-A +A

Recht op onderwijs is nog geen recht op inschrijving in een bepaalde school

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 11/07/2016

Elk kind heeft recht op onderwijs. Dit recht is niet gelijk te stellen met het recht op onderwijs in een bepaalde school..

De Codex Secundair Onderwijs koppelt aan het begrip «recht op inschrijving», voorwaarden die dienen voldaan te zijn vooraleer het recht op inschrijving ontstaat en kan afgedwongen worden.

De procedure voor de Commissie Leerlingenrechten is de enige mogelijkheid om een afdwingbaar subjectief recht op inschrijving tot stand te brengen na een weigering van inschrijving door een school.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
331
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L. t / Gemeenschapsonderwijs

...

3. Beoordeling

3.1. Bevoegdheid

Bij het onderzoek naar de vraag of de kortgedingrechter bevoegd is, dient hij na te gaan of de spoedeisendheid uit de gedinginleidende akte blijkt, expliciet, of zelfs impliciet.

In de dagvaarding wordt vermeld dat de zaak spoedeisend is. De kortgedingrechter is bijgevolg bevoegd om de grond van de zaak te onderzoeken (Cass. 11 mei 1990, Pas. 1990, I, 1045).

3.2. Onderzoek op de wijze van kort geding

Art. 1039 Ger.W. bepaalt: «De beschikkingen in kort geding brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf; zij zijn uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep en, zonder borgtocht indien de rechter niet heeft bevolen dat er een wordt gesteld

(...)

»
«Bij voorraad» («par provision») betekent historisch gezien «bij wijze van voorschot». Het voorlopig karakter van de uitspraak in kort geding duidt aan dat deze gevolgd kan worden door een andere uitspraak die een definitieve beslechting van het bodemgeschil inhoudt.

De voorzitter kan slechts uitspraak doen bij voorraad, zonder nadeel toe te brengen aan de zaak zelf. Dit betekent onder meer zeggen dat het gevraagde van voorlopige aard moet zijn. De rechter in kort geding moet er bij het opleggen van een maatregel rekening mee houden dat de bodemrechter later anders kan oordelen over de rechten van de partijen. Daarom wordt vereist dat de maatregel opgelegd in kort geding een later bodemgeding niet zinloos mag maken.

In beginsel mag de voorzitter geen onomkeerbare maatregelen opleggen, en hij moet vermijden een voldongen feit te creëren. Het Hof van Cassatie vereist dat de rechter geen maatregelen neemt waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast. De rechter moet er zich voor hoeden een maatregel te nemen waardoor aan een eventueel later bodemgeschil elk nut wordt ontnomen.

Afhankelijk van de spoedeisende omstandigheden en de schijn van de onderliggende rechtsverhouding, kan de rechter in kort geding een veroordeling uitspreken om iets te doen, iets te laten of om een bepaalde provisie te betalen. Een louter declaratoire of constitutieve uitspraak, zoals de nietigverklaring van een contract of een echtscheiding, is daarentegen niet toegestaan in kort geding. Een dergelijke uitspraak beantwoordt in geen geval aan het vereiste van een uitspraak bij voorraad (zie o.m.: S. Beernaert, «Algemene principes van het civiele kort geding», RW 2001-02, 1345 e.v.).

In de mate waarin de h. L. vraagt te zeggen voor recht dat de genomen beslissing van 29 februari 2016, gecorrigeerd op 1 maart 2016, als onrechtmatige daad onbestaande is en geen rechtsgevolgen ten opzichte van verzoekende partijen kan hebben en hen derhalve niet tegenwerpelijk is, subsidiair, de intrekking te bevelen van de beslissing en subsidiair, te zeggen voor recht dat het te vellen vonnis moet worden beschouwd als een intrekking van de bestreden beslissing, vraagt hij geen voorlopige, maar een definitieve beslissing, waarvoor de kortgedingrechter niet bevoegd is. Slechts in de mate waarin de h. L. vraagt de bestreden beslissing als onwettig te schorsen om de ingeroepen motieven, kan de kortgedingrechter uitspraak doen, mits de h. L. aantoont dat zijn subjectieve rechten of die van zijn dochter geschonden zouden zijn.

De rechtsmacht van de hoven en rechtbanken is gebaseerd op de artt. 144 en 145 Gw. Deze grondwetsbepalingen geven aan de gewone rechter de bevoegdheid voor het beslechten van geschillen over subjectieve rechten.

De rechterlijke macht is bevoegd om de door de overheid bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden.

Deze bevoegdheid komt eveneens toe aan de kortgedingrechter, binnen de door de wet gestelde grenzen. Daarbij mag de rechter evenwel niet aan het bestuur zijn beleidsvrijheid ontnemen of zich in de plaats stellen van het bestuur (Cass. 24 november 2005, Arr.Cass. 2005, 2353; Cass. 1 oktober 2007, Arr.Cass. 2007, 1818).

In zoverre eiser zijn vordering baseert op een beweerde onrechtmatige aantasting van subjectieve rechten door de overheid, heeft de burgerlijke rechter rechtsmacht. Het komt hierbij de rechter in kort geding toe om in geval van spoedeisendheid voorlopige maatregelen te bevelen ter voorkoming van schade, wanneer deze het gevolg is van een ogenschijnlijke schending van een subjectief recht van één van de partijen, waaraan een rechtsplicht van de andere partij beantwoordt.

De rechter kan aanduiden dat de overheid een fout zou hebben begaan bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, maar mag zich niet in de plaats van de overheid stellen; hij mag niet oordelen daar waar de overheid zelf beschikt over een beslissingsmarge.

In zoverre er sprake is van spoedeisendheid, de rechter zich niet in de plaats stelt van de overheid bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid en de gevorderde maatregelen niet meer dan een voorlopig karakter hebben, kan de rechter in kort geding hiervoor geadieerd worden.

Om na te gaan of de h. L. of zijn minderjarige dochter A.L. over een subjectief recht zou beschikken, moet allereerst de rechtsplicht van de overheid ten aanzien van de rechtzoekende worden onderzocht (zie o.m.: M. Boes, «Bestuurlijke vrijheid en rechterlijke toetsing», RW 1986-87, 1253; A. Mast, «Droits civils, droits politiques et intéréts administratifs», JT 1947, 195; J. Salmon, Le Conseil d’Etat, I, Brussel, Bruylant, 1994, 248; W. Van Gerven, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Standaard, 1973, 89).

Zodra de gevorderde prestatie als een absolute verplichting verschijnt, dat is een verplichting die als onmiddellijk rechtsgevolg voortspruit uit direct werkende wettelijke of reglementaire voorschriften doordat de inhoud en de bestaansvoorwaarden van de verplichting volledig, in alle onderdelen door die voorschriften zijn bepaald en de toepassing van de regels het derhalve niet mogelijk maakt of zelfs toelaat dat door de overheid op een of ander punt nog een discretionaire appreciatie zou worden aangebracht, beschikt de rechtzoekende over een subjectief recht (RvS nr.13.450, Marneffe, 18 maart 1969; RvS nr.20.377, Lemmens, 3 juni 1980; RvS nr.27.629, Goossens, 10 maart 1987).

Ook het Hof van Cassatie heeft het subjectief recht meermaals in die zin omschreven (Cass. 10 maart 1994, Arr.Cass. 1994, 238). Zo oordeelde het Hof van Cassatie in het arrest van 22 december 2002: «(...) dat een subjectief recht ter zake van de rechtsbetrekking tussen de burger en de overheid bestaat wanneer de burger, zich baserend op een persoonlijk belang, gerechtigd is op grond van een rechtsregel van de overheid een welbepaald gedrag te eisen; dat een dergelijke juridische verplichting wat de overheid betreft, bestaat wanneer deze optreedt met een gebonden bevoegdheid; dat er dan immers geen ruimte voor beleid is gelaten en de overheid, zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, die beslissing moet nemen die de objectieve rechtsregel oplegt; (...)».

De h. L. beroept zich op art. 24 Gw., art. 8 EVRM, art. 6 EVRM, art. 2 van het Eerste Toegevoegd Protocol bij het EVRM, het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Art. 2 van het Eerste Toegevoegd Protocol bij EVRM bepaalt: «Recht op onderwijs

«Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.»

Artt. 28 en 29 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de Rechten van het Kind bepalen onder meer:

«Art. 28.1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs, en teneinde dit recht geleidelijk en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, verbinden zij zich er met name toe:

...

«b) de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs aan te moedigen, met inbegrip van algemeen onderwijs en beroepsonderwijs, deze vormen voor ieder kind beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken, en passende maatregelen te nemen zoals de invoering van gratis onderwijs en het bieden van financiële bijstand indien noodzakelijk;

(...)

«d) informatie over en begeleiding bij onderwijs- en beroepskeuze voor alle kinderen beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken;

«e) maatregelen te nemen om regelmatig schoolbezoek te bevorderen en het aantal kinderen dat de school vroegtijdig verlaat, te verminderen.

...

«Art. 29. 1. De staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te zijn gericht op:

«a) de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind;

...

«d) de voorbereiding van het kind op het dragen van verantwoordelijkheid in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking;

...

«2. Geen enkel gedeelte van dit artikel of van artikel 28 mag zo worden uitgelegd dat het de vrijheid aantast van individuele personen en rechtspersonen om onderwijsinstellingen op te richten en daaraan leiding te geven, evenwel altijd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel vervatte beginselen, en van de vereiste dat het aan die instellingen gegeven onderwijs voldoet aan de door de Staat vastgestelde minimumnormen.»

Art. 24 Gw. bepaalt:

«Art. 24 § 1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld.

«De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders.

«De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.

De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Ǥ 2. Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.

Ǥ 3. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.

«Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding.

Ǥ 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden.

«§ 5. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet.»

Het is niet duidelijk hoe de h. L. uit deze bepalingen meent te kunnen afleiden dat A.L. zou beschikken over een subjectief recht op inschrijving in een welbepaalde school. «Recht op inschrijving» is geen op zichzelf staand begrip, maar is bepaald in hoofdstuk 1/1 van deel III titel 2 van de Codex Secundair Onderwijs. De procedure voor inschrijving is geregeld in artt. 110/12 tot 110/18.

Het recht op onderwijs is niet gelijk te stellen met het recht op onderwijs in een bepaalde school. Het inschrijvingsrecht is geen modaliteit van het recht op onderwijs. Het recht op onderwijs wordt niet in het gedrang gebracht door het mislopen van de inschrijving in een school naar keuze, zolang de keuzevrijheid niet in het gedrang is.

De Raad van State bevestigde dit in twee arresten:

«11.1. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing hem de toegang ontzegt tot een welbepaalde school en studierichting van zijn keuze. Verzoeker gaat er echter aan voorbij dat, hoewel de bestreden beslissing hem de toegang ontzegt tot een welbepaalde school, die beslissing hem geenszins verhindert verder te studeren in de studierichting van zijn keuze, zodat de voortgang van zijn studieloopbaan niet dermate in negatieve zin wordt beïnvloed. De wijze waarop verzoeker de hoogdringendheid omschrijft, namelijk «het verlies van het recht op onderwijs [dat] een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd» wordt trouwens tegengesproken door het feit dat hij verder kan studeren in een studierichting van zijn keuze en dit zonder verlies van een schooljaar.» (RvS, arrest nr. 230.153 van 10 februari 2015).

«23. Anders dan verzoekers vooropstellen, waarborgen de internationaalrechtelijke instrumenten die zij vermelden géén onvoorwaardelijk recht op onderwijs in een welbepaalde onderwijsinstelling.» (RvS, arrest nr. 213.778 van 9 juni 2011).

De h. L. toont niet aan dat de weigering de onmogelijkheid betekent om de gewenste studierichting in het gewenste onderwijsnet te volgen. Er zijn onbetwist voldoende scholen van het Gemeenschapsonderwijs in de nabijheid die dezelfde studierichting aanbieden.

Uit de conclusie blijkt dat eisers een alternatief vonden in een school te Woluwe, die geen school via het Gemeenschapsonderwijs is. Het recht op onderwijs in de gekozen studierichting van A.L. kan zich blijkbaar realiseren in deze school. Het andere aspect van het recht op onderwijs, de keuzevrijheid voor een school met de gekozen religieuze of filosofische overtuiging, blijken eisers niet van belang te achten.

De voorwaarden die de Codex Secundair Onderwijs koppelt aan het begrip «recht op inschrijving», dienen voldaan te zijn vooraleer het recht op inschrijving ontstaat en kan worden afgedwongen. Art. 110/14 stelt als voorwaarde de klacht bij de Commissie Leerlingenrechten (hierna: «CLR»), die oordeelt over de gegrondheid van een niet-gerealiseerde inschrijving:

«Artikel 110/14.

Ǥ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een niet gerealiseerde inschrijving een klacht indienen bij de CLR. Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

Ǥ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, (...).

Ǥ 3. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Ǥ 4. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

...»

De procedure door de Commissie Leerlingenrechten is de enige mogelijkheid om een afdwingbaar subjectief recht op inschrijving tot stand te brengen na een weigering van inschrijving door een school. Aangezien de h. L. deze vorm van rechtsbescherming ter zijde schuift, brengt dat mee dat hij een eventueel subjectief recht niet meer kan laten gelden voor de burgerlijke rechter.

Voorts verduidelijkt de h. L. nergens in zijn conclusies hoe hij een recht op inschrijving in een welbepaalde studierichting in een welbepaalde school meent te kunnen afleiden uit art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) en art. 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven). De teksten bepalen dit noch expliciet, noch impliciet.

Noot: 

Ludo Veny, Geen gewaarborgd inschrijvingsrecht en in eerste instantie beroep bij de Commissie inzake Leerlingenrechten, RW 2017-2018, 311

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 18/10/2017 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 18/10/2017 - 14:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.