-A +A

Recht beklaagde aanwezig te zijn op zijn strafproces

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 20/09/2016
A.R.: 
P.16.0231.N

Artikel 6.3.c EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.

Uit die bepalingen en uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegen-spraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.

De rechter beoordeelt onaantastbaar of een beklaagde fysiek of psychisch al dan niet in staat is om de tegen hem ingestelde strafvordering bij te wonen, die te kunnen volgen en eraan deel te nemen. Hij kan bij die beoordeling rekening hou-den met alle gegevens van het strafdossier, de stukken die hem door de partijen worden bezorgd, zoals medische verslagen of bevindingen van psychiaters en psychologen, alsook met het gegeven dat de verzoekende beklaagde niet op de rechtszitting aanwezig is om zijn verzoek toe te lichten. De rechter is niet ver-plicht om in elk geval tegen een niet-verschijnende beklaagde die voorhoudt dat hij niet in staat is om het tegen hem gevoerde strafproces te volgen, een bevel tot medebrenging uit te vaardigen of een deskundigenonderzoek te bevelen of de eigen deskundige van de beklaagde te horen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
139
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0231.N
I H W E E,, beklaagde, eiser,; II. R C D, beklaagde, eiser;III en IV E A D M, beklaagde, eiser; V 1. J L J V, beklaagde; 2. INGENIEURSKANTOOR E bvba, beklaagde, eisers,
 tegen
REGIE DER GEBOUWEN, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87 bus 2,
burgerlijke partij,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 januari 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser III

1. Artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Onverminderd § 2, wordt de verklaring van cassatieberoep gedaan door het openbaar ministerie of de advocaat op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen. Zij wordt getekend door het openbaar ministerie of de advocaat en door de griffier en ingeschreven in het daartoe bestemd register.

De advocaat moet houder zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatie-procedures als bedoeld in boek II, titel III. De Koning bepaalt de vereisten waar-aan de opleiding moet voldoen."

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de raadsman van de eiser die de verklaring van cassatieberoep heeft gedaan op de griffie van het hof van beroep te Brussel op 10 februari 2016 om 14.25 uur, hou-der is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoel-de getuigschrift.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser IV

3. Artikel 419 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Niemand kan een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet."

4. Het cassatieberoep dat werd ingesteld nadat voor dezelfde eiser reeds cassa-tieberoep was ingesteld tegen hetzelfde arrest, is niet ontvankelijk.
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers II, V.1 en V.2

5. Het arrest stelt vast dat de tegen de eisers ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen niet in staat van wijzen zijn en stelt de afhandeling van die rechtsvorderingen onbepaald uit. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen, voorbarig, mits-dien niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen voor het overige

6. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de strafvordering las-tens de eiser V.1 voor de telastleggingen D6 en D7 onontvankelijk verklaarde en spreekt de eiser II vrij van de beperkte telastleggingen H5.1, H5.5, H5.6, H5.7 en H5.8.

In zoverre tegen deze beslissingen gericht zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser III

7. Overeenkomstig artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de eiser in cassatie zijn middelen slechts aanvoeren in een memorie die is ondertekend door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, bedoelde getuigschrift en die hij uiterlijk vijftien dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof van Cassatie doet toekomen.

Hieruit volgt dat een memorie die niet ingediend is ter griffie van het Hof van Cassatie, niet ontvankelijk is.

8. De memorie van de eiser III, die werd ingediend ter griffie van het hof van beroep en niet ter griffie van het Hof van Cassatie, is niet ontvankelijk.

Middelen van de eiser I

Eerste middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de eiser I in staat is om te worden be-recht hoewel hij uitgebreid had aangevoerd dat zijn gezondheidstoestand dat niet toeliet en een deskundigenverslag had neergelegd ter staving daarvan; in die om-standigheden rustte op de appelrechters de verplichting om daadwerkelijk onder-zoek te doen naar zijn medische toestand en naar zijn geschiktheid om het dossier te begrijpen en zijn raadsman te instrueren; zo nodig hadden zij een bevel tot me-debrenging kunnen uitvaardigen; de appelrechters hebben evenwel ten onrechte gemeend dat zij zich niet van de toestand van de eiser konden vergewissen en dat zij zich moesten beperken tot een onderzoek op basis van de stukken die hij zelf neerlegde; doordat de appelrechters geen bevel tot medebrenging uitvaardigen, de eiser I niet doen verhoren, de door hem ingeroepen deskundige niet horen als getuige of geen gerechtsdeskundige aanstellen, verzuimen zij daadwerkelijk onder-zoek te voeren naar eisers medische toestand, schenden zij de vermelde bepaling en miskennen zij de vermelde rechtsbeginselen.

10. In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

11. Artikel 6.1 EVRM schrijft voor dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering eenieder recht heeft op een eerlijke be-handeling van zijn zaak.

Artikel 6.3.c EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.

12. Uit die bepalingen en uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegen-spraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.

13. De rechter beoordeelt onaantastbaar of een beklaagde fysiek of psychisch al dan niet in staat is om de tegen hem ingestelde strafvordering bij te wonen, die te kunnen volgen en eraan deel te nemen. Hij kan bij die beoordeling rekening hou-den met alle gegevens van het strafdossier, de stukken die hem door de partijen worden bezorgd, zoals medische verslagen of bevindingen van psychiaters en psychologen, alsook met het gegeven dat de verzoekende beklaagde niet op de rechtszitting aanwezig is om zijn verzoek toe te lichten. De rechter is niet ver-plicht om in elk geval tegen een niet-verschijnende beklaagde die voorhoudt dat hij niet in staat is om het tegen hem gevoerde strafproces te volgen, een bevel tot medebrenging uit te vaardigen of een deskundigenonderzoek te bevelen of de eigen deskundige van de beklaagde te horen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Het arrest oordeelt dat:

- de raadsman van de eiser I uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn cliënt zich niet bevindt in een staat van krankzinnigheid, noch in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid in de zin van artikel 71 Strafwetboek of arti-kel 1 Wet Bescherming Maatschappij;

- de eiser I niet onder voorlopig bewind staat en dus in het gewone rechtsverkeer volkomen handelingsbekwaam is;

- uit de stukken die de eiser I heeft neergelegd met betrekking tot zijn fysieke en mentale toestand niet blijkt dat hij niet in staat was of is om op een effectieve wijze deel te nemen aan het proces;

- volgens een verslag van de door de eiser I geraadpleegde arts, prof. K. Aude-naert, psychiater, hij zou lijden aan een "frontaal-syndroom" ingevolge een heelkundige ingreep die hij onderging in 2011, met tot gevolg een verstoord emotioneel maar vooral cognitief functioneren en "een bijzonder grote beper-king tot onmogelijkheid tot het begrijpen van zijn juridisch dossier en het be-grijpen van de impact van de mogelijke gevolgen'';

- die conclusie van dr. Audenaert niet kan worden bijgetreden;

- los van de louter algemene theoretische beschouwingen in het verslag, de ge-rapporteerde symptomen beperkt zijn;

- de eiser I gedetailleerd blijkt te hebben verteld over de inval in zijn woning op 31 januari 2001, het openen van zijn kluis, het onderzoek in zijn kantoor te Brussel, het onderzoek door de onderzoeksrechter, zijn confrontatie met zijn geboeide collega's, zijn voorlopige hechtenis gedurende 103 dagen en zijn op secreet stelling, alsook over de medische ingrepen die hij onderging in 2011;

- uit de verklaringen van de zoon van de eiser I blijkt dat deze met zijn inmiddels gepensioneerde vader af en toe berekeningen over betonconstructies bespreekt, zijn vader contacten onderhoudt met klanten van zijn zoon en dat hij werken uitvoert aan de woning van een andere zoon waarbij het opvallend is dat desbetreffend enkel opmerkingen worden weergegeven over het vormelijk aspect van deze handelingen, niet over het inhoudelijke aspect;

- dr. Audenaert zich eveneens steunt op het neuropsychologisch onderzoek door psycholoog Wolters, zonder dat hiervan een verslag wordt neergelegd;

- de weergave in het verslag van dr. Audenaert bijzonder summier is en een wis-selend presteren inzake aandacht en concentratie vermeldt, waarbij vooral de nadruk wordt gelegd op het verschil tussen het voormalig pre-morbide preste-ren van de eiser I, dat zeer hoog wordt ingeschat, en het huidige functioneren dat wordt vergeleken met een dwarsdoorsnede van de bevolking;

- het feit dat de eiser I, in tegenstelling tot vroeger, op een minder hoog boven-gemiddeld niveau functioneert of zelfs beneden gemiddeld zou functioneren, evenwel niet betekent dat hij geen goed begrip heeft van de aard van het proces of de mogelijke gevolgen ervan niet kan inschatten, noch dat hij niet in staat zou zijn om aan zijn advocaat zijn versie van de feiten uiteen te zetten, de verklaringen aan te duiden waarmee hij het oneens is of de aandacht te vestigen op de feiten die voor zijn verdediging dienen te worden aangebracht;

- hetzelfde geldt voor het uitgevoerde beeldvormend onderzoek dat weliswaar een standaarddeviatie aan het licht brengt maar niet toelaat te concluderen tot de afwezigheid van voormelde capaciteiten;

- de eiser I er, net zoals tijdens de behandeling van de zaak voor de eerste rech-ter, vrijwillig voor heeft gekozen zich ter rechtszitting te laten vertegenwoordi-gen derhalve dat het hof van beroep zelf zich niet van de situatie heeft kunnen vergewissen, zodat enkel de stukken voorliggen die door de eiser I zelf worden neergelegd;

- op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat geen van de gerelateerde dysfuncties, afzonderlijk of in hun geheel genomen, toelaten te stellen dat de eiser I niet in staat is om te worden berecht;

- de aanstelling van een gerechtelijk deskundige niet noodzakelijk of aangewe-zen is, daar uit de gerelateerde capaciteiten waarover de eiser I wel nog be-schikt, voldoende blijkt dat hij over een voldoende mentaal vermogen beschikt om op een effectieve wijze te participeren aan het proces;

- noch de leeftijd van de eiser I, noch de duur van het debat, noch de omvang van het strafdossier nopen tot een andere conclusie;

- overigens niets toelaat te veronderstellen dat de eerste rechter of het hof van beroep, mocht de eiser I zich ter zitting hebben aangeboden om er te worden gehoord, geen bijzondere schikkingen zou hebben getroffen teneinde zo nodig tegemoet te komen aan zijn beweerde verminderde capaciteiten;

- er bijgevolg evenmin sprake is van een miskenning van de zogenaamde wa-pengelijkheid in hoofde van de eiser I die minstens sedert de procedure tot re-geling van de rechtspleging voor de raadkamer kennis heeft kunnen nemen van de voor hem relevante onderdelen van het strafdossier.

15. Aldus onderzoekt het arrest daadwerkelijk of de eiser I in staat is om te worden berecht en miskent het geenszins eisers recht van verdediging noch zijn recht op een eerlijk proces, maar verantwoordt het naar recht de beslissing dat "geen van de gerelateerde dysfuncties, afzonderlijk of in hun geheel genomen, toelaten te stellen dat de [eiser I] niet in staat is om te worden berecht".

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest stelt vast dat de eiser sedert 2011 in tegenstelling tot daarvoor op een minder hoog bo-vengemiddeld niveau functioneert of zelfs beneden gemiddeld functioneert; deze vaststelling is niet verenigbaar met de vaststelling dat de overschrijding van de re-delijke termijn niet voor gevolg heeft dat de uitoefening van het recht van verdediging op geen enkele wijze is beperkt of bemoeilijkt.

17. De rechter oordeelt onaantastbaar of de overschrijding van de redelijke ter-mijn voor gevolg heeft gehad de uitoefening van het recht van verdediging al dan niet te beperken of te bemoeilijken. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de fei-telijke vaststellingen die hij doet, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of daardoor niet kunnen worden verantwoord.

18. Het arrest stelt niet alleen vast dat de eiser I op een minder hoog bovenge-middeld niveau functioneert dan vroeger, maar oordeelt ook zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel. Het oordeelt ook dat door de overschrijding van de redelijke termijn geen bewijsmiddelen teloorgingen en de bewijswaarde van de voorliggende onderzoekselementen niet werden aangetast. Op die gronden vermag het arrest wettig af te leiden dat eisers recht van verdediging door de overschrijding van de redelijke termijn geenszins wordt beperkt of bemoeilijkt, laat staan onherstelbaar wordt belemmerd. Hierdoor trekt het uit de gedane vaststellingen geen gevolgen die daarmee onverenigbaar zijn.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Middelen van de eiser II

Eerste middel

19. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn: het arrest houdt ten onrechte geen rekening met het feit dat de redelijke termijn is over-schreden, met als gevolg dat hij zich niet meer per werk kan verdedigen tegen de aantijging dat hij gelden zou hebben ontvangen in ruil voor het prioritair maken van een bepaald werk, los van de dringendheid ervan; door het verloop van de tijd zijn de bewijsstukken verloren en de verklaringen van de getuigen en medebe-klaagden twijfelachtig.

20. Het arrest oordeelt uitdrukkelijk dat de redelijke termijn voor de behande-ling van de zaak werd overschreden.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest geen rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn, berust het op een onjuiste lezing ervan en mist het feitelijke grondslag.

21. Het arrest stelt uitdrukkelijk vast dat geen bewijselementen verloren gingen en de bewijswaarde van de voorliggende onderzoekselementen niet werden aangetast door de overschrijding van de redelijke termijn.

In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

22. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, alsook mis-kenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest sluit ten onrechte de zonder bijstand van een advocaat afgelegde verklaringen van medebeklaagden niet uit als bewijs tegen de eiser II omdat deze hun verklaringen niet hebben doen weren uit het debat; de eiser II heeft immers aangetoond dat de verklaringen van deze me-debeklaagden, die belang hadden bij het afleggen van belastende verklaringen, niet overeenstemmen met de objectieve gegevens van het dossier.

23. Een persoon kan zich slechts beroepen op het recht op bijstand van een advocaat, wanneer hij verhoord wordt over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd. Daaruit volgt dat dit recht op bijstand, net als de cautieplicht, het zwijgrecht en de regel dat niemand verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen, waarmee het recht op bijstand verbonden is, enkel geldt in personam. Een verdachte kan zich niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een persoon die voor hem slechts een getuige is, tenzij deze persoon bij zijn verhoor van diezelfde rechten diende te genieten en op grond van de miskenning ervan de afgelegde belastende verklaringen intrekt.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel

24. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest motiveert niet afdoende waarom het al dan niet rekening houdt met de objectieve bewijs-elementen die de eiser II in conclusie heeft aangereikt; het arrest oordeelt dat "er enkel rekening gehouden dient te worden met het PV nr. 1038/2007 van 28 maart 2007 en dat het gerealiseerd wederrechtelijk vermogensvoordeel minstens geraamd dient te worden op euro 82.949,04", zonder te duiden hoe men aan dat bedrag komt; het arrest beantwoordt evenmin eisers conclusie.

25. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 5 EVRM schendt.
In zoverre het schending van die bepaling aanvoert, is het middel onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.

26. Het middel preciseert niet welk verweer dat de eiser II voor de appelrechters in een conclusie heeft aangevoerd, het arrest niet beantwoordt.
In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

27. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat er enkel rekening moet worden gehouden met PV nr. 1038/2007.
In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het fei-telijke grondslag.

28. Het arrest oordeelt dat rekening houdende met de ten laste van de eiser II bewezen feiten, het door hem gerealiseerde wederrechtelijk vermogensvoordeel minstens moet bepaald worden op 82.949,04 euro en verwijst desbetreffende ook naar een proces-verbaal van 28 maart 2007. Aldus vermeldt het arrest de redenen op grond waarvan het de hoegrootheid van het vermogensvoordeel bepaalt, zon-der dat het, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, die berekeningswij-ze nader hoeft te motiveren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eisers V.1 en V.2

29. Het middel voert schending aan van de artikelen 322, 323 en 324 Strafwet-boek: het arrest veroordeelt de eisers V.1 en V.2 voor bendevorming (telastlegging Q), hoewel het niet vaststelt dat zij de bewuste wil hebben gehad om van de vereniging lid te zijn, maar enkel dat "het onmogelijk is dat de deelnemers aan hoger beschreven praktijken zich niet bewust zouden zijn geweest van het feit dat ze zich lieten inschakelen in een zeer georganiseerd frauduleus systeem"; uit deze feitelijke vaststellingen kan het arrest niet wettig afleiden dat het moreel bestand-deel van het misdrijf aanwezig is.

30. De rechter verantwoordt naar recht zijn beslissing om een beklaagde te ver-oordelen wegens deelname aan een vereniging met het oogmerk een aanslag te plegen op eigendommen, wanneer hij vaststelt dat de beklaagde zich bewust was van zijn deelneming aan een georganiseerde activiteit en door zijn daden aan de uitvoering ervan heeft bijgedragen.

31. Het arrest stelt vast en oordeelt dat:

- de eisers V.1 en V.2 zowel tegenover de verbalisanten, in eerste aanleg als in hoger beroep uitdrukkelijk hebben erkend dat het gebeurde dat wanneer een bestek erin voorzag dat de aannemer op eigen kosten een stabiliteitsstudie moest laten uitvoeren, deze beroep deed op de eiseres V.2 als ingenieursbureau en de eiser V.1, als ambtenaar, soms zijn eigen studies controleerde en goed-keurde;

- de eiser V.1 bij herhaling erkende aandeelhouder en feitelijk zaakvoerder te zijn van de eiseres V.2 en de auteur was van genoemde stabiliteitsstudies, welke overigens vaak nog werden gemaakt tijdens de diensturen en met medewerking van technische tekenaars in dienst van de verweerster;

- in de schoot van de verweerster een georganiseerde vereniging actief was waarvan de leden deels ambtenaren waren die de beslissingsbevoegdheid eigen aan hun functie misbruikt hebben om zichzelf en de bij de vereniging aangeslo-ten aannemers te verrijken;

- de betrokken ambtenaren, in ruil voor persoonlijke voordelen van verschillende aard, uit te voeren opdrachten hoofdzakelijk gegund hebben aan een beperkte groep gekende aannemers die bereid waren deze voordelen te verschaffen;

- deze vereniging steunde op een doorgedreven organisatie, hetgeen onder meer blijkt uit de doorgedreven taakverdeling en hiërarchie, het gebruik van fraude-carrousels om gelden uit vennootschappen te halen, de manipulatie van prijzen en controles en uit de verdoken wijze waarop de geheime commissies werden getransfereerd:

- deze vaststelling, gekoppeld aan de duur van deze praktijken en het systema-tisch karakter ervan onweerlegbaar doet besluiten tot het bestaan van een ver-eniging die tot doel heeft gehad het plegen van wanbedrijven en misdaden strafbaar met opsluiting van vijf tot tien jaar;

- zelfs rekening houdend met de binnen de schoot van de verweerster wijd ver-spreide normvervaging het onmogelijk is dat de deelnemers aan de hoger beschreven praktijken zich niet bewust zouden zijn geweest van het feit dat zij zich lieten inschakelen in een zeer georganiseerd frauduleus systeem dat uit-sluitend gericht was op de wederrechtelijke verrijking van de deelnemers ten koste van het openbaar belang.

32. Met deze redenen oordeelt het arrest wettig dat de eisers V.1 en V.2 de be-wuste wil hadden om lid te zijn van een vereniging met als oogmerk een aanslag te plegen op eigendommen en stelt het de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van de telastlegging vast.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser V.1

33. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 21ter Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden en verleent rechtsherstel door de voor de eiser V.1 door de eerste rechter uitgesproken gevangenisstraf en geldboete te herleiden; het verleent evenwel geen rechtsherstel voor de verbeurdverklaring van de wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen.

34. Indien de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, moet de rechter in de regel een straf uitspreken die daadwerkelijk en op een meetbare wijze verminderd is ten opzichte van de straf die hij zou hebben opgelegd indien de redelijke termijn niet overschreden was.

35. Wanneer de wet voor het bewezen verklaarde feit een gevangenisstraf, een geldboete en de verbeurdverklaring van wederrechtelijk verkregen vermogens-voordelen oplegt en de rechter wegens de overschrijding van de redelijke termijn een straf uitspreekt die lager is dan deze die hij zonder die overschrijding zou hebben uitgesproken, kan hij ofwel de gevangenisstraf, ofwel de geldboete, ofwel de verbeurdverklaring, of twee daarvan of alle drie verminderen.

36. Het middel dat ervan uitgaat dat de rechter in dat geval zowel de gevange-nisstraf, de geldboete als de verbeurdverklaring moet verminderen, faalt naar recht.

Tweede middel van de eiseres V.2

Eerste onderdeel

37. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Straf-wetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest ver-klaart 20.000 euro verbeurd als wederrechtelijk vermogensvoordeel; dit is maar mogelijk voor zover de procureur des Konings dit schriftelijk heeft gevorderd; de procureur vorderde schriftelijk in zijn eindvordering en in de dagstelling voor de correctionele rechtbank de verbeurdverklaring van 141.681,44 euro; in een verklarende nota van 11 september 2014 vorderde de procureur niet meer de verbeurd-verklaring en deed aldus impliciet afstand van zijn schriftelijke vordering; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat het openbaar ministe-rie nadien de vordering heeft hernomen; het beroepen vonnis verklaarde ten onrechte 5.000 euro verbeurd en het arrest miskent de bewijskracht van de nota van 11 september 2014, in samenhang gelezen met de processen-verbaal van de rechtszittingen van de correctionele rechtbank, de grievennota van het openbaar ministerie van 14 december 2015 en de processen-verbaal van de rechtszittingen van 9 september 2015, 14 december 2015 en 15 december 2015, doordat het vast-stelt dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring schriftelijk heeft gevorderd in de oorspronkelijke dagvaarding; de verbeurdverklaring is ook niet regelmatig bij gebrek aan ondubbelzinnige schriftelijke vordering van het openbaar ministerie.

38. In zoverre het onderdeel gericht is tegen het beroepen vonnis en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

39. Het arrest geeft geen uitlegging van de nota van de procureur des Konings van 11 september 2014, al dan niet in samenhang gelezen met de processen-verbaal van de rechtszittingen van de correctionele rechtbank, de grievennota van het openbaar ministerie van 14 december 2015 en de processen-verbaal van de rechtszittingen in hoger beroep van 9 september 2015, 14 december 2015 en 15 december 2015 en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

40. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie in een voor de eerste rechter neergelegde verklarende nota geen melding maakt van zijn vordering tot verbeurdverklaring ingesteld met toepassing van artikel 42, 3°, Strafwetboek, vor-dering die hij zowel bij zijn eindvordering tot verwijzing naar de correctionele rechtbank als bij de dagvaarding tot vaststelling heeft ingesteld, houdt geen af-stand van die vordering in.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede onderdeel

41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de rede-lijke termijn is overschreden en verleent rechtsherstel voor de geldboete door deze te herleiden; het verleent evenwel geen rechtsherstel voor de verbeurdverklaring van de wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen.

42. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser V.1. en faalt om de redenen vermeld in het antwoord daarop, naar recht.

Grieven van de eiser IV

43. De grieven die geen verband houden met de ontvankelijkheid van het cassa-tieberoep, behoeven geen antwoord.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering voor het overige

44. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verleent de eiser I akte van zijn afstand zoals hierboven vermeld.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 426,35 euro, waarvan door de eisers I, II, III, IV en V elk 85,27 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszit-ting van 20 september 2016 uitgesproken

Noot: 

Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] VAN DE HEYNING, Catherine; Noot 'Het recht op deelname aan de procedure: wanneer ben je (tijdig) ziek genoeg?' 2017, nr. 1, p. 62-71.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/09/2017 - 09:24
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.