-A +A

Raad van state - nieuwe vordering tot schorsing indien deze steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 07/09/2017
A.R.: 
239.033

Luidens art. 17, § 2, derde lid RvS-Wet kan een nieuwe vordering tot schorsing (slechts) worden ingesteld, indien deze steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
865
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 239.033

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 30 augustus 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het (...) college te Kortrijk van 17 augustus 2017 om aan M.T. een oriënteringsattest C toe te kennen.

...

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

5. Verzoekster heeft reeds eerder een vordering tot schorsing ingesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Bij arrest nr. 238.983 van 30 augustus 2017 is die vordering afgewezen. Volgens dit arrest was de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aangetoond.

Verzoekster mag het hiermee niet eens zijn, dat neemt niet weg dat dit arrest gezag van gewijsde heeft, zoals de verwerende partij in haar nota opmerkt. Volgens verzoekster gedraagt zij zich evenwel naar het gezag van gewijsde, omdat zij thans een zeer uitvoerige uiteenzetting geeft van de redenen waarom een gewone schorsing te laat zou komen en het voormelde arrest enkel vaststelde dat die uiteenzetting ontbrak.

Wat daar ook van zij, verzoekster verliest hoe dan ook uit het oog dat luidens art. 17, § 2, derde lid RvS-Wet een nieuwe vordering tot schorsing slechts kan worden ingesteld, in het geval als het voorliggende, «indien deze steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen».

Op de terechtzitting uitdrukkelijk ondervraagd over de elementen in de uiteenzetting die volgens verzoekster nieuw zijn, erkent de raadsman dat de aangevoerde feiten reeds bestonden ten tijde van de eerste vordering. Zijn zienswijze, dat alle elementen die niet eerder in het verzoekschrift waren verwoord «nieuwe elementen» zijn, kan echter niet worden bijgevallen. Zelfs al bevat de uiteenzetting van verzoekster elementen die niet in het eerste verzoekschrift op papier waren gezet, dan blijkt niet dat het gegevens zijn die toentertijd niet bekend waren of het niet moesten zijn.

6. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad, gelet op het bepaalde in art. 17, § 2, derde lid RvS-Wet, niet anders kan dan de huidige vordering afwijzen wegens ontbreken van nieuwe elementen die de spoedeisendheid rechtvaardigen.

...

Noot: 

Lust, P.-D.-S., « De spoedeisendheid in het administratief kort geding », R.A.B.G., 2016/12, p. 872-875

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/01/2018 - 18:03
Laatst aangepast op: zo, 28/01/2018 - 18:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.