-A +A

Radioloog werkzaam in ziekenhuis is geen schijnzelfstandige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/02/1996

«Gezag» hoeft niet op permanente en werkelijke wijze te worden uitgeoefend; wel is het voldoende dat de werkgever «het recht heeft» aan de werknemer bevelen te geven over de organisatie en de uitvoering van het overeengekomen werk

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is het anderzijds voldoende dat de werkgever in feite gezag kan hebben over zijn werknemer (Cass., 19 maart 1979, A.C., 1978-79, 830; Cass., 15 februari 1982, A.C., 1981-82, 772; (Cass., 9 januari 1995, A.R. S.94.74F. R.S.Z.t/S.G.B. N.V.). Het Hof meent dat zulks geldig afgeleid kan worden zo in een concreet arbeidsverband «de werkgever» in staat bleek bepaalde arbeidsvoorwaarden op te leggen, zoals vaste arbeidsuren, verplichte rechtvaardigingen van afwezigheid wegens ziekte, en zo «de werknemer» zich hiertoe verbonden achtte.

Het «gezag» waarnaar artikel 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet verwijst als kenmerkend criterium, hoeft dus niet noodzakelijk een «juridisch» gefundeerd gezag te zijn. Wil men het gezag baseren op artikel 17 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dan steunt men op hetgeen precies bewezen moet worden. Artikel 17 dient derhalve veeleer als legitimatie beschouwd te worden van het gezag, dan als de exclusieve oorzaak ervan. Deze opmerking kan relevant zijn zo een werkgever in een overeenkomst afstand doet van de rechtsgrond waarop hij zijn gezag kan stoelen, teneinde het bestaan van een arbeidsovereenkomst en aldus zijn onderwerping aan de S.Z.-wet uit te sluiten. Zo hij «op het terrein» toch in staat blijkt gezag «uit te oefenen», dan blijft de toepasselijkheid van de Arbeidsovereenkomstenwet en zodoende van de S.Z.-wet aan de orde.

Niettemin moet zulk een potentiële gezagsverhouding reëel zijn. Zo wordt een arbeid in ondergeschiktheid niet erkend voor een bestuurder van een vennootschap, zo er geen ander orgaan voorhanden is dat gezag over hem kan uitoefenen (Cass., 30 mei 1988, J.T.T., 1989, 126).

Zo ook lijkt de rechtspraak geneigd te zijn ondergeschiktheid uit te sluiten zo de arbeidsovereenkomsten gesloten werden tussen echtgenoten of naaste familieleden (Arbh. Luik, 17 maart 1978, A.R., 5643/77; Arbh. Gent, afd. Brugge, 11 maart 1988, A.R. 87/576, arresten vermeld in Werkloosheidsgids 1.1/14.1.)

Deze gezagsverhouding betreft dus werkelijk de menselijke verhoudingen tussen werkgever en werknemer en ligt derhalve ruimer dan de loutere organisatorische bevoegdheid instructies te geven. Zulks is althans de gevolgtrekking uit de rechtspraak inzake arbeidsongevallen waarin deze verhouding eveneens erkend wordt buiten de arbeidstijd en het eigenlijk verrichten van arbeid (Cass., 22 februari 1993, A.C., 1993, 215). Het Hof van Cassatie preciseert dat de werknemer onder het gezag van de werkgever staat «zolang hij ten gevolge van het verrichten van arbeid in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt». In de voorbereidende teksten van de wet van 10 maart 1900 wordt het gezag gesitueerd «pendant le temps consacré à des actes soit préparatoires, soit consécutifs au travail, à des actes intimement unis à celui-ci, à des actes qui mettent en rapports nécessaires l‘ouvrier et le patron pour l‘exécution du contrat». (Hand. Senaat, 1899-1900, 225-227).

Anderzijds wordt geen absoluut gezag bedoeld over de persoon van de werknemer. Zulks zou uiteraard indruisen tegen de grondwettelijke gelijkheid en vrijheden. Zelfs binnen de werkrelatie blijkt dit gezag beperkt te zijn, en is noch de werkgever verplicht zijn werknemer doorlopend werk te verschaffen noch de werknemer verplicht elk hem door zijn werkgever aangeboden werk te aanvaarden (Cass., 2 januari 1995, A.R. S. 94.74.F., R.S.Z. t/ S.G.B. N.V.).

Uit de voorgaande principes, die door de heersende rechtspraak gehuldigd worden, kan logischerwijze niet anders besloten worden dan dat de gezagsverhouding, die noch wettelijk noch jurisprudentieel nauwkeurig gedefinieerd wordt, enkel een onderscheidende betekenis kan hebben om op zich een arbeidsovereenkomst bewezen te achtten, zo dit «gezag» onverzoenbaar is met elk zelfstandig samenwerkingsverband.

Elk contract heeft echter noodzakelijkerwijze als oogmerk de persoonlijke vrijheid van de wederpartij te beperken en een dwingend engagement van de wederpartij te verkrijgen. Een aannemer is door zware middelen gebonden aan de soms zeer gedetailleerde voorschriften en termijnen in het bestek. Een loodgieter zal zich dienen te schikken naar de richtlijnen van de bewoner van het huis waarin hij een door deze opgedragen taak moet uitvoeren. Dit zal niet enkel de inhoud van zijn taak betreffen, maar eveneens de wijze waarop hij zich in het huis mag bewegen, en dergelijke. Een franchisingnemer is zeer gedetailleerd gebonden in de exploitatie van zijn handelszaak. Dit resulteert in een grote economische afhankelijkheid welke echter onvoldoende werd geacht om het arbeidsrechtelijk gezagsbegrip bewezen te achtten. (Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 4deK., 22 juni 1995, A.R. 92/397, R.S.Z. t/ A. d. O., Gh.)

Besluitend kan gesteld worden dat, teneinde het bestaan van een arbeidsovereenkomst aan te tonen, weliswaar het bewijs geleverd dient te worden dat er een potentiële doch reële gezagsverhouding tussen de partijen bestond, maar dat dit bewijs op zich onvoldoende is. Niet elke vorm van feitelijk gezag impliceert het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Bijkomend zal de precieze aard van dit «gezag» dienen te worden nagegaan meer bepaald waarin het verschilt van de bindende kracht van elke overeenkomst.

Uit de legitimatie van het gezag in artikel 17 van de Arbeidsovereenkomst volgt dat het gezag beperkt is tot de «uitvoering van de arbeidsovereenkomst». Uit de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat de uitvoering van een arbeidsovereenkomst «het verrichten van arbeid» beoogt.

Vanuit deze principes dient besloten te worden dat betrokken radiologen bezwaarlijk als loontrekkenden aangemerkt kunnen worden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
502
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.S.Z. t/ V.Z.W. ziekenhuis Y.

Bij dagvaardingen van 28 oktober 1985, 4 juni 1986, 24 november 1987 en 28 september 1988 vorderde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de V.Z.W. de betaling van de sociale bijdragen over de periode derde kwartaal 1982 tot en met het vierde kwartaal 1987, ten belope van (...) 42.282.143 fr.

Deze vordering betreft de bijdragen verschuldigd op grond van een tewerkstelling in ondergeschikt verband van twee radiologen in die periode.

...

In rechte

1. Elementen

De radiologen A. en B. zijn met een overeenkomst van 1 juli 1980 verbonden aan de V.Z.W. (...) ziekenhuis, waar zij exclusief werkzaam zijn gedurende een 10 uur per dag. (Deze overeenkomst wordt niet overgelegd).

Volgens de onderlinge afspraken, int de V.Z.W. hun honoraria, houdt hier tot 60% onkostenvergoeding af voor het gebruik van de infrastructuur, waarna het saldo onder beide radiologen verdeeld wordt.

Naast deze geneesheren worden de andere geneesheren niet onderworpen geacht, omdat zij nog andere bezigheden buiten het ziekenhuis uitvoeren.

De bedoelde radiologen zijn als zelfstandige ingeschreven bij een sociale-verzekeringskas.

De radiologen werkten in de lokalen van de V.Z.W., waarvoor zij een aandeel van hun honoraria betaalden. Zij waren, buiten hun deontologische code, niet verplicht de patiënten van het ziekenhuis te behandelen.

Zij spraken samen hun tijdschema af.

Bij ziekte of afwezigheid hadden zij een meldingsplicht, waaronder de aanwijzing van een vervanger.

2. Ten gronde

...

2.2. Het begrip arbeidsovereenkomst

2.2.1. Voorafgaande opmerkingen

Op grond van artikel 1, § 1, van de S.Z.—wet richt de R.S.Z. zich tegen de onderneming met het oog op de betaling van sociale bijdragen op grond van een tewerkstelling, waarvan zij poogt aan te tonen dat deze geschiedde in ondergeschiktheid.

Aldus dient te worden aangetoond dat betrokkenen «door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden», meer bepaald, overeenkomstig artikel 2 of 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat de «werknemer» zich verbonden heeft «tegen loon, onder gezag van een werkgever... arbeid te verrichten».

Aangezien de S.Z.-wet naar de Arbeidsovereenkomstenwet verwijst, rust op de R.S.Z. dezelfde bewijslast als die welke de werknemer draagt in een soortgelijk geschil tegen zijn vermeende werkgever.

Een arbeidsovereenkomst is een juridisch begrip dat door de Arbeidsovereenkomstenwet aan een overeenkomst wordt toegekend die aan de in voornoemde artikelen bepaalde geciteerde kenmerken beantwoordt. Onder de term «overeenkomst» wordt niet zozeer het «instrumentum» bedoeld, als wel de daadwerkelijke contractuele verhoudingen die tussen «werkgever» en «werknemer» bestaan.

Zo het Hof van Cassatie al beslist dat de rechter niet gebonden is door de kwalificatie die de partijen aan deze feitelijke elementen hebben gegeven (Cass., 15 februari 1982, A.C., 1982-83, 772), doet zulks geenszins afbreuk aan de wilsautonomie van de contracterende partijen, maar wel betekent dit een precizering van de rechtsmacht van de rechter. Het betreft niet wat partijen bij het opstellen van de overeenkomst hadden behoren te doen, maar wel het nagaan of in een concrete procedure de partijen middelen aanvoeren die al dan niet in overeenstemming zijn met de aan de rechtbank voorgelegde feiten.

Het bedoelde arrest vindt zijn precedenten immers buiten het sociaal recht (Cass., 10 augustus 1960, Pas., I, 1166), zoals in het zakenrecht, waar de toepasselijkheid van de bezitsrespectievelijk eigendomsvordering ter discussie stond (Cass., 29 november 1967, Pas., I, 430; Cass., 6 december 1968, Pas., 1969, I, 333).

Ten aanzien van de concrete contractuele betrekkingen is derhalve de door partijen aan de arbeidsgerechten voorgelegde basisovereenkomst als bewijs slechts relevant, zo uit de andere aan deze gerechten voorgelegde feiten niet volgt dat de daadwerkelijke contractuele betrekkingen door andere en strijdige afspraken beheerst werden.

Voorts is de term «arbeidsovereenkomst» een wettelijk gedefinieerde term, waarover partijen derhalve niet vrij kunnen beschikken. Het benoemen van een overeenkomst als een «arbeidsovereenkomst» is dus steeds een juridische «interpretatie» en is op zich niet normerend. Het hanteren van deze term door partijen is dus enkel relevant zo zij hem correct interpreteren ten aanzien van de daadwerkelijk tussen hen bestaande afspraken en uitvoeringswijzen van de overeenkomst.

De arbeidsgerechten zijn derhalve bevoegd om na te gaan of, gelet op de wederzijds afgesproken rechten en plichten, zoals deze blijken uit de overeenkomst en de uitvoering ervan, partijen hun samenwerkingsovereenkomst al dan niet terecht als «arbeidsovereenkomst» hebben geïnterpreteerd.

2.2.2. Het gezag van de werkgever

Hoewel dit kenmerk als belangrijkste determinerend criterium wordt ervaren (Van Regenmortel A., «Onderscheid tussen werknemer en zelfstandige» in Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht, Die Keure, 1195, p. 33) bestaat er geen definitie noch nauwkeurige jurisprudentiële omschrijving van.

Dit «gezag» hoeft niet op permanente en werkelijke wijze te worden uitgeoefend; wel is het voldoende dat de werkgever «het recht heeft» aan de werknemer bevelen te geven over de organisatie en de uitvoering van het overeengekomen werk (Cass., 15 februari 1962, Pas., I, 680; Cass., 6 juni 1968, A.C., 1968, 1209; Cass., 13 juni 1968, A.C., 1968, 1239; Cass., 8 mei 1978, T.S.R., 1978, 409).

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is het anderzijds voldoende dat de werkgever in feite gezag kan hebben over zijn werknemer (Cass., 19 maart 1979, A.C., 1978-79, 830; Cass., 15 februari 1982, A.C., 1981-82, 772; (Cass., 9 januari 1995, A.R. S.94.74F. R.S.Z.t/S.G.B. N.V.). Het Hof meent dat zulks geldig afgeleid kan worden zo in een concreet arbeidsverband «de werkgever» in staat bleek bepaalde arbeidsvoorwaarden op te leggen, zoals vaste arbeidsuren, verplichte rechtvaardigingen van afwezigheid wegens ziekte, en zo «de werknemer» zich hiertoe verbonden achtte.

Het «gezag» waarnaar artikel 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet verwijst als kenmerkend criterium, hoeft dus niet noodzakelijk een «juridisch» gefundeerd gezag te zijn. Wil men het gezag baseren op artikel 17 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dan steunt men op hetgeen precies bewezen moet worden. Artikel 17 dient derhalve veeleer als legitimatie beschouwd te worden van het gezag, dan als de exclusieve oorzaak ervan. Deze opmerking kan relevant zijn zo een werkgever in een overeenkomst afstand doet van de rechtsgrond waarop hij zijn gezag kan stoelen, teneinde het bestaan van een arbeidsovereenkomst en aldus zijn onderwerping aan de S.Z.-wet uit te sluiten. Zo hij «op het terrein» toch in staat blijkt gezag «uit te oefenen», dan blijft de toepasselijkheid van de Arbeidsovereenkomstenwet en zodoende van de S.Z.-wet aan de orde.

Niettemin moet zulk een potentiële gezagsverhouding reëel zijn. Zo wordt een arbeid in ondergeschiktheid niet erkend voor een bestuurder van een vennootschap, zo er geen ander orgaan voorhanden is dat gezag over hem kan uitoefenen (Cass., 30 mei 1988, J.T.T., 1989, 126).

Zo ook lijkt de rechtspraak geneigd te zijn ondergeschiktheid uit te sluiten zo de arbeidsovereenkomsten gesloten werden tussen echtgenoten of naaste familieleden (Arbh. Luik, 17 maart 1978, A.R., 5643/77; Arbh. Gent, afd. Brugge, 11 maart 1988, A.R. 87/576, arresten vermeld in Werkloosheidsgids 1.1/14.1.)

Deze gezagsverhouding betreft dus werkelijk de menselijke verhoudingen tussen werkgever en werknemer en ligt derhalve ruimer dan de loutere organisatorische bevoegdheid instructies te geven. Zulks is althans de gevolgtrekking uit de rechtspraak inzake arbeidsongevallen waarin deze verhouding eveneens erkend wordt buiten de arbeidstijd en het eigenlijk verrichten van arbeid (Cass., 22 februari 1993, A.C., 1993, 215). Het Hof van Cassatie preciseert dat de werknemer onder het gezag van de werkgever staat «zolang hij ten gevolge van het verrichten van arbeid in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt». In de voorbereidende teksten van de wet van 10 maart 1900 wordt het gezag gesitueerd «pendant le temps consacré à des actes soit préparatoires, soit consécutifs au travail, à des actes intimement unis à celui-ci, à des actes qui mettent en rapports nécessaires l‘ouvrier et le patron pour l‘exécution du contrat». (Hand. Senaat, 1899-1900, 225-227).

Anderzijds wordt geen absoluut gezag bedoeld over de persoon van de werknemer. Zulks zou uiteraard indruisen tegen de grondwettelijke gelijkheid en vrijheden. Zelfs binnen de werkrelatie blijkt dit gezag beperkt te zijn, en is noch de werkgever verplicht zijn werknemer doorlopend werk te verschaffen noch de werknemer verplicht elk hem door zijn werkgever aangeboden werk te aanvaarden (Cass., 2 januari 1995, A.R. S. 94.74.F., R.S.Z. t/ S.G.B. N.V.).

Uit de voorgaande principes, die door de heersende rechtspraak gehuldigd worden, kan logischerwijze niet anders besloten worden dan dat de gezagsverhouding, die noch wettelijk noch jurisprudentieel nauwkeurig gedefinieerd wordt, enkel een onderscheidende betekenis kan hebben om op zich een arbeidsovereenkomst bewezen te achtten, zo dit «gezag» onverzoenbaar is met elk zelfstandig samenwerkingsverband.

Elk contract heeft echter noodzakelijkerwijze als oogmerk de persoonlijke vrijheid van de wederpartij te beperken en een dwingend engagement van de wederpartij te verkrijgen. Een aannemer is door zware middelen gebonden aan de soms zeer gedetailleerde voorschriften en termijnen in het bestek. Een loodgieter zal zich dienen te schikken naar de richtlijnen van de bewoner van het huis waarin hij een door deze opgedragen taak moet uitvoeren. Dit zal niet enkel de inhoud van zijn taak betreffen, maar eveneens de wijze waarop hij zich in het huis mag bewegen, en dergelijke. Een franchisingnemer is zeer gedetailleerd gebonden in de exploitatie van zijn handelszaak. Dit resulteert in een grote economische afhankelijkheid welke echter onvoldoende werd geacht om het arbeidsrechtelijk gezagsbegrip bewezen te achtten. (Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 4deK., 22 juni 1995, A.R. 92/397, R.S.Z. t/ A. d. O., Gh.)

Besluitend kan gesteld worden dat, teneinde het bestaan van een arbeidsovereenkomst aan te tonen, weliswaar het bewijs geleverd dient te worden dat er een potentiële doch reële gezagsverhouding tussen de partijen bestond, maar dat dit bewijs op zich onvoldoende is. Niet elke vorm van feitelijk gezag impliceert het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Bijkomend zal de precieze aard van dit «gezag» dienen te worden nagegaan meer bepaald waarin het verschilt van de bindende kracht van elke overeenkomst.

Uit de legitimatie van het gezag in artikel 17 van de Arbeidsovereenkomst volgt dat het gezag beperkt is tot de «uitvoering van de arbeidsovereenkomst». Uit de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat de uitvoering van een arbeidsovereenkomst «het verrichten van arbeid» beoogt.

2.2.3. Arbeid verrichten

Naast de gezagsverhouding dient eveneens aangetoond te worden dat de overeenkomst «het verrichten van arbeid» beoogt.

Deze term betekent de «moeite, inspanning van lichamelijke en/of geestelijke krachten om iets te verrichten, te verkrijgen, of tot stand te brengen» (Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, elfde herziene druk, Utrecht/Antwerpen, verbo «Arbeid».) Deze term is dermate ruim dat zowel in een ondergeschikt als in een zelfstandig samenwerkingsverband kan passen (Benelux Sociaalrechtelijk Woordenboek, verbo «Arbeid») Teneinde de bedoeling van de wetgever bij het hanteren van deze term te zoeken, is de afgeleide betekenis interessant nu dit begrip in de natuurkunde en mechanica eveneens betekent «het werk dat een energiebron levert» (Van Dale, ibidem, betekenis 6).

Deze terminologie past inderdaad in de benadering van de werknemer bij het ontstaan van het sociaal recht, toen deze als productiemiddel beschouwd werd (Planiol, Droit civil, t. II, 9e ed., nrs. 1827, 1897 en 1899: «la force de travail qui réside en chaque personne et qui peut être utilisée par autrui, comme celle d‘une machine ou d‘un cheval. Cette force peut être mise en location et c‘est précisément ce qui arrive dans ce contrat où la rémunération du travail est proportionelle au temps...»), waarbij het gezag van de werkgever grotendeels gestoeld werd op diens eigendomsrecht over deze productiemiddelen. (Humblet, P., «De gezagsuitoefening door de werkgever», in R.S.R., Kluwer, 1994, p. 74).

Binnen deze context bedoelt men dus «het verrichten van arbeid» als een door de werkgever huren van, een beroep doen op de energie van de werknemer in het productieproces.

Vanuit organisatorisch standpunt betekent zulks dat bedoeld wordt dat de werknemer binnen de onderneming in de functionele onderverdeling van de productie in afzonderlijke productieprocessen een taak op zich neemt die een onmisbare schakel vormt in het bereiken van het maatschappelijk doel (Humblet, P., a.w., Hoofdstuk II). Vanuit deze benadering kan arbeid onderscheiden worden ten aanzien van producten en diensten die een onderneming extern aankoopt of betaalt. Wanneer de inbreng van de «werknemer» neerkomt op een in de onderneming intern voorziene schakeling van aaneensluitende taken, komt zijn inbreng enkel neer op het leveren van energie, arbeid om deze taak in te vullen. Een beroep doen op soortgelijke activiteiten die extern worden uitgevoerd, betekent ten aanzien van de onderneming het verwerven van een min of meer omlijnd en op de handelsmarkt verhandelbaar product, en overstijgt derhalve het louter aanwenden van arbeid.

Vanuit deze principes volgt dat de term «verrichten van arbeid» als kenmerk van de arbeidsovereenkomst, refereert aan die activiteiten die uitgevoerd dienen te worden in het kader van intern door de werkgever georganiseerde taken die een onmisbare schakel vormen in het totale door de werkgever beoogde productieproces, en waarvan de omschrijving van de inhoud behoort tot het normaal beleidsrecht van de werkgever als ondernemingshoofd.

Uit de samenwerkingsovereenkomst zal derhalve afgeleid moeten worden of onder de omschrijving van het voorwerp van de arbeid, hetzij een extern product of dienst bedoeld werd dat de werkgever poogde te verwerven, dan wel of hierdoor de taak werd aangeduid welke de werknemer in het intern productieproces zal dienen te bemannen.

In ruil voor het verrichten van arbeid verwerft de werknemer recht op loon, hetwelk eveneens als kenmerkende eigenschap van een arbeidsovereenkomst beschouwd wordt.

2.2.4. Het loon

Dit criterium is allicht het minst adequate om een arbeidsovereenkomst als dusdanig te typeren. Er bestaan immers diverse loontypes, zoals uurloon, weekloon, maandloon, commissieloon,...

Een aannemingsovereenkomst in regie bepaalt zijn prijs eveneens per gepresteerde arbeidsduur.

Het recht op loon volgt uit een arbeidsovereenkomst, zodat de afwezigheid ervan evengoed op een nalatigheid of een inbreuk door de werkgever kan wijzen, dan dat zij het bestaan van een arbeidsovereenkomst zou kunnen tegenspreken.

Niettemin kunnen uit een bedongen geldelijke waardering van de arbeid indicaties worden afgeleid ten aanzien van bovengenoemde criteria. Zo bijvoorbeeld de bedongen arbeid neerkomt op het invullen van een interne taak in de onderneming, zal de beloning veeleer het bemannen van die functie compenseren dan de concrete arbeid, zodat ook loon verschuldigd is voor bepaalde periodes van inactiviteit, wat moeilijker verzoenbaar is met een zelfstandige samenwerking, waar veeleer de belangrijkheid van het eindproduct wordt betaald.

2.3. Toepassing op huidige betwisting

Vanuit deze principes dient besloten te worden dat betrokken radiologen bezwaarlijk als loontrekkenden aangemerkt kunnen worden. (Cass., 2 april 1979, R.W., 1978-79, 2112; Cass., 9 mei 1988, R.W., 1988-89, 677; Arbh. Antwerpen, 5 maart 1987, R.W., 1987-88, 622; Arbh. Antwerpen, 6 februari 1980, R.S.Z./V.V., niet gepubliceerd; Antwerpen, 14 december 1977, R.S.Z./C.O.O. Edegem, niet gepubliceerd; Arbh. Gent, 9 januari 1995, G./Alg. Ziekenhuis de Vrouw van Troost, niet gepubliceerd; Arbh. Gent, afd. Brugge, 27 december 1991, R.S.Z./O.C.M.W. Blankenberge, onuitgegeven; Arbh. Gent, 13 april 1987, D.B./V.Z.W. Bond Moyson; Arbh. Brussel, 20 januari 1983, Medisch. Inst./R.S.Z., onuitgegeven; Arbh. Brussel, 30 oktober 1979, T.S.R., 1980, 39; Arbrb. Kortrijk, 6 augustus 1977, T.S.R., 1977, R.S.Z./V.Z.W. G.; Arbrb. Kortrijk, 28 april 1988, B./V.Z.W. Gezondheidscentrum; Arbrb. Luik, 23 april 1991, T.S.R., 1991, 373).

Allereerst wordt geen concrete persoon aangewezen die op reële wijze bij machte is gezag uit te oefenen op de arbeid zelf van deze geneesheren.

De opdrachten welke de radiologen toegewezen krijgen, zijn verwijzingsopdrachten van andere geneesheren en niet van het ziekenhuis zelf. Het is ook aan deze opdrachtgevers dat de radiologen verantwoording dienen af te leggen. Deze verantwoording is niet die van een werknemer ten aanzien van zijn werkgever, doch een specifieke verantwoording die volgt uit het medische ambt zelf.

De radiologen krijgen geen lokalen ter beschikking, nu zij het gebruik ervan zelf dienen te vergoeden. De inhoud van hun taak is weliswaar het «bemannen» van een voor het ziekenhuis noodzakelijke dienst, derhalve een vervullen van een taak eigen aan het «productieproces» van het ziekenhuis. Deze activiteiten zijn echter evenzeer een quasi-autonome dienst welke als een geheel binnen het ziekenhuis functioneert waarvan de geneesheren de organisatie bepalen en het werk verrichten. In die zin kan de dienst evenzeer worden beschouwd als een dienst, «product» dat extern, al is het in de gebouwen zelf, door het ziekenhuis wordt verworven.

Het ziekenhuis draagt geen zorg of verantwoordelijkheid wat de interne gang van zaken binnen de Dienst betreft. Al is de situatie niet eenduidig, de organisatie is in ieder geval niet tegenindicatief voor een zelfstandige bedrijvigheid.

Waarin de redenering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid echter duidelijk faalt, is de aanwezigheid van een geldig argument, op grond waarvan besloten kan worden dat de radiologen tegen loon arbeid verrichten. Uit het dossier blijkt immers dat niet de radiologen door het ziekenhuis, maar het ziekenhuis door de radiologen betaald wordt. De radiologen worden niet door het ziekenhuis betaald voor het bemannen van een deel van het productieproces, maar worden betaald door de individuele patiënten waarvoor zij prestaties uitvoeren. Op het moment dat het ziekenhuis de honoraria int, komen deze rechtstreeks in het vermogen van de radiologen. In die zin ontbreekt dus elke geldstroom van het ziekenhuis naar de radiologen.

Het loon als basiskenmerk om tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst te besluiten ontbreekt dus volledig.

Nu geen arbeidsovereenkomst wordt aangetoond, wordt evenmin de onderworpenheid en de bijdrageplicht bewezen. Bij gebreke hieraan dient de onderwerping aan de wettelijke uitzonderingen bepaald door artikel 1, § 3, van de R.S.Z.-Wet, niet verder onderzocht te worden.

Noot: 

Vincent Dooms, Nogmaals over de kwalificatie van de overeenkomst, RABG 2012/14, 954

Aanvullende rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 26 maart 2013, RW 2013-2014, 1062

samenvatting:

De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in de Arbeidsrelatiewet, meer bepaald in art. 333 van deze wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen en de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.

De rechter dient na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

tekst arrest:

II. Beslissing van het Hof

...

Beoordeling

...

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van art. 16 Voorafgaande Titel Sv. en art. 331, 332, 333 en 334 Arbeidsrelatiewet: het arrest veroordeelt de eiser op grond van een gezagsrelatie en bijgevolg van een arbeidsrelatie; het baseert zich evenwel op criteria die niet vallen onder die van art. 333 Arbeidsrelatiewet en die bovendien geen herkwalificatie van een overeenkomst als zelfstandige in een arbeidsovereenkomst kunnen rechtvaardigen; de arbeidsomstandigheden zijn niet onverenigbaar met het sociaal statuut van zelfstandige; het arrest toont niet aan dat erdoor in aanmerking genomen criteria onverenigbaar zijn met het bestaan van een overeenkomst als zelfstandige.

13. De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in de Arbeidsrelatiewet, meer bepaald in art. 333 van deze wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen en de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.

14. Het staat aan de rechter na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

15. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel vermeldt, maar ook: “het hof verwijst in dit verband onder meer naar de afwezigheid van keuze om al dan niet de activiteit te presteren en het feit dat [de eiser] directe controle en toezicht kon uitoefenen op de prestaties uitgevoerd door de betrokkenen die exclusief een functie hadden van uitvoerder door enkel hun arbeidskracht ter beschikking te stellen. Uit de verklaringen van betrokkenen blijkt duidelijk dat zij niet de aan het statuut van zelfstandige eigen vrijheid hadden wat de organisatie van hun werk en werktijd betreft”.

16. Op grond van deze feitelijke vaststellingen oordeelt het arrest wettig dat deze vastgestelde gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...
Zie ook: Cass. 6 december 2010, RW 2011-12, 614.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 12/10/2017 - 17:35
Laatst aangepast op: do, 12/10/2017 - 17:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.