-A +A

Recht op vergoeding voor de deskundige voor de tijd die hij spendeerde aan de betwisting van zijn ereloon

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 27/01/2010

Een deskundige kan slechts vergoeding bekomen voor de tijd die hij gespendeerd heeft aan het zich verdedigen tegen de betwisting van de staat van erelonen en kosten, indien hij het bewijs kan leveren dat de betwisting roekeloos, of tergend, of op enige andere manier foutie werd gevoerd. Er is geen andere rechtsgrond om een deskundige voor de tijd nodig voor de verdediging van de betwisting van zijn erellon een schadevergoeding toe te kennen.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Jkuwer
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
517
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1.K.P., [ ... ]
2. KETELS Philippe B.V.B.A., [ ... ]
tegen
1. VANHEE CONSTRUCT NV,[ ... ] eerste geïntimeerde, [ ... ]
2.R.L., [ ... ]
octrooigemachtigde,
[ ... ]
ll. SITUERING VAN DE BETWISTING
3. De nv Vanhee Construct werd door appellanten in toepassing van art. 26, 27, 52 en 53 van de Wet van 28 maart 1984 betreffende de uitvindingsoctrooien en art. 94/3 van de Wet Handelspraktijken in rechte aangesproken.
[ ... ]
Alvorens hierover te oordelen werd door de Rechtbank van Koophandel te Gent bij tussenvonnis dd. 31 maart 2011 een deskundige aangesteld, m.n. tweede geïntimeerde, Ir. R.L.
Tijdens deze procedure was namelijk gebleken dat appellanten nog een gelijkaardige procedure hadden ingesteld tegen de bvba Hevi, waarbij dit Hof bij tussenarrest van 11 oktober 2010 de heer Ryckeboer als deskundige had aangesteld.
De deskundige heeft op 3 april 2012 in beide zaken zijn (eind)verslag neergelegd, waarna hij zijn kosten- en ereloonstaat voor deze expertisewerkzaamheden neerlegde.
Appellanten hebben de kosten- en ereloonstaat t.b.v. € 12.999,70 (excl. BTW) betwist. De Rechtbank van Koophandel te Gent riep de partijen op 13 september 2012 op omtrent deze betwisting.
De nv Vanhee Construct heeft zich m.b.t. deze discussie naar het oordeel van de Rechtbank gedragen.
In het bestreden vonnis heeft de Rechtbank van Koophandel gesteld dat het aangerekende ereloon en de aangerekende kosten verantwoord waren en niet overdreven voorkomen.
Hiertegen werd door appellanten bij verzoekschrift dd. 21 november 2012 hoger beroep aangetekend, waarbij tevens de deskundige als partij werd betrokken.
111. GRIEVEN - VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP
4. De appellanten formuleren de volgende grieven tegen het bestreden vonnis.
De eerste rechter heeft niet geantwoord op hun argument dat de deskundige een onredelijk aantal uren in rekening
brengt, waarvan een aantal louter 'administratieve' uren zijn. De deskundige heeft zijn plicht om het onderzoek op een zorgvuldige en efficiënte wijze te voeren, niet nageleefd.
De moeilijkheidsgraad en de duur van het onderzoek naar de betwisting met betrekking tot een octrooi kan niet verantwoorden dat in twee parallelle onderzoeken dermate veel uren aangerekend worden. De aangerekende uren zijn buiten proportie. De eerste rechter had hierop gemotiveerd moeten antwoorden.
De appellanten hebben ernstige bezwaren tegen het werk dat de deskundige geleverd heeft. Ten onrechte heeft hij de twee deskundigenonderzoeken niet gescheiden gevoerd.
De eerste rechter heeft ten onrechte geheel niet (gemotiveerd) geantwoord op deze bezwaren. De appellanten behouden zich het recht voor uitvoerig te argumenteren over de waarde van het deskundigenverslag bij de behandeling van de zaak ten gronde.
5. De vordering van appellanten bestaat erin:
"Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis a quo dd. 11 oktober 2012 van de Rechtbank van Koophandel te Gent teniet te doen en opnieuw oordelend.
Na partijen te hebben gehoord in raadkamer, het bedrag van het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundige te herleiden.
Minstens het verzoek van de deskundige tot begroting van zijn ereloon te blokkeren tot een vonnis van de bodemrechter over de grond van de zaak zal tussenkomen, gezien dit een waardeoordeel zal inhouden over het deskundig verslag."
6. De nv Vanhee Construct vordert het hoger beroep af te wijzen als ongegrond, het bestreden vonnis te bevestigen en appellanten in solidum te veroordelen tot de kosten van het geding.
7. De deskundige stelt dat het hoger beroep van appellanten, voor zover ontvankelijk, dient te worden afgewezen als ongegrond en vervolgens het vonnis a quo dient bevestigd te worden.
Hij tekent bovendien incidenteel hoger beroep aan met betrekking tot de kosten van het verweer van de deskundige.
Dit incidenteel beroep omvat de vordering appellanten in solidum te horen veroordelen tot een (provisionele) schadevergoeding van € 2.697,09 omwille van de kosten van verweer van de gerechtsdeskundige, veroorzaakt door de betwisting van de staat van kosten en ereloon, minstens hen te horen veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van€ 1.320,00.
IV. BESPREKING
8. Artikel 991, § 2, derde lid Ger. Wb. schrijft voor dat de rechter die het bedrag van de kosten en erelonen vaststelt, hoofdzakelijk rekening houdt met de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen en de kwaliteit van het geleverde werk. Hij of zij kan daarbij rekening houden met de moeilijkheid en duur van het geleverde werk, de hoedanigheid van de deskundige en de waarde van het geschil.

Voor deze zaak legt de deskundige de volgende staat van erelonen en kosten voor.

[ ... ]

Terecht werpen de heer K.P. en de bvba Ketels Philippe op dat er geen onderscheid gemaakt is tussen de prijs van het eigenlijke studiewerk en de prijs van het administratieve werk, zoals het tik- en kopieerwerk.

Voor het eerste voorverslag rekent de deskundige 21 uur voor de redactie, nazicht en opsturen ervan. Voor het tweede voorverslag is dit 4 uur. Voor het definitieve verslag is geen redactietijd meer opgenomen in de staat van erelonen en

 

kosten. Deze 25 uren administratief werk kunnen niet aan € 135,00 per uur gerekend worden, maar aan € 70,00 per uur. In de plaats van € 3.375,00 wordt € 1.750,00 toegekend. De ereloonstaat moet verminderd worden met een bedrag van€ 1.625,00.

Uit de 70 overblijvende uren voor de drie verslagen kan op zichzelf niet afgeleid worden dat de deskundige onzorgvuldig of inefficiënt tewerk gegaan is. De bvba Hevi treedt de heer K.P. en bvba Ketels trouwens niet bij in de betwisting.

De moeilijkheidsgraad van het gevraagde onderzoek naar het betwiste octrooi verantwoordt deze 70 uren. Het is niet aangetoond dat een gemiddeld zorgvuldig deskundige aan het gevraagde onderzoek kennelijk minder tijd zou hebben besteed.

De brief van 5 september 2012 ter beantwoording van de betwisting van de ereloonstaat wordt niet in rekening gebracht in de staat met betrekking tot dit deskundigenonderzoek. De argumentatie daaromtrent is dan ook niet ter zake. Uit het feit dat de deskundige 14,5 uur aanrekent voor het opstellen voor deze brief en nog eens 14,5 uur aanrekent voor nagenoeg dezelfde brief in het dossier tegen Hevi kan niet bij extrapolatie afgeleid worden dat de deskundige steeds zoveel tijd nodig heeft om te antwoorden op een argumentatie, noch dat hij steeds dubbel rekent.

Dat de deskundige een persoonlijk voorgebruik voor een openbaar voorgebruik genomen heeft, tast, hoe onterecht ook, nog niet de kwaliteit van het gehele onderzoek aan. De appellanten brengen geen andere elementen aan, die het gebrek aan kwaliteit van het gevoerde onderzoek aantonen.

Het argument dat de twee onderzoeken door de deskundige apart hadden moeten gevoerd worden, is niet van aard om de staat van erelonen en kosten te verminderen. Dit argument is ten andere meer een middel tegen het tussenvonnis, waarbij de Rechtbank van Koophandel te Gent in de huidige zaak dezelfde deskundige aanstelde als in de zaak tegen de nv Hevi, dan een middel betreffende de hoegrootheid van het ereloon.

De deskundige maakt aannemelijk dat het samenbrengen en kruisgewijs analyseren van de verschillende argumenten die de partijen Vanhee Construct enerzijds en Hevi anderzijds aanbrachten nodig waren voor het afleveren van een relevant deskundig onderzoek, maar ook meer tijd gevraagd hebben dan het geval zou geweest zijn indien slechts één dossier zou voorgelegen hebben.

De deskundige maakt verder aannemelijk dat de vele opmerkingen de studietijd en de tijd nodig voor het beantwoorden van de opmerkingen aanzienlijk verhoogd hebben.

9. Uit wat vooraf gaat volgt dat er geen aanleiding is de begroting van de erelonen en kosten van de deskundige uit te stellen tot de beslechting van het geschil in de bodemprocedure.

10. De deskundige stelt incidenteel hoger beroep in omdat zijn vordering, die erin bestaat een vergoeding te bekomen voor de tijd die hij gespendeerd heeft aan het zich verdedigen tegen de betwisting van de staat van erelonen en kosten, afgewezen werd.

De betwisting van de staat van erelonen en kosten door de bvba Ketels Philippe en de heer K.P. is geenszins roekeloos, of tergend, of op enige andere manier foutief. Er is dan ook geen rechtsgrond om een schadevergoeding toe te kennen.

Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

ll. Artikel 1017, lid 1 Ger. Wb. schrijft voor dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen en tenzij bijzondere wetten anders bepalen.

Artikel 19, lid 1 Ger. Wb. bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is, in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij wet bepaald.

De in het ongelijk gestelde partij is een (materiële proces)partij die tegen een andere partij conclusie heeft genomen en ten aanzien van die andere partij een negatieve rechterlijke beslissing heeft opgelopen (Cass. 16 mei 1974, Arr. Cass. 1973-74, 1036; Cass. 26 september 1974, Arr. Cass. 1974-75, 122; Cass. 16 november 1978, Arr. Cass. 1978- 79, 315; Cass. 26 september 1983, Arr. Cass. 1983-84, 72). Een in het ongelijk gestelde partij veronderstelt derhalve een ware procesverhouding mét een eiser en een verweerder. Het gaat om een tweerelatie: de ene die de veroordeling wil van de andere (condemnatoir), maar ook de ene die tegen de andere een constitutieve dan wel een (louter) declaratieve rechterlijke beslissing nastreeft. Het moet hoe dan ook gaan om een agressief optreden in rechte, waarover de rechter oordeelt: hij of zij doet uitspraak omtrent de bedoelde procesverhouding, hetzij bij wijze van veroordeling van de ene ten opzichte van de andere, hetzij door middel van een constitutieve dan wel een (louter) declaratieve beslissing. Wie de in het ongelijk gestelde partij is, moet worden bekeken van procesverhouding tot procesverhouding (vgl. S. MOSSELMANS, "Onzorgvuldig gemaakte expertisekosten", R.W. 2006-2007, 1655-1656).

De betwisting, die met toepassing van artikel 991 § 2, lid 2 Ger. Wb. aan de rechter wordt voorgelegd, is een betwisting die kan rijzen binnen het geschil tussen de eigenlijke eiser en verweerder. Hoewel de rechtsmacht van het Hof met de onderhavige beslissing is uitgeput en hoewel met name de appellanten niet akkoord gaan met de door de deskundige gevraagde bedragen, toch is dit niet te kwalificeren als een geding dat leidt tot een eindvonnis, waarbij de ene partij veroordeeld wordt ten opzichte van de andere. De eigenlijke eisende partijen in de voorliggende procedure zijn de appellanten en de eigenlijke verwerende partij is de nv Vanhee Construct. Ten opzichte van hen zal in het eigenlijke geding een eindbeslissing in de zin van artikel 19, lid 1 Ger. Wb. genomen worden.

De betwisting binnen het eigenlijke geding geeft geen aanleiding tot een aparte rechtsplegingsvergoeding.

Artikel 991 § 3 Ger. Wb. bepaalt dat de bedragen die de deskundige toekomen in de eindbeslissing als gerechtskosten begroot worden. In geval de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk werden vereffend, dan gebeurt de vereffening op verzoek van de meest gerede partij door de rechter die de uitspraak heeft gedaan (artikel 1021 Ger. Wb.). Wanneer partijen beroep doen op artikel 1021, lid 2 Ger. Wb., wordt geen aparte rechtsplegingsvergoeding toegekend. Deze bepaling kan naar analogie toegepast worden op de betwisting met betrekking tot de erelonen en kosten van de deskundige.

De betwisting omtrent de erelonen en kosten van de deskundige is ook geen tussenvordering in de zin van artikel 13 Ger. Wb. Dit blijkt uit de bewoordingen van deze laatste bepaling.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de deskundige om hem een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen afgewezen wordt.

OP DIE GRONDEN, HET HOF

verklaart het hoger principaal en incidenteel beroep toelaatbaar, maar enkel het hoofdberoep gegrond in de volgende mate;

hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de vorderingen toelaatbaar verklaarde en de tegenvordering ongegrond verklaarde; doet beperkt opnieuw recht;

bepaalt de staat van kosten en erelonen van de deskundige op € 11.374,70 +BTW;

verwerpt alle overige vorderingen.

[ ... ]

Noot C. Van Severen Taxatatieprocedure, NJW 2014/304, P. 520

Rechtsleer:

• T. LYSSENS en L. NAUDTS, "Kosten en ereloon", in X, Bestendig handboek deskundigenonderzoek, Mechelen, Kluwer, losbl., 2012, afl. 16, III.5-18, nr. 12400).

Contra:

• P. TAELMAN en S. VOET, "De verhaalbaarheid van de advocatenhonoraria: analyse van een aantal knelpunten na één jaar toepassing" in P. VAN ORSHOVEN en B. MAES (eds.), De Procesrechtwetten van 2007... revisited!, Brugge, die Keure, 2009, 153, nr. 26,

 

Rechtspraak:

• Antwerpen 19 september 2001, P&B 2002, 61;

• Antwerpen 31 maart 2004, Limb. Rechts!. 2004 (verkort), afl. 3, 158;

• Kh. Dendermonde 3 juni 2010, RW 2011-12, 537;

• Brussel 9 mei 2008, JT 2008, afl. 6314, 390;

• Antwerpen 19 september 2001, P&B 2001, 61;

• Luik 30 maart 2000, RGAR 2001, nr. 13.452;

 

 

 

Noot: 

zie ook: 

• Vredegerecht Zottegem-Herzele  27 januari 2010, RW, 2011-2012, 189

samenvatting

Artikel 991, § 2, derde lid Ger. Wb. schrijft voor dat de rechter die het bedrag van de kosten en erelonen vaststelt, hoofdzakelijk rekening houdt met de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen en de kwaliteit van het geleverde werk. Hij of zij kan daarbij rekening houden met de moeilijkheid en duur van het geleverde werk, de hoedanigheid van de deskundige en de waarde van het geschil.

Ten deze houdt de vrederechter bij de begroting van de staat van de deskundige rekening met het zorgvuldige, het tijdige en het kwalitatieve karakter van het deskundigenverslag, rekening houdende met de overweging dat enkel manifeste tekortkomingen tot een vermindering of de niet-toekenning van de staat aanleiding kunnen geven.

tekst vonnis

De V.-Van H. t/ BVBA P.

...

Het past allereerst op te merken dat de rechtbank hic et nunc enkel de opdracht heeft de staat van de deskundige te onderzoeken, eventueel te taxeren en te bepalen welke partij deze staat dient te provisioneren, wat van een totaal andere strekking is dan te oordelen ten laste van welke partij deze kosten definitief vallen.

Deze laatste beslissing ressorteert onder de beslissing over de gerechtskosten die in het eindvonnis zal worden genomen.

De rechter oordeelt derhalve thans niet of het deskundigenverslag al dan niet uit het debat moet worden geweerd; dit behoort tot de later te beoordelen grond van de zaak; nu gaat het enkel over de taxatie van de staat.

De kwestieuze staat voldoet aan art. 990 Ger.W., aangezien hij afzonderlijk het uurloon, de verplaatsingskosten, de algemene kosten en de verrekening van het vrijgegeven bedrag vermeldt.

Art. 991, § 2, derde lid, Ger.W. bepaalt dat de rechter bij de taxatie hoofdzakelijk rekening houdt met de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen en de kwaliteit van het geleverde werk.

In de rechtsleer wordt terecht op het delicate karakter van deze taak van de taxatierechter gewezen doordat bij de uitvoering van deze opdracht van hem verwacht wordt dat hij het verslag ook aan een inhoudelijke toetsing onderwerpt en dit op een ogenblik dat hij dit verslag nog niet heeft aangewend in zijn besluitvorming ten gronde en hij derhalve nog niet weet welke bewijswaarde of bewijskracht hij zal verlenen aan de expertise die slechts een advies vormt dat de rechter niet verplicht is te volgen (art. 986 Ger.W.).

De rechter beoordeelt in feite en derhalve op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de vaststellingen en de gevolgtrekkingen van de expert voor zover hij de bewijskracht van het verslag niet miskent; de rechter bepaalt derhalve zelf welk gewicht hij aan de expertise hecht (B. Vanlerberghe, “De wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek”, RW 2007-08, 594 e.v.).

Het recht op ereloon van de deskundige hangt echter niet af van het feit dat de rechter zijn besluitvorming al dan niet zal onderschrijven, wat dan weer niets afdoet aan het gegeven dat geen ereloon verschuldigd is wanneer de prestaties van de deskundige wegens gebrek aan degelijkheid van het verslag niet het minste nut opleveren en totaal overbodig blijken, met andere woorden wanneer het verslag bij een eerste benadering volkomen waardeloos is (A. Cloquet, Deskundigenonderzoek in APR, Gent, Story-Scientia, 1970, p. 174, nrs. 528 en 529).

De houding aannemen zoals bepaalde rechtspraak doet dat de uitspraak over het verzoek tot taxatie dient te worden uitgesteld tot wanneer de rechter de betwisting ten gronde heeft beslecht, is niet redelijk te verantwoorden ten opzichte van de deskundigen die niets te maken hebben met de grond van de zaak, maar soms zeer lang zouden moeten wachten op hun vergoeding, terwijl zij geen partij zijn in het eigenlijke geding en derhalve ook hun stem niet meer kunnen laten horen op de argumenten die de gedingvoerende partijen tegen de expertise laten gelden (K. Devolder, “Het gerechtelijke deskundigenonderzoek na de wet van 15 mei 2007”, P & B 2008, p. 90, nr. 49; B. Petit en R. De Briey, “La réforme de l’expertise opérée par la loi du 15 mai 2007 ou la loi qui n’eût pas dû exister”, JT 2008, p. 250, nr. 85).

De rechtbank onderschrijft het standpunt dat het kwaliteitscriterium enkel in die zin betekenis kan hebben dat enkel louter manifeste tekortkomingen in het eindverslag aanleiding kunnen geven tot een vermindering van de staat of zelfs de niet-toekenning ervan.

De benadering van het verslag, in enkel deze zin en zonder dat derhalve de bewijswaarde en/of de bewijskracht ervan thans aan bod komt (komen), verantwoordt niet het besluit dat het behept is met dergelijke manifeste tekortkomingen die van aard zijn om deze staat te weigeren of te reduceren.

De enige opmerking die zou kunnen worden gemaakt, is dat het voorverslag niet aan dit ambt werd bezorgd en dat het eindverslag niet uiterlijk op 30 september 2009 werd neergelegd, zoals in de opdracht bevolen.

Dit voorverslag werd echter wel aan de partijen bezorgd, en zij hebben hierop hun opmerkingen kunnen formuleren.

De vertraging in de uitvoering van de opdracht en de neerlegging van het verslag dient als zijnde licht bestempeld te worden en is geenszins van aard geweest om de rechtmatige belangen van de procespartijen of één van hen te schaden.

Het is enkel de partij De V.-Van H. die de staat betwist. Deze partij voert aan dat de deskundige benaderd werd door BVBA P. of haar raadsman en zich partijdig opstelde, wat zij afleidt uit het voegen door de expert bij zijn eindverslag van een foto waarvan hij schrijft dat deze tijdens de installatievergadering op zijn verzoek door de dakwerker werd gemaakt, terwijl het in werkelijkheid gaat om een door deze dakwerker (BVBA P.) met schending van de privacy van partij De V.-Van H. op 13 december 2008 genomen foto.

Bij de behandeling van het taxatieverzoek verklaarde F. De V. dat op dat ogenblik geen klacht met burgerlijke-partijstelling tegen de deskundige werd neergelegd.

Uit de expertise volgt dat de raadsman van de BVBA P. tijdens de installatievergadering twee zwart-witfoto’s aan de deskundige overhandigde en dat de BVBA P. op dat ogenblik op verzoek van de deskundige op het dak is gegaan om er enkele pannen ter hoogte van de gemene muur af te nemen, zodat een duidelijker zicht op deze toestand mogelijk was; hiervan werden foto’s genomen (door P. op verzoek van de deskundige) die bij het expertiseverslag werden gevoegd.

Hieromtrent gehoord verklaarde de deskundige dat de tekst in het eindverslag dat de kwestieuze foto tijdens de installatievergadering door de dakwerker op zijn verzoek werd genomen op een vergissing van hem berust, maar zonder verdere relevante gevolgen doordat zijn besluitvorming op andere elementen steunt.

Het moet duidelijk zijn dat de deskundige enkel over stukken kan beschikken die de partijen hem overhandigen, hetzij vór, tijdens of na de installatievergadering. Het behoort hierbij niet aan de deskundige om de rechtmatigheid van de overgelegde stukken te onderzoeken en/of te beoordelen en evenmin om na te gaan of deze stukken behoorlijk overeenkomstig de geldende regels van de procedure onder de partijen gewisseld werden of worden. Eventuele discussie daaromtrent ressorteert onder de grond van de zaak en komt derhalve bij de huidige beoordeling niet aan bod.

De partij De V.-Van H. heeft overigens de gelegenheid gehad zich omtrent de aanwending van dit stuk in de expertise uit te spreken en haar standpunt te laten kennen. Haar recht op tegenspraak evenals haar recht op verdere betwisting ten gronde zijn derhalve volkomen intact gebleven.

Uit niets blijkt derhalve dat dit stuk op verdoken wijze door de BVBA P. of haar raadsman aan de deskundige zou zijn overhandigd om hem te beïnvloeden of om hem tot enige partijdigheid aan te zetten. Een aanvaardbaar gemaakte materiële vergissing in het verslag die inmiddels door de verklaringen van de deskundige werd toegelicht en rechtgezet volstaat op zichzelf niet om aan de deskundige de taxatie van zijn staat te weigeren.

De staat van de verzoeker wordt derhalve getaxeerd op 1.436,82 euro exclusief BTW waarvan nog 1.133,55 euro, BTW inclusief te betalen valt.

De onderhavige beslissing wordt uitvoerbaar verklaard jegens de partij F. De V.-D. Van H.
 

Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 3 juni 2010, RW 2011-2012, 537

Samenvatting:

De opleiding, de kwalificatie en de specialisatie van de deskundige zijn essentiële renumeratiefactoren waarmee rekening dient gehouden bij de bepaling van zijn staat.

De vraag rijst of de deskundige recht heeft op een vergoeding voor zijn tijdsbesteding en bijkomende kosten. Indien de betwisting ten onrechte is, heeft de deskundige recht op een forfaitaire vergoeding; indien zijn staat werkelijk en terecht wordt betwist, is er evenwel geen enkele reden tot vergoeding.

aanvaard uurloon 97,02 euro
aanvaard uurloon secretariaat: 44, 23 euro
herleide post voor neerlegging en afsluiting expertise: 125 euro
redelijke verplaatsingsvergoeding met inbegrio van de tijd besteed aan de verplaatsing: 1 euro per km.

tekst vonnis:

NV A.R. t/ BV Vennootschap naar Nederlands recht R.S.N.

4. Beoordeling

...

4.2. De staat van de kosten en het ereloon wordt niet langer betaald bij de overlegging van het verslag aan partijen. De betaling ervan dient conform art. 991bis Ger.W. te gebeuren aan de hand van het voorschot dat geconsigneerd is; voor zover dat voorschot of het saldo ervan dat voorhanden is op de griffie of bij de kredietinstelling ontoereikend is om (het saldo van) de staat te voldoen, mag de deskundige slechts een rechtstreekse betaling in ontvangst nemen nadat zijn staat van kosten en ereloon definitief is begroot door de rechter (art. 991bis, laatste lid, Ger.W.).

In principe begroot de deskundige zelf zijn kosten en ereloon; behoudens enkele uitzonderingen bestaan er immers geen wettelijke barema’s voor de kosten en de erelonen.

De bepaling van de staat van kosten en ereloon gebeurt door de rechter; de verbintenis deze te moeten voldoen volgt niet uit enige overeenkomst, maar uit de wet zelf. De beoordeling door de rechter gebeurt niet op grond van een overeenkomst maar (deels) op de criteria die de wet voorschrijft.

De deskundige moet zich daarbij echter aan de bepalingen van art. 990 Ger.W. houden. Dat artikel voorziet in een gedetailleerde staat waarbij afzonderlijk vermeld worden:

– het uurloon;

– de verplaatsingskosten;

– de verblijfkosten;

– de algemene kosten;

– de bedragen die aan derden zijn betaald;

– de verrekening van vrijgegeven bedragen.

De basis voor de begroting wordt volgens art. 991, § 2, derde lid, Ger.W. gevormd door drie elementen:

– de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd;

– de nakoming van de vooropgestelde termijnen;

– de kwaliteit van het geleverde werk.

Eiseres beweert niet dat de werkzaamheden of het verslag van de deskundige zou(den) tekortschieten aan één van voornoemde criteria.

De rechter die wordt geadieerd inzake een betwisting omtrent de kosten en erelonen van een gerechtsdeskundige kan zich evenwel ook laten leiden door andere criteria dan die welke worden opgesomd in de wet zelf (Antwerpen 30 januari 2001, P&B 2002, 231).

4.3. Hoewel het geen criterium op zich is, zal de hoedanigheid van de deskundige mee bepalend zijn bij de begroting van de staat. Het is logisch dat de opleiding, de kwalificatie en de specialisatie van de deskundige essentiële renumeratiefactoren vormen.

De deskundige heeft duidelijk uiteengezet en door middel van stukken gestaafd dat zijn graad en diploma gelijkgesteld wordt, met die van industrieel ingenieur (zie ook de voorgelegde beslissing van de Assimilatiecommissie bij het Ministerie van Onderwijs). Deze kwalificaties worden ook door geen van de partijen betwist.

Voorts heeft deze deskundige ter zitting uiteengezet dat hij drie specialisaties heeft, namelijk (1) transformatie van kunststoffen; (2) luchtbehandelingen en (3) niet-verspanende metaalbewerking.

Ten slotte deelde de deskundige, op verzoek van de rechtbank, mede dat hij tot nog toe reeds een zevental gerechtelijke expertises heeft uitgevoerd.

4.4. Wanneer de rechter die de deskundige heeft aangesteld, geadieerd wordt om de staat van de kosten en het ereloon te begroten, kan hij geen uitspraak doen over de waarde van het deskundigenonderzoek voor de beslechting van het geschil; het komt immers aan de rechter ten gronde toe om bij het onderzoek van het geheel van elementen te oordelen of de inhoud van het verslag nuttig is voor de beslechting van het geschil. Deze rechtbank oordeelt thans als taxatierechter en treedt bijgevolg niet in de beoordeling van de feiten.

Bijkomend element is nog dat in casu, gezien de minnelijke regeling, ook geen daadwerkelijk deskundigenverslag (met voorverslag, opmerkingen en eindverslag) voorligt.

4.5. De deskundige hanteert drie verschillende uurloontarieven.

Voor de expertisewerkzaamheden (zeg maar de intellectuele prestaties) rekent de deskundige een uurtarief aan van 97,02 euro. Hoewel zulks misschien eerder aan de hoge kant is, meent de rechtbank dat dit uurtarief niet als kennelijk onredelijk of abnormaal hoog kan worden betiteld, mede in functie van de hierboven vermelde kwalificaties van de deskundige.

Voor de verplaatsingen (los van de eigenlijke verplaatsingskost, die afzonderlijk wordt aangerekend à rato van 0,61 euro/km) rekent de deskundige een tarief aan van 72,77 euro per uur. De rechtbank is van oordeel dat het uurtarief voor verplaatsingen overdreven begroot is: een reductie naar het uurloon inzake secretariaatskosten (44,23 euro) is billijk, zeker aangezien daarnaast ook nog eens een afzonderlijke verplaatsingskost wordt aangerekend (0,61 euro/km) die ook eerder aan de hoge kant begroot is (vaak wordt door deskundigen bv. enkel een globaal forfait aangerekend van 1,00 euro/km, waarin dan zowel de verplaatsingsduur als de verplaatsingskost begrepen zit).

Het uurloon inzake secretariaatskosten (44,23 euro) is redelijk begroot en behoeft geen enkele correctie.

4.6. Bij nazicht van de staat van kosten en erelonen blijkt dat deze uitermate gedetailleerd is, daar deze niet minder dan dertien bladzijden telt.

Wegens de fundamentele kritiek die geuit wordt, is het nodig om deze staat te onderwerpen aan een gedetailleerd onderzoek.

Voor de posten die niet uitdrukkelijk worden besproken, dient te worden aangenomen dat deze, behoudens andersluidende overweging, kunnen worden toegekend, zoals gevorderd.

...

4.20. Voor de posten “dossier afsluiten” enerzijds en “neerleggen” anderzijds brengt de deskundige 228,39 euro in rekening. Deze posten worden amper toegelicht.

Bij dit alles brengt de rechtbank in herinnering dat er geen sprake is van een deskundigenverslag (met voorverslag, opmerkingen en eindverslag) maar – in essentie – enkel van rapportage van twee vergaderingen, met een afsluitend relaas, gezien de minnelijke regeling.

In acht genomen het proportionaliteitsbeginsel heeft de deskundige ter zake ook rekening te houden met de (beperktere) aard van zijn werkzaamheden.

Ex aequo et bono dient deze post te worden herleid tot 125,00 euro.

4.21. De deskundige heeft ook een bedrag gevorderd van 204,00 euro ter vergoeding van de bijkomende kosten, daar hij werd opgeroepen omdat zijn staat wordt betwist.

De deskundige dient normalerwijze zelf te verschijnen op de taxatiezitting, omdat hij zijn staat, die het voorwerp van betwisting uitmaakt, dient toe te lichten.

De vraag rijst of de deskundige recht heeft op een vergoeding voor zijn tijdsbesteding en bijkomende kosten. Indien de betwisting ten onrechte is, heeft de deskundige recht op een forfaitaire vergoeding; indien zijn staat werkelijk en terecht wordt betwist, zoals in casu, is er evenwel geen enkele reden tot vergoeding (T. Lyssens en L. Naudts, “Kosten en erelonen” in Bestendig Handboek deskundigenonderzoek, Kluwer, III-5-18, nr. 12400).

Deze afzonderlijke vordering wordt dan ook afgewezen.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/09/2014 - 17:23
Laatst aangepast op: ma, 01/09/2014 - 17:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.