-A +A

Recht om getuigen à décharge op te roepen als recht van verdediging is niet absoluut

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 31/05/2016
A.R.: 
P.14.1488.N

Artikel 6.1 EVRM houdt in dat de beklaagde in het kader van de uitoefening van zijn recht van verdediging de rechter kan vragen dat bijkomende onderzoekshandelingen zouden worden uitgevoerd, zoals de aanstelling van een deskundige, en artikel 6.3.d EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft voor de rechter de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en het ondervragen van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; die rechten zijn niet absoluut en het staat aan de rechter om op grond van het geheel van de gegevens van de zaak onaantastbaar te oordelen over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van de gevraagde onderzoekshandelingen zoals getuigenverhoren of deskundigenonderzoeken; de rechter kan oordelen dat die onderzoekshandelingen niet noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding maar wanneer een partij hierover omstandig heeft geconcludeerd, moet hij evenwel preciseren waarom de gevraagde onderzoekshandelingen niet dienstig zijn om de waarheid aan het licht te brengen en zich een oordeel te vormen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
140
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.14.1488.N

E.Ö. t/ A.-M.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 september 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

Tweede onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van art. 6.1 en art. 6.3.d EVRM en de artt. 10 en 11 Gw., alsmede miskenning van de motiveringsverplichting, van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, de wapengelijkheid en de bewijslast in strafzaken en van het gelijkheidsbeginsel: het arrest oordeelt dat het gevraagde aanvullend onderzoek niet nodig is om een oordeel te kunnen vellen over eisers schuld of onschuld; omdat het vooronderzoek niet de vorm heeft aangenomen van een gerechtelijk onderzoek en er ter rechtszitting geen getuigen werden gehoord, werd de eiser nooit in de gelegenheid gesteld de betrouwbaarheid van de belastende getuigen aan te vechten; doordat het openbaar ministerie de getuigen wel kon ondervragen, terwijl de eiser over het geheel van de procedure daartoe niet de gelegenheid had, worden de procedurele wapengelijkheid, het recht van verdediging alsook het algemeen rechtsbeginsel inzake bewijslast in strafzaken en het gelijkheidsbeginsel miskend; het arrest beantwoordt niet eisers verzoek tot verhoor en confrontatie van de getuigen en zegt niet waarom een onderzoek op tegenspraak van de boekhouding en de rekeningen niet dienstig kon zijn; het oordeel van het arrest daarover gebruikt een stijlformule zodat het niet steunt op wettige motieven.

3. Art. 6.1 EVRM houdt in dat de beklaagde in het kader van de uitoefening van zijn recht van verdediging de rechter kan vragen dat bijkomende onderzoekshandelingen zouden worden uitgevoerd. Zo kan hij de aanstelling van een deskundige vragen.

Art. 6.3.d EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft voor de rechter de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en het ondervragen van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

Die rechten zijn niet absoluut. Het staat aan de rechter om op grond van het geheel van de gegevens van de zaak onaantastbaar te oordelen over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van de gevraagde onderzoekshandelingen zoals getuigenverhoren of deskundigenonderzoeken. Hij kan oordelen dat die onderzoekshandelingen niet noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding. Wanneer een partij hierover omstandig heeft geconcludeerd, moet de rechter evenwel preciseren waarom de gevraagde onderzoekshandelingen niet dienstig zijn om de waarheid aan het licht te brengen en zich een oordeel te vormen.

4. Uit het arrest en eisers appelconclusie, waarnaar het arrest verwijst, blijkt dat de eiser aan de appelrechters omstandig de noodzakelijkheid heeft aangevoerd van het herverhoren en confronteren van de getuigen en ook om een boekhoudkundig deskundigenonderzoek heeft verzocht.

5. Het arrest oordeelt: «Het [hof van beroep] acht het niet noodzakelijk teneinde de waarheid te achterhalen, nog de door [de eiser] en L.C. aangehaalde onderzoeksdaden (opgesomd op p. 6-8 van de syntheseconclusie van [de eiser] en p. 16-17 van de conclusie van de beklaagde L.C.) te stellen. Een aanvullend onderzoek acht het [hof van beroep], na onderzoek van de zaak, niet noodzakelijk teneinde een oordeel te kunnen vormen over de schuld of onschuld van de beklaagden aan de feiten hen ten laste gelegd. Het feit dat bepaalde onderzoeksdaden door [de eiser en beklaagde L.C.] aangehaald niet zouden zijn uitgevoerd, komt dan ook niet voor als zijnde een gegeven dat hun recht miskent om zich voor het [hof van beroep] op adequate wijze te kunnen verdedigen.» Met die redenen preciseert het arrest geenszins waarom de gevraagde onderzoekshandelingen niet dienstig zijn voor de waarheidsvinding en de oordeelsvorming. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Noot: 

Wendy Michiels, Barbara Huylebroek, Arrest Grondwettelijk Hof legt wettelijk hiaat bloot bij regeling van rechtspleging

Kan de verdachte de belastende getuigen laten oproepen voor de rechter?

De pendant op de vraag of de beklaagde getuigen à décharge mag oproepen is onmiddellijk de vraag of de verdachte dan tenminste toch het recht heeft om de getuigen die tegen hem in het onderzoek belastende verklaringen hebben afgelegd te laten oproepen ter terechtzetting om hun beslastende verklaring aan tegenspraak te onderwerpen.

Heeft de rechter de verplichting ter zitting een getuige die in het strafonderzoek belastende verklaringe heeft afgelegd op te roepen ter zitting om er gehoord te worden?

• Cass. 31/01/2017, AR P.16.0970.N, juridat en RW 2017-2018, 1456

samenvatting

Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1. EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen; wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf .

Tekst arrest

Nr. P.16.0970.N
A P E D P,
beklaagde,
eiser,
tegen
K O,
burgerlijke partij,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 8 september 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de aan-houdende weigering om de ouders van de eiser als getuige te horen, wat werd ge-vraagd aan de onderzoeksrechter, aan de advocaat-generaal bij het hof van beroep en aan het hof van beroep zelf, miskent het recht van verdediging van de eiser zo-als vervat in artikel 6.3.d EVRM; er zijn geen ernstige redenen om hen niet te horen; de eventuele ongeloofwaardigheid van de eenzijdige schriftelijke verklaring van de moeder die afwijkt van de inhoud van de eerdere tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen en de mogelijke beïnvloeding van de ouders door de eiser belet geen ondervraging op een objectieve en onafhankelijke wijze door de politie of op de rechtszitting, waar kan worden gepeild naar die beïnvloeding en ongeloofwaardigheid; de tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen zijn bijzonder kort en bevatten geen specifieke informatie over de omstandigheden waarin de verweerster de ouders van de eisers heeft ingelicht over het seksueel misbruik; de ouders kunnen mogelijk gedetailleerde informatie verschaffen over het gedrag van de eiser en de verweerster tijdens de incriminatieperiode; de eiser had daartoe twintig vragen voorgesteld die verduidelijking kunnen brengen; de verklaringen van de ouders zijn weliswaar niet het enige bewijselement, maar ze zijn wel van doorslaggevend belang; er zijn evenmin compenserende waarborgen voorhanden.

2. In zoverre het middel is gericht tegen de houding van de onderzoeksrechter of van de advocaat-generaal bij het hof van beroep en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser de appelrechters heeft verzocht om zijn ouders als getuigen op de rechtszitting te ho-ren of te doen verhoren en dit met als doel, eensdeels, meer duidelijkheid te krijgen over de inhoud van hun tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen en de omstandigheden waarin die verklaringen werden afgelegd, en, anderdeels, in-formatie te verstrekken over de toestand van de eiser en de verweerster tijdens de incriminatieperiode.

De eiser wenste bijgevolg onder meer zijn ouders, wiens tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen door de eerste rechter in aanmer-king werden genomen als bezwarend bewijselement, op de rechtszitting te horen als getuigen à charge én als getuigen à décharge.

4. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uit-spreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een be-klaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die be-klaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen.

Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf.

5. Uit artikel 6.1 EVRM volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aange-voerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting en de be-klaagde dit bewijs moet kunnen tegenspreken.

6. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of:

(i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feite-lijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden;

(ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat het het resultaat van de zaak heeft bepaald;

(iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenseren-de factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke com-penserende factoren kunnen onder meer bestaan in het toekennen van een mindere bewijswaarde aan dergelijke verklaringen, het voorhanden zijn van een video-opname van het tijdens het vooronderzoek afgenomen verhoor wat een beoorde-ling van de betrouwbaarheid van de verklaring moet toelaten, het bestaan van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verkla-ring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid om aan de getuige geschreven vragen te bezorgen of de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de getuige of interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen.

7. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt.

8. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afge-legd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.

9. Het arrest, dat de tijdens het vooronderzoek door de ouders afgelegde ver-klaringen slechts in aanmerking neemt als een gegeven, naast andere, om te beslissen tot de geloofwaardigheid van de verklaring van de verweerster, wijst het verzoek van de eiser om zijn ouders als getuigen te horen of te laten verhoren af op de volgende gronden:

- de eiser heeft een door zijn moeder geschreven verklaring als nieuw stuk neer-gelegd en de appelrechters houden bij de schuldbeoordeling rekening met dit nieuwe stuk;

- de vaststelling dat de inhoud van dit schrijven en het negatieve beeld dat daarin wordt geschetst van de houding en de persoonlijkheid van de verweerster voorafgaand aan de arrestatie van de eiser zeer sterk contrasteert met de verklaring die zijn vader aflegde daags na de arrestatie met name: "... Het is voor ons moeilijk te vatten. Langs de ene kant geloven we [de verweerster], we hebben nooit eerder ondervonden dat ze loog. Langs de andere kant stootte ze [de eiser] ook niet af, was ze vriendelijk tegen hem ...", verklaring die volledig werd bevestigd door de moeder;

- het gegeven dat het alleszins merkwaardig is dat de ouders van de eiser, die naar eigen verklaring toen reeds enkele weken voordien op de hoogte waren gesteld door de verweerster over het vermeende seksuele misbruik door hun zoon, niets hebben vermeld van hetgeen nu uitvoerig door de moeder van de eiser in het nieuwe stuk wordt vermeld;

- het weinig geloofwaardig of het minstens zeer sterk gekleurd zijn van de nieu-we verklaringen;

- het feit dat de eiser uit het oog verliest dat de grootste bewijswaarde van de eerste verklaring van zijn ouders in het feit ligt, zoals de eerste rechter terecht stelde, dat zij congrueren met de verklaring van de verweerster over hoe zij de ouders reeds over het misbruik had aangesproken, wat alleszins in sterke mate bijdraagt aan haar geloofwaardigheid.

Met opgave van die concrete omstandigheden verwerpen de appelrechters eisers verzoek tot het horen van zijn ouders als getuigen à charge en vermelden zij de compenserende factoren voor het niet-horen van die getuigen. Aldus schendt het arrest artikel 6.1 en 6.3.d EVRM niet, maar verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

10. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à dé-charge te ondervragen of te doen ondervragen.

11. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM kent aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding.

12. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij er dient over te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.

13. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete om-standigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert.

14. Het arrest, dat de tijdens het vooronderzoek door de ouders afgelegde ver-klaringen slechts in aanmerking neemt als een gegeven, naast andere, om te beslissen tot de geloofwaardigheid van de verklaring van de verweerster, wijst het verzoek van de eiser om zijn ouders als getuigen te horen of te laten verhoren af op de volgende gronden:

- de eiser heeft een door zijn moeder geschreven verklaring als nieuw stuk neer-gelegd en de appelrechters houden bij de schuldbeoordeling rekening met dit nieuwe stuk;

- de vaststelling dat de inhoud van dit schrijven en het negatieve beeld dat daarin wordt geschetst van de houding en de persoonlijkheid van de verweerster voorafgaand aan de arrestatie van de eiser zeer sterk contrasteert met de verklaring die zijn vader aflegde daags na de arrestatie met name: "... Het is voor ons moeilijk te vatten. Langs de ene kant geloven we [de verweerster], we hebben nooit eerder ondervonden dat ze loog. Langs de andere kant stootte ze [de eiser] ook niet af, was ze vriendelijk tegen hem ...", verklaring die volledig werd bevestigd door de moeder;

- het gegeven dat het alleszins merkwaardig is dat de ouders van de eiser, die naar eigen verklaring toen reeds enkele weken voordien op de hoogte waren gesteld door de verweerster over het vermeende seksuele misbruik door hun zoon, niets hebben vermeld van hetgeen nu uitvoerig door de moeder van de eiser in het nieuwe stuk wordt vermeld;

- het weinig geloofwaardig of het minstens zeer sterk gekleurd zijn van de nieu-we verklaringen;

- het feit dat de eiser uit het oog verliest dat de grootste bewijswaarde van de eerste verklaring van zijn ouders in het feit ligt, zoals de eerste rechter terecht stelde, dat zij congrueren met de verklaring van de verweerster over hoe zij de ouders reeds over het misbruik had aangesproken, wat alleszins in sterke mate bijdraagt aan haar geloofwaardigheid.

Met opgave van die concrete omstandigheden verwerpen de appelrechters eisers verzoek tot het horen van zijn ouders als getuigen à décharge en geven zij de redenen op waarom het horen of het doen horen van die getuigen à décharge niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Aldus schendt het arrest artikel 6.1 en 6.3.d EVRM niet, maar verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 117,21 euro.

P.16.0970.N

Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:

1. Eiser in cassatie werd vervolgd wegens herhaalde verkrachting van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, met de omstandigheid dat hij gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoonde en over het slachtoffer gezag had. De beklaagde was de pro-voogd van het slachtoffer en woonde in de periode waarin de feiten zich voordeden samen met haar en met zijn ouders.

2. Na veroordeling in eerste aanleg, wierp de beklaagde in hoger beroep op dat de eerste rechters zich voor het bewezen verklaren van de feiten te veel steunden op de verklaring die tijdens het vooronderzoek, daags na zijn arrestatie, werd afgelegd door zijn ouders. Hij beweert dat op zijn herhaalde verzoeken aan de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie om zijn ouders opnieuw te verhoren, niet werd ingegaan. Ook voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep werd een dergelijk verzoek vergeefs aan het openbaar ministerie gericht. Voor het hof van beroep legde beklaagde conclusies en diverse stukken neer, waaronder een door zijn moeder ondertekende brief/ verklaring, waarin een negatief beeld werd geschetst van de houding en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Hij concludeert dat het duidelijk is dat mochten de ouders opnieuw verhoord geweest zijn er waarschijnlijk een andere conclusie uit hun verklaring zou weerhouden zijn. Een uitdrukkelijk verzoek om de ouders ter terechtzitting te horen als getuige werd niet geformuleerd. De appelrechters betrekken dit neergelegd stuk, samen met andere in hun beoordeling, maar stellen vast dat de inhoud van dit nieuw stuk sterk contrasteert met de verklaring die de ouders destijds hebben afgelegd en achten het stuk weinig geloofwaardig of minstens zeer sterk gekleurd. De feiten worden opnieuw bewezen verklaard op grond van verschillende bewijselementen, waaronder de destijds afgelegde verklaring van de ouders, en beklaagde wordt veroordeeld.

3. Eiser voert in het enig middel tot cassatie een schending van artikel 6.1 en 6.3.d. EVRM aan nu de appelrechters eiser hebben schuldig bevonden aan de hem ten last gelegde feiten en zich daarbij steunen onder meer op de verklaring afgelegd door de ouders van eiser, terwijl meermaals werd verzocht, aan de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie bij het hof van beroep en aan de appelrechters zelf om deze personen te horen als getuige.

4. In zoverre gericht tegen de weigering om de ouders te horen tijdens het gerechtelijk onderzoek of door het openbaar ministerie is de kritiek niet gericht tegen het bestreden arrest en is het middel niet-ontvankelijk.

Uit de stukken waarop mag acht geslagen worden, blijkt niet dat eiser uitdrukkelijk aan het hof van beroep heeft gevraagd om zijn ouders te horen als getuige.

Evenwel kan aangenomen worden dat dit wel zijn bedoeling was gelet op de eerder geformuleerde uitdrukkelijke verzoeken hiertoe, zijn uitdrukkelijke kritiek op het eerste vonnis en het in conclusies gevoerd verweer.

5. Artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6.1. EVRM wordt gewaarborgd, bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit vervolgd wordt ten minste het recht heeft om getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

Uit de stukken waarop mag acht geslagen worden blijkt dat eiser in cassatie zijn ouders opnieuw wou laten verhoren, niet enkel als getuigen à charge, maar ook als getuigen à décharge. Het doel was immers enerzijds meer duidelijkheid te krijgen over de inhoud van de verklaring die ze, kort na zijn aanhouding, tijdens het vooronderzoek à charge hadden afgelegd, en anderzijds een nieuw beeld van de houding en de persoonlijkheid van het slachtoffer te schetsen en dus het hof meer informatie à décharge te verschaffen over de omstandigheden waarin eiser en het slachtoffer tijdens de incriminatieperiode met elkaar omgingen.

6. Eiser voert in zijn memorie aan dat ter beoordeling van het standpunt van de appelrechters om de getuigen niet te horen, een toetsing dient te gebeuren aan de criteria ontwikkeld in de rechtspraak van het EHRM.

Hij verwijst meer bepaald naar het arrest Riahi/België van 14 juni 2016 dat volgens eiser uitgaat van een principiële mogelijkheid voor de verdediging om getuigen à charge ter terechtzitting te ondervragen als het instrument bij uitstek om de betrouwbaarheid van de getuige en diens verklaringen zorgvuldig te kunnen controleren en desgevallend te betwisten.

7. In de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot deze problematiek worden strengere criteria geformuleerd ingeval van het niet horen van een getuige die een à charge verklaring heeft afgelegd, dan voor het niet horen van een getuige à décharge waar aan de nationale rechter meer beoordelingsruimte wordt gelaten.

In diverse arresten(1) oordeelt het EHRM dat de vraag of de rechter, die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken, verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. De rechten vermeld in artikel 6.3.d vormen een onderdeel of verbijzondering van het eerlijk proces en moeten dus samen gelezen worden met artikel 6.1. EVRM. Wezenlijk is daarbij of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwt eerlijk verloopt, waarbij de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging, maar ook met het belang van slachtoffers en getuigen, en met het publieke belang in een effectieve rechtsbedeling(2).

In de regel volgt uit artikel 6.3.d EVRM dat bewijs dat tegen een beklaagde wordt aangevoerd hem wordt voorgelegd tijdens een openbare terechtzitting.

Uitzonderingen op dit principe zijn mogelijk, maar de rechten van verdediging moeten gerespecteerd worden, wat impliceert dat de beklaagde de mogelijkheid moet hebben om dit bewijs tegen te spreken.(3) De beklaagde moet dus vragen kunnen stellen aan de getuige à charge, hetzij wanneer hij de verklaring aflegt, hetzij in een later stadium van de procedure.

Het gebruik van een tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaring is dus als dusdanig niet onverenigbaar met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM voor zover de beklaagde de mogelijkheid heeft die getuige te (doen) ondervragen(4).

Om belastende verklaringen die afgelegd werden tijdens het vooronderzoek als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had de persoon in kwestie als getuige ter terechtzitting te (doen) ondervragen, moet de rechter, om de verenigbaarheid met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, na te gaan een drievoudig onderzoek doen(5).

- Hij moet eerst (6)nagaan of er goede(7) of ernstige(8) redenen zijn voor het niet-horen van de getuige(9) dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden.

- Dan(10) moet nagegaan worden of de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt,(11) waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan het bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat het het resultaat van de zaak heeft bepaald(12)

- En er moet nagegaan worden of er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen(13). Dit geldt niet enkel in geval de getuigenis van doorslaggevende aard is, maar ook in gevallen waar dit niet zo duidelijk is en de getuigenis toch een zeker belang heeft, zodat het niet-horen de verdediging kan belemmeren. Hoe belangrijker de getuigenis, hoe zwaarder de compenserende factoren zullen moeten wegen(14).

In zijn rechtspraak aanvaardt het EHRM volgende compenserende waarborgen: het toekennen van minder bewijswaarde aan verklaringen die afgelegd werden tijdens het vooronderzoek maar niet bevestigd werden tijdens een verhoor ter terechtzitting, het bestaan van een video-opname van het verhoor van de getuige tijdens het vooronderzoek waardoor een beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuige mogelijk wordt, het bestaan van ander bewijsmateriaal dat de getuigenverklaring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid voor de beklaagde om de getuige schriftelijke vragen te bezorgen of hem te doen ondervragen, de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn mening over de geloofwaardigheid van de getuige kenbaar te maken.(15)

Hoewel uit de vermelde rechtspraak blijkt dat het EHRM een zekere volgorde in de drie criteria heeft vooropgesteld, neemt het ook aan dat de drie criteria onderling gerelateerd zijn en zij samen genomen moeten helpen om uit te maken of er, ingeval van het niet horen van een getuige ter terechtzitting, sprake is van een eerlijk proces. Het louter niet-horen van een getuige wiens getuigenis doorslaggevend is geweest voor de veroordeling , zal dus niet ipso facto een schending van artikel 6.1. impliceren(16). In een concreet geval kan het meer aangewezen zijn de criteria in een andere volgorde te overlopen, of kan één van de criteria dermate overwegend zijn dat het volstaat om te besluiten tot het (niet) bestaan van een eerlijk proces(17).

Het komt uiteindelijk de feitenrechter toe, om rekening houdend met die criteria en hun individueel belang, op onaantastbare wijze in feite te oordelen of het niet-horen van een getuige à charge ter terechtzitting het recht op een eerlijk proces miskent.

8. Hoewel artikel 6.3. EVRM voor de beklaagde het recht garandeert om het oproepen en het ondervragen van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge, kan de rechter een verzoek tot bijkomend onderzoek, waaronder het horen van een getuige à décharge(18) afwijzen, wanneer hij van oordeel is dat die maatregel niet nuttig is voor het achterhalen van de waarheid op voorwaarde dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd(19). De rol van de rechter reikt hier niet zo ver dat hij moet overgaan tot het drievoudig onderzoek vereist bij het afwijzen van het horen van een getuige à charge. De rechter beoordeelt, rekening houdend met het recht van verdediging, of het nuttig of noodzakelijk voorkomt om een getuige te horen(20).Het komt evenwel aan de beklaagde toe om aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding.(21)

9. Uw Hof heeft reeds eerder(22) beslist dat het recht vervat in artikel 6.3. d EVRM geen absoluut recht is en het aan de rechter ten gronde staat om op grond van het geheel van gegevens van de zaak onaantastbaar te oordelen over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van de gevraagde onderzoekshandeling. Hij dient hierbij wel te waken over het waarborgen van het recht van de beklaagde op een eerlijk proces(23). Wanneer het verzoek tot het horen van een getuige geformuleerd is in conclusies, moet de rechter die hier niet op ingaat, hierop antwoorden en de reden preciseren waarom hij de gevraagde maatregel niet nuttig vindt om zijn overtuiging te vormen. Wanneer de rechter op grond van de concrete omstandigheden die hij aanwijst oordeelt dat de voorgestelde getuige niet geloofwaardig is, zodat zijn verhoor niet kan bijdragen tot de waarheidsvinding, is het recht op een eerlijk proces gewaarborgd(24). De relatie van de getuige met de beklaagde of andere in het strafproces betrokken partijen, zijn persoonlijkheid, de tijdspanne die verliep tussen de datum van de feiten en het afleggen van de verklaring, het tijdstip van het afleggen van een nieuwe verklaring, en de plotse en niet onderbouwde wending in de inhoud van een verklaring zijn elementen die hierbij in aanmerking kunnen genomen worden.

10. Ook in de zaak die voorligt beoordelen de appelrechters op grond van de concrete elementen die zij vermelden in hun arrest de nieuwe verklaring( à décharge) als niet geloofwaardig en geven zij de redenen weer waarom het nuttig, noch noodzakelijk is voor de waarheidsvinding om de ouders van beklaagde te horen als getuigen.

Zij steunen de schuldigverklaring niet enkel, of doorslaggevend op de verklaring van de niet-opgeroepen getuigen maar op diverse elementen, uiteengezet op pagina 9-10 van het arrest. Zij achten het niet noodzakelijk de getuigen ter zitting te horen omdat de inhoud van de nieuwe, geschreven verklaring die ter zitting werd neergelegd zeer sterk contrasteert met de inhoud van de verklaringen die kort na arrestatie van eiser werden afgelegd en die toen overeenstemden met de verklaring van het slachtoffer, wat bijdroeg aan haar geloofwaardigheid. Zij oordelen dat deze nieuwe verklaringen weinig geloofwaardig of minstens zeer sterk gekleurd zijn.

Met deze concrete omstandigheden kennen zij aan de verklaring van de ouders geen doorslaggevend karakter toe en verantwoorden zij dat er grondige redenen zijn om de getuigen- à charge - niet op de terechtzitting op te roepen.
Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht en ligt geen schending voor van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM.

Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren.
Conclusie: VERWERPING.
________________________
(1) EHRM (GK), Al-Khawaja and Thahery t VK, 15 december 2011, ro 118; EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 100-101; EHRM; Riahi t. België, 14 juni 2016, ro 27.
(2) EHRM (GK), Al-Khawaja and Thahery t VK, 15 december 2011, ro 146.
(3) EHRM (GK), Al-Khawaja and Thahery t. VK, 15 december 2011, ro 118; EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 103; EHRM; Riahi t. België, 14 juni 2016, ro 28.
(4) EHRM (GK), Al-Khawaja and Thahery t. VK, 15 december 2011, ro 118; EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 105.
(5) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 107.
(6) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 117.
(7) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 107.
(8) EHRM; Riahi t. België, 14 juni 2016, ro 30.
(9) EHRM (GK), Al-Khawaja and Thahery t VK, 15 december 2011, ro 120-125.
(10) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 117.
(11) EHRM (GK), Al-Khawaja and Thahery t. VK, 15 december 2011, ro 119 en 126-147.
(12) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 123.
(13) EHRM (GK), AL-Khawaja and Thahery t. VK, 15 december 2011, ro 147.
(14) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 116; EHRM; Riahi t. België, 14 juni 2016, ro 32.
(15) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 125-131.
(16) EHRM (GK), AL-Khawaja and Thahery t. VK, 15 december 2011, ro 147; EHRM; Riahi t. België, 14 juni 2016, ro 31.
(17) EHRM (GK),Schatschaschwili t. Duitsland, 15 december 2015, ro 118; EHRM; Riahi t. België, 14 juni 2016, ro 33.
(18) Cass. 22 november 2016, P.14.1909.N, AC 2016, nr. ...
(19) EHRM, Bricmont t. België, 7 juli 1989, ro 89; EHRM, Vidal t. België, 22 april 1992, ro 33.
(20) EHRM, Bricmont t. België, 7 juli 1989, ro 89.
(21) EHRM, Bocos-Cuesta t. Nederland, 10 november 2005, ro 67- 68.
(22) Cass. 31 mei 2016, AR P.14.1488.N, AC 2016, nr. 358.
(23) Cass. 16 november 2016, P.10.0872.N, AC 2016, nr. ...; Cass. 22 november 2016, P.14.1909.N, AC 2016, nr. ...
(24) Cass. 22 november 2016, P.14.1909.N, AC 2016, nr. ...

Verdrag of internationale overeenkomst / 1950-11-04 / Artt. 6.1 en 6.3.d / / 59

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/09/2017 - 16:10
Laatst aangepast op: za, 05/05/2018 - 13:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.