatie en zich ertoe verbinden het na te leven;

(...)

5o onafhankelijk zijn van elke regering, elke politieke partij of representatieve werkgevers- of werknemersorganisatie».

Art. 67, § 1, van hetzelfde decreet bepaalt:

«Om de vergunning te verkrijgen en om zijn vergunning te behouden, moet elke lokale televisiezender voldoen aan de volgende voorwaarden:

(...)

8o verantwoordelijk zijn voor zijn programmatie en de editoriale lijn van de informatie leiden in een geest van objectiviteit, zonder voorafgaande censuur of enige inmenging van een publieke of private overheid;

9o bij de verwerking van de informatie, zorgen voor een evenwicht tussen de verschillende in het zendgebied voorkomende ideologische tendensen die de democratische beginselen in acht nemen;

10o in zijn programmatie zorgen voor zijn onafhankelijkheid ten aanzien van de regeringen, de gemeentelijke en provinciale overheden, de publieke en intercommunale instellingen, de verdelers van radiodiensten, de politieke partijen, de werkgevers- of werknemersorganisaties en de filosofische of godsdienstige bewegingen;

(...)».

B.10. Zonder dat het nodig is uitspraak te doen over de vraag of het al dan niet redelijk is verantwoord om de politieke partijen, de kandidaten en derden die reclame wensen te maken voor politieke partijen of kandidaten, te verbieden commerciële reclamespots uit te zenden op de radio en de televisie, dient te worden vastgesteld dat het in het geding zijnde verbod op reclame voor politieke partijen een absolute en permanente draagwijdte heeft en zich niet beperkt tot de verkiezingscampagne. Wegens het absolute en permanente karakter van het verbod, dat aan de audiovisuele media wordt opgelegd, om reclame uit te zenden voor politieke partijen en representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, is dit niet redelijk verantwoord. Het kan tot gevolg hebben dat aan bepaalde formaties de toegang wordt verhinderd tot een belangrijk middel waarover zij beschikken om hun standpunten aan het publiek bekend te maken (zie: EHRM 11 december 2008, voormeld, § 73).

B.11. Het eerste middel is gegrond.

...

 

Noot: 

• T. Moonen, «Politieke reclame op radio en televisie: want u ben het waard».RW 2010-2011, 1754

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/06/2011 - 20:33
Laatst aangepast op: ma, 13/06/2011 - 20:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.