-A +A

Recht op onderwijs aan huis voor chronisch zieke leerling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 30/03/2017

Elk kind heeft recht op onderwijs.Dit recht komt ook toe aan chronisch zieke kinderen die het recht kunnen laten gelden op thuisonderwijs zoals TOAH (Tijdelijk onderwijs aan huis) en Bednet.

De school draagt aansprakelijkheid voor het niet geven van informatie dienaangaande en het niet inrichten van een TOAH (Tijdelijk onderwijs aan huis). Wanneer een kind aldus een schooljaar verlies, dan wel in algemenen termen onderwijs mist, maakt zuls een verlies van een kans uit hetgeen een vergoedbare schade is, die een fractie uitmaakt van de totale schade van het onderliggende belang.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
551
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. B.E., 2.D.T., 3.B.N.,[ ... ] appellanten,

tegen

Diocesaan Schoolcomite Denderstreek-Zuid V.Z.W., [ ... ]

geïntimeerde,

[ ... ]

II. BEOORDELING

10. De vordering van E.B. en haar ouders, T.D. en N.B., is gesteund op de fout vanwege de VZW Diocesaan Schoolcomité Denderstreek-Zuid/de school wegens schending van de toepasselijke reglementering inzake TOAH.

Die fout is volgens hen dubbel:

- gebrek aan informatie vanwege de school tijdens het eerste semester van het schooljaar 2012-2013 over het recht van E.B. op TOAH;

- het niet inrichten van TOAH na de officiële aanvraag - tijdens het tweede semester - daartoe vanwege de ouders van E.B. op 2 februari 2013.

In dit verband is relevant dat een miskenning van een "wet" in de materiële betekenis een fout uitmaakt in de zin van de artikelen 1382-1383 BW indien die wet een welbepaalde gedragsregel bevat onder de vorm van hetzij een ge-

bod, hetzij van een verbod, en door een normaal, voorzichtige en redelijke mens steeds zou worden nageleefd. Het is een toepassing van de buitencontractuele aansprakelijkheid.

11. De grieven vanwege de appellanten tegen het bestreden vonnis luiden samengevat:

de school (en de eerste rechter) miskennen het onderscheid tussen het aangeboden Bednet en het aanvullend gevraagde TOAH;

- E.B. heeft recht op TOAH ingevolge haar aanvraag van 2 februari 2013;

- het uitblijven van de organisatie van TOAH door de school maakt een fout uit;

- de school - schuldbekwaam - begaat die fout wetens en willens en veroorzaakt daardoor te vergoeden schade (minstens wegens het verlies van de kans op een A-attest voor het schooljaar 2013-2013 voor E.B.).

Bij nazicht van het bestreden vonnis in combinatie met die grieven, bundelt het hof haar oordeel over de respectieve standpunten onder de navolgende rubrieken om te besluiten tot het voorhanden zijn van een fout (a), die wetens en willens (b) is begaan en aanleiding geeft tot (c) schade wegens het verlies van de kans voor E.B. om te slagen in haar vijfde jaar, richting wetenschappen-wiskunde, tijdens het schooljaar 2012-2013 (d).

a) De fout:

12. De schuldbekwaamheid van de school is geen punt van discussie tussen de partijen.

13. De eerste rechter overweegt inzake de eerste beweerde fout - de informatie over het recht op TOAH gedurende het eerste semester van het schooljaar 2012- 2013 - dat de school met de vermelding ervan in het schoolreglement aan de wettelijke verplichting van de artikelen 117 en 117/1, 1• lid van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs (hierna aangeduid als de Codex Secundair Onderwijs) heeft voldaan.

 

14. Het dan toepasselijke artikel 117/1, lid 1 van de Codex Secundair Onderwijs luidt:

"Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval van een leerling is het schoolbestuur verplicht om de betrokken personen te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis."

Desbetreffend wordt ook verwezen naar artikel 2.1 van de Omzendbrief S0/2005/05 van 22 juli 2005 inzake "Onderwijs voor zieke jongeren en vrijstelling van de leerplicht" en met dus de Codex Secundair Onderwijs als wettelijke basis:

"De school is ertoe verplicht om op twee wijzen informatie over het recht op en de mogelijkheden/modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis te geven:

1) door middel van het schoolreglement;

2) bij elk individueel geval van langdurige afwezigheid door ziekte, ongeval of moederschapsverlof indien de leerling een potentieel rechthebbende is. De school doet m.a.w. een aanbod, maar het komt aan de betrokken personen en de behandelende arts toe om daarop al dan niet in te gaan."

"Langdurige afwezigheid door ziekte" in de zin van die omzendbrief (en dus "een potentieel rechthebbende") is te definiëren als - de jongere is in die hypothese niet chronisch ziek en waarvoor bij E.B. op basis van de bijgebrachte stukken in het eerste semester inderdaad nog geen indiciën voorhanden zijn (zie hierna) - meer dan 21 kalenderdagen ononderbroken afwezigheid op school.

E.B. is gedurende het eerste semester van 2012-2013 afwezig van 17 oktober tot 5 november 2012 ofwel gedurende 20 kalenderdagen (stuk XII appellanten - bijlage 4 met de aanwezigheidslijst van het eerste semester en de aanduiding van haar aanwezigheid op 6 november 2012), zodat de school door de opname van de mogelijkheid van TOAH in artikel 3.2.2.5 van haar schoolreglement 2012-2013 voldoende tegemoet is gekomen aan vernoemde verplichting (stuk I appellanten - bijlage 11).

Alsdan - eerste semester van 2012-2013 - kan volgens het hof aan de school niet worden verweten dat ze E.B. niet als een potentieel rechthebbende voor TOAH beschouwt en dus geen TOAH-aanbod zoals bepaald in de omzendbrief formuleert.

15. De tweede beweerde fout slaat op het gebrek aan gevolg vanwege de school aan de officiële aanvraag tot TOAH van 2 februari 2013, ingediend door de ouders van E.B. op 2 februari 2013 (stuk II appellanten).

Conform artikel 7, § l, lid 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 betreffende het onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren, organiseert het schoolbestuur het TOAH op de verblijfplaats van de betrokken leerling zo spoedig mogelijk en uiterlijk vanaf de schoolweek die volgt op de week waarin de aanvraag ontvankelijk werd bevonden, d.w.z. dat bij ontvangst van de aanvraag alle voorwaarden voor het recht op TOAH zijn vervuld. Dat is trouwens ook in die zin vermeld in artikel 3.2.2.5 van het schoolreglement (stuk I appellanten - bijlage 11).

16. De school beaamt in haar syntheseconclusie (blz. 18):

"Na deze officiële aanvraag tot TOAH door appellanten werd er inderdaad geen tijdelijk onderwijs aan huis georganiseerd waarbij een leerkracht maximaal 4 uur per week bij E.B. thuis les zou komen geven. Dit werd door de school nooit betwist."

Ze voegt er aan toe dat "het feit dat dit niet gebeurd is, evenwel geenszins [kan) worden beschouwd als een fout in hoofde van de school in de zin van artikel 1382-83 BW';

omdat E.B. niet voldeed aan alle voorwaarden om recht te hebben op tijdelijk onderwijs aan huis wegens haar "bestendige" afwezigheid.

Volgens de school is dergelijke "bestendige" afwezigheid niet verenigbaar met het per definitie tijdelijk karakter van TOAH, waarbij ze tevens aanstipt (syntheseconclusie - blz. 19) dat "voormelde in de Omzendbrief aangehaalde voorbeelden duidelijk maken dat de aandoening van E.B. zelfs niet onder de definitie van 'chronische ziekte' valt. ( ... )

De 'ziekte van Lyme' was nog niet vastgesteld. Het is pas bij de vaststelling van de 'ziekte van Lyme' in oktober 2013 dat meteen een echte behandeling werd aangevat."

17. De dan toepasselijke en relevante reglementering is nochtans duidelijk. Ze maakt inzake de toepassingsvoorwaarden voor TOAH enkel een onderscheid tussen een langdurig zieke (21 dagen afwezigheid na elkaar) en een chronisch zieke (9 halve dagen afwezig) jongere. Het door de school naar aanleiding van deze procedure naar voor geschoven criterium als zou de afwezigheid "niet bestendig" mogen zijn, wordt onterecht toegevoegd aan die heldere inhoud die geen interpretatie behoeft. Dat tijdelijk karakter van het onderwijs staat niet tegenover "bestendige" afwezigheid, maar wel tegenover het voorwaardelijk leerlingenrecht van permanent onderwijs aan huis voor jongeren voor wie het "omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school."

Bij afwezigheid van een zieke leerling gedurende 21 dagen na elkaar of 9 halve dagen in geval van chronische ziekte, is de school kortom verplicht om in te gaan op dat verzoek om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.

18. Terecht treedt de eerste rechter dan ook dat (onderdeel van het) standpunt van de school niet bij. Zij benadrukt de chronische ziekte waaraan E.B. lijdt (de tweede hypothese voor onderwijs aan huis), zoals inderdaad minstens is gebleken uit de sinds de start van het tweede semester van het schooljaar 2012-2013 beschikbare medische informatie.

De medische situatie van E.B. is op het einde van 2012 en bij de aanvang van het tweede semester begin 2013 verergerd. De school zelf bevestigt dat overigens in haar verweerschrift van 30 september 2013 aan het AgODI (stuk XII appellanten - bijlage 4): "Tijdens het 1• semester loopt het nog redelijk. Ze heeft op school een bed in de ziekenboeg, als ze te moe is of ze heeft meer hoofdpijn kan ze daar gaan rusten." Een en ander leidt tot de concrete aanvraag van TOAH van 2 februari 2013,met als bijlage het ook aan de school bekende attest van het Universitair Ziekenhuis Gent - afdeling pijnkliniek. Dr. Griet Brusselmans attesteert aldaar dat E.B. "chronische pijn" lijdt en "wordt opgevolgd ikv chronische pijnklachten die kaderen binnen de diagnose fibromyalgie." Aldus wordt bij de start van 2013 het ziektebeeld van E.B. door haar behandelende specialist benoemd als chronisch.

Dat de situatie van E.B. op 2 februari 2013 wel degelijk valt onder de voorwaarden van TOAH in de zin van vernoemd artikel 117/1 van de Codex Secundair Onderwijs, wordt ook bevestigd in het advies vanwege het AgODI naar aanleiding van de klacht vanwege de ouders van E.B. op 19 augustus 2013 wegens de niet-naleving door de school van de regelgeving ter zake (stuk XII appellanten). De 12 dan bij die klacht gevoegde bijlagen bevatten nochtans niet het als stuk IX door appellanten meegedeeld medisch dossier, waarin precies en voor het eerst gewag wordt gemaakt van een vergevorderd stadium van de ziekte van Lyme. Niettemin leest het hof in de overwegingen van het AgODI van 25 oktober 2013 dat E.B. voldoet aan de voorwaarden tot het verkrijgen van TOAH op basis van haar chronische ziekte, zoals benadrukt in het bij haar aanvraag van 2 februari 2013 gevoegde medisch attest (stuk XII appellanten -onderlijning door het hof):

"Op basis van deze elementen had de leerling, die op dat moment chronisch ziek was, onmiddellijk recht op tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH) per schijf van 9 halve dagen afwezigheid op school. De Vlaamse overheid voorziet voor deze leerling 4 gesubsidieerde lestijden vanaf het tijdstip van de aanvraag van de ouders. en de eerste daarop volgende halve dag afwezigheid ten gevolge van de chronische ziekte."

In haar-later- medisch dossier (over de periode 14 oktober 2013 - 11 maart 2014) besluit professor dr. Kenny De Meirleir op 14 oktober 2013 tot een "late stage Lyme disease" (stuk IX appellanten). De ziekte van Lyme is een chronische multi-systeemziekte geworden, waarbij verschillende organen en lichaamsdelen aangetast worden.

19. Hoe dan ook is E.B. - wat de school onderschrijft - in het tweede semester al meer dan 21 kalenderdagen ononderbroken afwezig op school, zodat ze ook op basis van de hypothese van een dergelijke langdurige afwezigheid recht heeft op TOAH.

20. Aan E.B. moet derhalve ingevolge haar verzoek van 2 februari 2013 in elk geval TOAH aangeboden worden door de school. Dat is niet gebeurd.

21. Geconfronteerd met haar onbetwistbare inbreuk op die reglementering, brengt de school vervolgens Bednet in het debat, dat ze (in tegenstelling tot TOAH) wel heeft georganiseerd en zelf omschrijft als vallend "onder het TOAH in de ruime zin" (haar syntheseconclusie - blz. 24 in fine). Ze wijst er op dat zij: "reeds vóór de aanvang van het tweede semester van het schooljaar 2012-2013, lang vóór de officiële TOAH-aanvraag van appellanten op 02.02.2013, het initiatief heeft genomen om voor E.B., TOAH op te starten onder de vorm van Bednet."

Ze besluit (haar syntheseconclusie - blz. 25):

"In die zin kan dan ook niet met redelijkheid betwist worden dat het schoolbestuur wel degelijk TOAH heeft aangeboden en aldus het recht op TOAH heeft nageleefd."

De eerste rechter treedt dat standpunt van de school bij met haar overweging dat "bij de toepassing van het beginsel dat het materieel overtreden van een specifieke rechtsnorm op zichzelf onrechtmatig is, door de rechtbank dient te worden onderzocht of de wetsbepaling of regel ten tijde van het omstreden gedrag een welbepaald gebod of verbod oplegt en welke omvang deze bepaling heeft."

Uit dat onderzoek van de omvang van de rechtsplicht tot het aanbieden van thuisonderwijs, blijkt volgens de eerste rechter dat "door het aanbieden van synchroon internet onderwijs [de school] voldeed aan de doelstelling van artikel 11 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010" (het bestreden vonnis - blz. 7 in fine).

Ze voegt eraan toe dat "beide onderwijsvormen [het thuisonderwijs en het synchroon internet onderwijs] door de wetgever als evenwaardige onderwijsvormen worden aanzien om langdurige zieken de kans te geven om een eindstudie bewijs te behalen."

22. Het door de eerste rechter gevoerde onderzoek is volgens het hof in casu niet aan de orde. De omvang van het met die reglementering opgelegde gebod is bijzonder duidelijk: aan huis onderwijs geven via de tussenkomst van vakleraren (H. Vandenberghe, Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (2000-2008), Deel: Foutvereiste - Algemene kenmerken, T.P.R. 2010-4 (1749), 1780 - nr. 12: de auteur benadrukt aldaar trouwens het "desgevallend" of het "zo nodig" onderzoeken).

Hoe dan ook miskent de eerste rechter met haar onderzoek, zoals terecht benadrukt door de appellanten in hun eerste grief, het ook volgens het hof evidente onderscheid tussen de twee vormen van onderwijs die elk op hun manier tegemoet komen aan de nood van een zieke leerling om onderwijs te bekomen. Het synchroon internet onderwijs wordt op school gegeven en via de webcam thuis gevolgd (Bednet), terwijl TOAH thuis of in het ziekenhuis doorgaat en een één op één verhouding met de vakleraar met zich meebrengt.

Dat onderscheid is overigens bekend aan de school, zoals andermaal blijkt uit haar verweerschrift van standpunt van 30 september 2013 naar aanleiding van de klacht bij AgODI (stuk XII appellanten - bijlage 4): "een aanvraag voor Bednet en Thuisonderwijs."

Hoe dan ook staat dat onderscheid buiten kijf sinds het op 1 september 2015 in werking getreden gewijzigd artikel 117 Codex Secundair Onderwijs, het "synchroon internetonderwijs" afzonderlijk opneemt in de Wetgeving (onderlijning door het hof):

"§ 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de Vlaamse Regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren, synchroon internetonderwiis of een combinatie van beiden.

§ 2. Bij langdurige afwezigheid van een leerling is de directie van de school waar deze leerling is ingeschreven, verplicht op vraag van de betrokken personen, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren of synchroon internetonderwiis te organiseren. ( ... )

§ 3. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren en voor synchroon internetonderwijs, bepaalt hoe het onderwijs aan huis en synchroon internetonderwiis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en wie synchroon internetonderwijs kan organiseren, onder welke voorwaarden en volgens welke subsidiëringsmodaliteiten." Het door de eerste rechter gehanteerde uitgangspunt bij haar - overbodig - onderzoek van de omvang van de alsdan toepasselijke artikelen 117 en 11711 van de Codex Secundair Onderwijs is dus ook foutief en dat geldt ook voor haar daaruit gepuurde irrelevante analyse als zou de school de doelstelling van vernoemd artikel nageleefd hebben met het aanbod van Bednet.

23. Louter volledigheidshalve wijst het hof erop dat het sanctiesysteem vanwege het AgODI ten aanzien van de school (mogelijke impact op het werkingsbudget van de school) een zaak tussen hen betreft en geen repercussie heeft op haar beoordeling van de fout vanwege de school ten aanzien van haar leerlinge. Overigens stipt het AgODI - zoals reeds benadrukt -terecht aan dat de school onterecht niet is ingegaan op de aanvraag tot TOAH, niettegenstaande E.B. daar recht op had (stuk XII appellanten - bijlage 6).

24. Eerste besluit: E.B. heeft ingevolge haar aanvraag van 2 februari 2013 recht op TOAH, dat de school echter niet aanbiedt. De schending van de specifieke rechtsnorm in hoofde van de school staat vast.

b) Wetens en willens

25. Die vaststaande schending moet wetens en willens zijn begaan. Er mag evenmin een grond tot uitsluiting van aansprakelijkheid voorhanden zijn.

26. De school betwist dat zij wetens en willens geen TOAH zou hebben georganiseerd voor E.B. Ze is daarin gevolgd door de eerste rechter, die wijst op een zogenaamde opportuniteitsafweging in hoofde van de school: vermits E.B. niet in staat is om fysiek de lessen in de klas te volgen en ook het synchroon internet onderwijs (Bednet) te vermoeiend blijkt, "weerhoudt de rechtbank dan ook geen fout in hoofde van verweerster wanneer zij het niet meer opportuun achtte om het kind nog bijkomend met 4 uur thuisonderwijs per week te belasten" ofwel de organisatie van TOAH.

27. Wetens en willens in de zin van de toepassing van artikel 1382 BW bij schending van een specifieke regel, betekent dat de school "bewust en vrij" niet is ingegaan op dat concreet verzoek tot TOAH voor E.B. De vraag rijst dus of de school wist/moest weten dat zij TOAH voor E.B. behoorde te organiseren ingevolge de aanvraag daartoe en dus een fout heeft begaan door dat met kennis van zaken niet te doen.

28. Uit de beschikbare gegevens blijkt volgens het hof dat de school effectief uit vrije wil en met de vereiste kennis het concreet verzoek tot TOAH naast zich neer heeft gelegd. Het hof wijst op wat volgt.

Op 9 december 2012 mailt E.B. aan haar leerkrachten onder meer dat vanaf januari 2013 Bednet (in een eerste fase enkel voor wiskunde) wordt opgestart en dat er "ook een aanvraag voor thuisonderwijs is gedaan", waarop de directrice nog dezelfde dag reageert (stuk XII appellanten - bijlage 1 - onderlijning door het hof):

"Bednet en thuisonderwijs zullen ook wel hun nut bewijzen" en aldus alleszins aangeeft het onderscheid tussen beide vormen van onderwijs voor zieke kinderen te kennen (zie randnummer 22).

De ouders van E.B. benadrukken in hun e-mail van 10 januari 2013 dat Bednet is ingeschakeld, doch dat "aanvullend, als ondersteuning naar E.B. toe" ook aanspraak wordt gemaakt op thuisonderwijs, opdat die "combinatie van beiden" het mogelijk maakt dat " E.B. de studies van haar keuze kan blijven volgen zodat zij optimale kansen voor de toekomst behoudt" (stuk XII appellanten - bijlage 2). Dat wordt in die zin bevestigd door dr. Griet Brusselmans die "aanvullend thuisonderwijs" adviseert om de kansen van E.B. op school gaaf te houden.

De herhaalde rappels vanwege E.B. en haar mama (stuk I appellanten: onder andere emails via Smartschool van 23 en 30 april 2013, 13 mei 2013) leveren niets op.

In haar verweerschrift van 30 september 2013 aan het AgODI (stuk XII appellanten - bijlage 4) besluit de directrice van de school (onderlijning door het hof):

"Ik wil gerust toegeven dat ik het Thuisonderwijs beter direct had aangevraagd, maar dat berust niet op onverschilligheid, gebrek aan empathie of het bewust willen negeren van de wettelijke verplichting hiertoe; ik heb de impact van Bednet overschat en gehoopt dat daarmee de problemen wat zouden verholpen zijn."

29. De school schuift in haar syntheseconclusie (blz. 21-22) alsnog en onterecht een onoverkomelijke dwaling in haar hoofde naar voor. Ze "had geen enkel zicht op het ziektebeeld van E.B. en nog minder op de (positieve) evolutie ervan." De feitelijke toedracht van E.B.'s situatie is haar nochtans minstens al sinds 2 februari 2013 bekend met de kennisname van het medisch attest van dr. Griet Brusselmans.

Bovendien was E.B. dan al 21 dagen na elkaar afwezig, zodat ze hoe dan ook op die basis recht had op TOAH (zie a).

30. Tweede besluit: al die elementen in hun samenhang genomen leiden onmiskenbaar tot het besluit dat de - schuldbekwame - school "bewust en vrij" heeft beslist om geen TOAH op te starten in weerwil van het ontvankelijk verzoek daartoe.

c) Het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade

31. Volgens de school ontbrak het E.B. aan de vereiste basiskennis uit de voorgaande - nochtans op dezelfde school en telkens leidend naar een A-attest (stuk X appellanten) - doorlopen studiejaren om, zelfs met TOAH (4 uur per week les aan huis), een verstoring in haar studieloopbaan in het schooljaar 2012-2013 te verhinderen.

Nemo auditur proprium turpitudinem allegans.

Met dat standpunt herhaalt de school de eerder in haar verweerschrift ten overstaan van AgODI aan zichzelf toegedichte "inschattingsfout", die trouwens per definitie - "inschatten" - een eraan voorafgaande bewuste keuze om geen TOAH te organiseren en dus het wetens en willens beslissen andermaal bevestigt (zie b). Ze gunt zich een opportuniteitsafweging, die de wetgever evenwel niet voorziet (zie a), en ze grijpt die naderhand zelfs aan om het oorzakelijk verband tussen haar eigen fout en de schade voor E.B. en haar ouders te bestrijden. De school schrijft de schade voor haar eigen leerlinge blijkbaar toe aan (in een blijvende poging om het oorzakelijk verband te weerleggen) een zogenaamd gemis aan basiskennis van E.B., waardoor "het onverantwoord is dat zij op die manier naar het 6d' jaar moet" omwille van in het 2de, 3de en 4de jaar verkregen Aattesten "op basis van begrip en medeleven" (stuk Xll appellanten - bijlage 4). Dat is ook te lezen in het verslag van de klassenraad van 24 april 2013 (stuk Xl appellanten): "Omdat zij sinds haar 2' , 3' en 4' jaar zoveel afwezig is geweest en toch telkens A-attesten heeft verkregen op basis van zuiver "medelijden"." Die overwegingen zijn niet alleen bijzonder ongepast ten aanzien van E.B., maar ze zijn bovendien op drijfzand gebouwd, vermits indruisend tegen de eigen stukken: de kwestieuze A-attesten.

Zoals aangehaald kan de school zich niet op haar eigen nalatigheid ter zake beroepen om het oorzakelijk verband tussen haar fout en de schade in vraag te stellen.

32. De e-mailcorrespondentie van de mama van E.B. en van E.B. zelf benadrukken integendeel het oorzakelijk verband tussen TOAH en het vrijwaren van de schoolkansen voor E.B. Ze zijn - net als de behandelende arts dr. Griet Brusselmans - ervan overtuigd dat slechts op die manier de kans op een A-attest voor dat schooljaar kan gehandhaafd worden (stuk XII appellanten - bijlage 1): stuk 2 - e-mail van de ouders van E.B. aan de school van 10 januari 2013 met de aanvraag van TOAH:

"Wij en niet in het minst E.B. zelf, vinden het belangrijk dat E.B. de studies van haar keuze kan blijven volgen zodat zij optimale kansen voor de toekomst behoudt."

stuk 5 - e-mail van de mama van E.B. aan de school van 13 mei 2013 naar aanleiding van het uitblijven van TOAH: " ( ... ) dit is iets wat jullie voor haar hadden kunnen doen, helaas blijft E.B. in de kou staan en worden haar kansen op deze manier serieus geminimaliseerd."

In het tweede semester van 2012-2013 laat de schooldirectie hen zelfs in de waan dat TOAH zou worden opgestart, wat dan weer eventuele tijdige eigen (privé) initiatieven heeft doen uitblijven om in voorkomend geval die kans gaaf te houden.

33. Derde besluit: het oorzakelijk verband tussen de fout - het niet ingaan op de vraag tot thuisonderwijs - van de school en de daaruit voortvloeiende schade staat vast.

(d) De schade

34. Door de hiervoor weerhouden fout van de school is de gewone gang van zaken onherroepelijk onderbroken en is de kans om een bepaald voordeel te verwerven door E.B., met name slagen in haar 5: jaar wiskunde-wetenschappen in het schooljaar 2012-2013, definitief verloren gegaan.

35. De uitkomst van een kans is per definitie onzeker en blijft bij het verlies van een kans voor altijd in het duister. Omdat er zodoende een bewijsprobleem is, wordt met toepassing van het leerstuk van het verlies van een kans, gesteld dat het kansverlies de schade uitmaakt. Er kan dus geen vergoeding toegekend worden voor de schade zoals die definitief bij de benadeelde is ingetreden, maar enkel voor het verlies van de kans die de benadeelde had om deze te ontlopen. De essentie van deze benadering is het uitgangspunt dat de kans een vergoedbare vermogensschade is, die in geld kan worden uitgedrukt.

Een kans komt slechts voor vergoeding in aanmerking wanneer het vaststaat dat de kans verloren is. Er mag dus geen mogelijkheid meer bestaan het verhoopte resultaat alsnog te bereiken. De kans moet bovendien reëel zijn. Zij mag niet louter hypothetisch zijn, wat inhoudt dat er dus een voldoende ernstig of een redelijke kans op slagen was. Wanneer aan deze voorwaarde is voldaan is er sprake van "zekere" schade. Om te achterhalen of een kans reëel is, kan toepassing worden gemaakt van het criterium van de 'gewone gang van zaken'. De loutere hoop op een gunstige gebeurtenis moet worden uitgesloten.

36. Het hof is in die specifieke omstandigheden, waarbij de essentie is dat E.B. de vorige jaren steeds een A-attest heeft bekomen en vervolgens is toegelaten tot de richting Wetenschappen-Wiskunde, ongeacht de zogenaamde "ernstige verstoring" van haar eerdere studieloopbaan wegens afwezigheden en de volgens de school beweerd ontbrekende basiskennis (zie randnummer 31), van oordeel dat er een redelijke en reële kans bestond dat E.B. dankzij thuisonderwijs van haar vakleraren in een één op éénsituatie op het einde van het schooljaar 2012-2013 een A-attest zou bekomen hebben. Het bepaalt deze kans op 50 %, zodat E.B. aanspraak kan maken op een vergoeding geraamd op 50 % van de schade.

37. Inzake de begroting van het financieel verlies voor de toekomst omwille van het verlies van de kans op een vruchtbaar schooljaar voor E.B., merkt de school op dat E.B. haar middelbare studies heeft stopgezet zodat het verlies van de kans op tewerkstelling als kinesitherapeut (dat was blijkbaar dan haar wens) allerminst zeker is.

Precies door de fout van de school is aan E.B. evenwel de kans ontnomen om het schooljaar 2012-2013 met vrucht te beëindigen en aldus een master in de revalidatie-wetenschappen en kinesitherapie op hetzelfde tijdstip als haar leeftijdsgenoten aan te vatten. Dat vergt vergoeding, waarbij het hof echter opmerkt dat er - ondanks het tijdsverloop - geen concrete gegevens bekend zijn omtrent haar concrete situatie. E.B. maakt niet aannemelijk dat haar schade wegens achterstand in haar loopbaan effectief bestaat in het verlies van de kans op de actuele waarde van het eerste jaar beroepsinkomen als kinesitherapeut. Een begroting ex aequo et bono dringt zich dan ook op.

De morele schade bij E.B. door de fout vanwege de school wordt afdoende duidelijk gemaakt door de inhoud van haar e-rnails: zij is eenvoudigweg niet gehoord en effectief geraakt in haar zelfbeeld.

Cijfermatig komt dit voor E.B. neer op: 50 % van 3.750,00 euro morele schade = 1.875,00 euro;

50 % van 10.000,00 euro forfaitair wegens financieel verlies voor de toekomst= 5.000,00 euro.

38. De ouders van E.B. maken terecht aanspraak op materiële schade wegens het verlies van een schooljaar ad 50 % van 1.000,00 euro, ofwel 500,00 euro. Morele schade is niet aan de orde. Uit het dossier blijkt weliswaar dat de mama van E.B. haar dochter heeft bijgestaan in de actieve zoektocht naar een oplos-

sing. doch dit brengt volgens het hof geen eigen morele schade met zich mee, die specifiek te linken is aan de concrete fout van de school, doch in het algemeen kadert in haar moederrol.

39. Op de aldus toegekende bedragen kent het hof vergoedende interesten toe aan de wettelijke intrestvoet, bepaald overeenkomstig de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, vanaf (de niet door geïntimeerde betwiste datum van) 2 februari 2013 ofwel de datum van de ten onrechte onbeantwoorde aanvraag tot TOAH voor E.B.

40. Derhalve geldt de geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij en is zij - gelet op de hervorming van het eerste vonnis - gehouden tot de kosten van de beide aanleggen.

Haar incidenteel beroep inzake de rechtsplegingsvergoeding mist dan ook elke grondslag. Aangezien de vordering vanwege de appellanten wordt herleid, bepaalt het hof de rechtsplegingsvergoeding telkens op 1.320,00 euro en dus overeenstemmend met het aan hen toegekende bedrag.

Besluit: het hoofdberoep is gegrond en het incidenteel beroep is ongegrond.

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,[. . .]

Verklaart het incidenteel beroep toelaatbaar, doch ongegrond.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis. Verklaart de vordering van de appellanten ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald.

Veroordeelt de geïntimeerde om te betalen aan:

- E.B.: (1.875,00 euro + 5000,00 euro =) 6.875,00 euro;

- T.D. en N.B. gezamenlijk:

500,00 euro;

telkens te vermeerderen met de gerechtelijke rente aan de wettelijke intrestvoet, bepaald overeenkomstig de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, vanaf 2 februari 2013 tot de dag van de volledige betaling.

 

Noot: Frederick BRULOOT, "Onderwijs en aansprakelijkheid. Recht op redelijke aanpassingen", NjW 2017, 514-526.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 20/09/2017 - 15:41
Laatst aangepast op: za, 23/09/2017 - 13:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.