-A +A

Raad van State en termijnen zaterdag en zondag zijn geen werkdagen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 26/06/2007
A.R.: 
230.088

Krachtens het (nieuwe) art. 53bis, 2° Ger.W. begint de termijn – te dezen de termijn om een cassatieberoep in te stellen – ten aanzien van de geadresseerde, te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Krachtens art. 54 Ger.W. wordt een in maanden bepaalde termijn berekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de zaterdag en de zondag niet als een werkdag beschouwd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1343
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 230.088

Uittreksel uit het verslag van auditeur J. Neuts

7.1. De vraag of een annulatieberoep op ontvankelijke wijze is ingesteld, is een vraag die de Raad van State – en dus ook de auditeur – desnoods ambtshalve dient te onderzoeken. In dat verband merkt de auditeur-verslaggever het volgende op.

7.2. Naar luid van art. 4, § 1, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 “tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State” (hierna: algemeen procedurereglement), verjaren de beroepen bedoeld in art. 14, §§ 1 en 3 RvS-Wet zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend.

Art. 4, § 2, derde en vierde lid van het algemeen procedurereglement, zoals ingevoegd bij KB van 24 mei 2011 “tot wijziging van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State”, luiden:

“Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.

“Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering”.

7.3. De bestreden beslissing is met een ter post aangetekende brief van vrijdag 6 september 2013 aan verzoeker ter kennis gebracht. Met toepassing van de aangehaalde bepalingen, vangt de beroepstermijn aan de derde werkdag die volgt op vrijdag 6 september 2013.

Dat zondag 8 september 2013 geen werkdag is, in de zin van de voormelde bepalingen, is niet voor betwisting vatbaar. Dan rest nog de vraag of zaterdag 7 september 2013 wel of niet een werkdag is.

7.4. In een arrest nr. 221.454 van 22 november 2012 oordeelde de Raad van State als volgt:

“Blijkens het verslag aan de Koning dat het KB van 24 mei 2011 voorafgaat, heeft deze bepaling tot doel de rechtspraak die art. 53bis Ger.W. naar analogie toepast, te bevestigen.

“In een arrest van 30 januari 2009 heeft het Hof van Cassatie impliciet geoordeeld dat, voor de toepassing van art. 53bis, 2o Ger.W., de zaterdag geen werkdag is.

“Gelet op de analogie met art. 53bis Ger.W. dient ook voor de toepassing van art. 4, § 2, derde lid van het algemeen procedurereglement de zaterdag niet als een werkdag te worden beschouwd”.

Dit arrest lijkt (impliciet) navolging te hebben gekregen in het arrest van de Raad van State nr. 223.369 van 3 mei 2013, Bajramowski, waarin werd vastgesteld dat de kennisgeving van de bestreden beslissing had plaatsgevonden met een aangetekende brief van 23 december 2011 en waarbij woensdag 28 december 2011 als de “derde werkdag die volgt op de verzending van de brief” werd aangemerkt (maandag 26 december géén wettelijke feestdag zijnde). Ook in een eerder arrest van de Ve Kamer werd (impliciet) al in die zin geoordeeld (RvS 22 april 2009, nr. 192.557, gemeente Riemst). In die laatste zaak kon weliswaar de huidige formulering van art. 4, § 2 van het algemeen procedurereglement nog niet aan de orde zijn; er werd in die zaak een analoge toepassing gemaakt van art. 53bis Ger.W.

De Raad van State zoekt voor zijn standpunt – enkel – steun in een arrest van het Hof van Cassatie van 30 januari 2009 (D.08.0007.N). Dat arrest verklaart het betrokken cassatieberoep laattijdig en dus niet-ontvankelijk, waarbij volgende overwegingen cruciaal zijn:

“[...]

“Krachtens art. 53bis, 2o Ger.W., begint de termijn, wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief, ten aanzien van de geadresseerde te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

[...]

“3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de kennisgeving van de bestreden beslissing aan de eiser geschiedde bij een op donderdag 13 maart 2008 ter post afgegeven aangetekende brief, zodat de termijn van een maand om zich in cassatie te voorzien is ingegaan op dinsdag 18 maart 2008 [...]”.

Uit deze bewoordingen van het arrest moet – impliciet – worden afgeleid dat, als op donderdag 13 maart 2008 de overhandiging van de aangetekende brief met de bestreden beslissing aan de postdiensten plaatsvond en de derde werkdag volgend op die afgifte dinsdag 18 maart 2008 is, het Hof zaterdag 15 maart 2008 niet heeft beschouwd als een “werkdag” in de zin van art. 53bis, 2o Ger.W. Het Hof doet er het zwijgen toe op welke gronden tot dat besluit komt. De rechtzoekende heeft er het raden naar, tenzij wordt teruggegrepen naar de conclusie van de advocaat-generaal:

“[...]

“Krachtens het (nieuwe) art. 53bis, 2° Ger.W. begint de termijn – te dezen de termijn om een cassatieberoep in te stellen – ten aanzien van de geadresseerde, te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Krachtens art. 54 Ger.W. wordt een in maanden bepaalde termijn berekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste. De verweerster gaat er klaarblijkelijk vanuit dat de zaterdag geen werkdag is. De eerste werkdag, in dit geval dus een vrijdag en de tweede een maandag zijnde, was de derde werkdag dinsdag 18 maart 2008. De cassatietermijn verliep dus op 17 april 2008. [De] op 18 april 2008 ter griffie van het Hof neergelegde voorziening is derhalve een dag te laat ingesteld.°“De vraag kan dus gesteld [worden] of, voor de toepassing van art. 53bis, 2o Ger.W. de zaterdag al dan niet een werkdag is.

“In deze zaak is het antwoord op deze vraag weliswaar niet beslissend: als de zaterdag wel als een werkdag beschouwd wordt, is het cassatieberoep alleszins laattijdig, daar de derde werkdag dan maandag 17 maart 2008 is ... en de cassatietermijn dan verliep op woensdag 16 april 2008.

“In uw arrest zal U evenwel deze derde werkdag toch moeten bepalen om het begin van de cassatietermijn vast te stellen, zodat daaruit minstens impliciet zal blijken hoe het Hof die zaterdag kwalificeert en zodat de vraag dan toch niet zonder belang is.

“Het (impliciete) standpunt van de verweerster (zaterdag is geen werkdag) lijkt me te moeten worden gevolgd.

In een artikelsgewijze commentaar op art. 53bis Ger.W. (D. Scheers, “Commentaar op art. 53bis Ger.W”. in Comm.Ger.) leest men dat in het burgerlijk procesrecht de zaterdag geen werkdag is en dat dit afgeleid kan worden uit de tekst van art. 53 Ger.W., waarvan het tweede lid bepaalt dat de vervaldag van een termijn wordt verplaatst naar de eerstvolgende werkdag, wanneer die een zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag is. Deze vergelijking is niet adequaat in de mate dat deze tekst betrekking heeft op de zaterdag als vervaldag, d.i. de dag waarop de termijn – zoals die om een als in art. 48 Ger.W. bedoelde proceshandeling (bv. een cassatieberoep) te verrichten – eindigt, d.i. ook een dag waarop de griffie is gesloten en waarop deze proceshandeling ter griffie dus niet kan worden verricht – behoudens elektronische handeling, bedoeld in het nieuwe art. 52, tweede lid Ger.W. – terwijl art. 53bis Ger.W. het begin van die termijn bepaalt. Dus geldt art. 53, tweede lid Ger.W. niet noodzakelijk als motief voor dezelfde interpretatie van art. 53bis Ger.W., dat bovendien nieuw is.

De verweerster haalt het Kamerdocument aan houdende het wetsontwerp m.b.t. de toevoeging van art. 53bis (Parl.St. Kamer 2004-05, 51, 1309/01, p. 7), waarbij de zekerheid bestaat dat de geadresseerde heeft kennis genomen of heeft kunnen nemen van de inhoud van de kennisgeving en waarin wordt aangegeven dat deze oplossing overeenstemt met het arrest van het Arbitragehof van 17 december 2003, waarop de verweerster zich ook baseert.

Dit stuk biedt echter evenmin een antwoord op de actuele vraag. De wetgever heeft zich om het begrip werkdag zelfs in het geheel niet bekommerd (J. Laenens, “Over termijnen en verzoekschriften in het civiele geding”, RW 2005-06, 1405). Voor het tegengestelde standpunt (zaterdag = werkdag), afgeleid uit deze gebruikelijke betekenis in het arbeidsrecht (werkdagen zijn alle dagen, met uitzondering van de zon- en feestdagen) (ibid.) vindt men in dit stuk dus ook geen argument.

Wat is dan het meest verantwoorde standpunt?

Het lijkt me gewoon te moeten zijn dat, in de hedendaagse maatschappij, waarin ook de vrije tijd hoog wordt ingeschat, de modale rechtzoekende burger in de regel dus ook over een vrije zaterdag moet kunnen beschikken, ongeacht of deze dag enkel een vervaldag is. Als hij niet verplicht kan worden, in een burgerlijk geding, nog tijdig, in allerijl, een rechtshandeling te verrichten op een zaterdag en omdat hij dat ook ter griffie niet kan doen, kan hij (a fortiori?) niet genoopt worden, behalve in de door de wet uitdrukkelijk bepaalde gevallen, als belanghebbende partij op deze dag te reageren op de kennisgeving van een (rechterlijke) beslissing en deze “vrije” dag te imputeren op de wettelijke termijn om tegen deze beslissing eventueel op te komen.

Conclusie: verwerping”.

De auditeur-verslaggever is van oordeel dat dit standpunt niet kan worden bijgevallen.

Allereerst kan worden vastgesteld dat de advocaat-generaal erkent dat noch in art. 53bis Ger.W., noch in de parlementaire stukken die aan de invoeging van die bepaling voorafgaan, noch in de met dat artikel verband houdende bepalingen, enige indicatie is terug te vinden waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever van oordeel is dat, voor de toepassing van art. 53bis Ger.W., de zaterdag niet als een werkdag mag worden beschouwd.

De reden waarom de advocaat-generaal een zaterdag toch niet als een werkdag wil beschouwen, is gelegen in het feit dat “in de hedendaagse maatschappij, waarin ook de vrije tijd hoog wordt ingeschat, de modale rechtzoekende burger in de regel dus ook over een vrije zaterdag moet kunnen beschikken, ongeacht of deze dag enkel een vervaldag is”.

Die zienswijze overtuigt niet.

De “werkdag” waarvan hier sprake, vormt slechts de aanloop naar het moment waarop de beroepstermijn zal ingaan. Er wordt in die aanloop van de bestuurde in het geheel niets verwacht: er wordt op dat ogenblik geen enkele “reactie op de kennisgeving van de beslissing” gevraagd; die dag wordt ook hoegenaamd niet aan zijn beroepstermijn aangerekend, nu – te dezen – de beroepstermijn op die zaterdag / “vrije dag” zelfs nog geen aanvang heeft genomen. In elk geval wordt in die periode zeker geen (proces)handeling van de betrokkene verwacht. De auditeur-verslaggever ziet dan ook niet in waarom, in die concrete omstandigheden, zaterdag per se een “vrije dag” zou moeten zijn. Overigens kan de bedenking worden gemaakt dat die “vrije zaterdag” dan niet geldt wanneer de betekening gebeurt bij aangetekende brief met ontvangstmelding, want in dat geval “is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de ontvangst van de brief en is hij inbegrepen in de termijn” (art. 4, § 2, eerste lid van het algemeen procedurereglement).

Dit klemt des te meer nu in de beroepstermijn van zestig dagen die daarop volgt, wel alle zaterdagen én zondagen én feestdagen worden meegeteld. Wanneer dus wel een proceshandeling van de bestuurde wordt verwacht – in casu het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring – blijken die zaterdagen, maar zelfs de zon- en feestdagen – die laatste kunnen zeker niet als “werkdag” worden beschouwd – dan weer niet langer heilig. Het bovenstaande lijdt dan weliswaar uitzondering als de beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zon- of feestdag, in welk geval de beroepstermijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag (art. 88, derde lid van het algemeen procedurereglement).

Daarbij komt nog dat de wetgever met de wet van 29 december 2010 “houdende diverse bepalingen (II)” (zie art. 35 van de wet van 29 december 2010 “houdende diverse bepalingen (II)”) een tweede paragraaf heeft toegevoegd aan art. 39/57 van de wet van 15 december 1980 “betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen” (hierna: de wet van 15 december 1980), bepaling die betrekking heeft op de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De eerste paragraaf van art. 39/57 van de wet van 15 december 1980 bepaalt de beroepstermijnen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De tweede paragraaf verduidelijkt – sinds de wet van 29 december 2010 – wanneer de in de eerste paragraaf bepaalde beroepstermijnen een aanvang nemen:

“De in paragraaf 1 bepaalde beroepstermijnen beginnen te lopen:

[...]

2o wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst”.

Aldus vertoont deze bepaling zeer sterke gelijkenissen met art. 4, § 2, derde lid van het algemeen procedurereglement, ware het niet dat het laatste lid van de tweede paragraaf van art. 39/57 van de wet van 15 december 1980 uitdrukkelijk bepaalt dat “[v]oor de toepassing van deze bepaling [ ...] als werkdag wordt beschouwd, elke dag niet zijnde een zaterdag, zon- of feestdag”.

Van een dergelijke bepaling is bij de invoeging van een tweede paragraaf in art. 4 van het algemeen procedurereglement geen sprake. Met andere woorden, in tegenstelling tot art. 39/57, § 2 van de wet van 15 december 1980, sluit art. 4, § 2 van het algemeen procedurereglement – overigens net als art. 53bis Ger.W. zaterdag niet uit als werkdag.

7.5. Uit wat voorafgaat volgt m.i. dat er geen reden bestaat om af te wijken van wat vaste rechtspraak van de Raad van State mag heten, namelijk dat het begrip “werkdag”, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling in de andere zin, moet worden begrepen in zijn gebruikelijke betekenis en dat het aldus als “dag waarop gewerkt wordt” alle dagen van de week omvat, behalve de zon- en feestdagen. Een zaterdag is bijgevolg een werkdag, ook al is hij geen dat van arbeid voor iedereen (zie bv.: RvS 12 februari 1997, nr. 64.482, Nicaise; RvS 14 mei 1997, nr. 66.241, Philippe; RvS 9 december 1997, nr. 70.102, Achten; RvS 8 oktober 1999, nr. 82.784, Jaumain; RvS 20 februari 2001, nr. 93.411, Achten; RvS 17 januari 2003, nr. 114.626, De Hondt; RvS 18 februari 2004, nr. 128.250, Joachim; RvS 15 februari 2005, nr. 140.681, gemeente Paliseul; RvS 24 oktober 2005, nr. 150.547, Feyen; RvS 27 april 2010, nr. 203.312, Van Overstraeten; RvS 22 februari 2011, nr. 211.410, Ylen; RvS 26 juni 2012, nr. 219.952, Jordaens; RvS 16 december 2013, nr. 225.819, nv Kampeerverblijfpark Veronique; zie in dezelfde zin: J. Laenens, “Over termijnen en verzoekschriften in het civiele geding”, RW 2005-06, p. 1405, nr. 22; specifiek over art. 53bis, 2o Ger.W. schrijft deze auteur het volgende: “De wetgever voerde in het Gerechtelijk Wetboek weerom het begrip “werkdag” in, zonder zich te bekommeren om de draagwijdte ervan. Het woord werkdag moet allicht worden begrepen in de gebruikelijke betekenis in het arbeidsrecht en slaat aldus ook op zaterdagen. Werkdagen zijn alle dagen, met uitzondering van de zon- en feestdagen. Wordt bijvoorbeeld een gewone brief gepost op een vrijdag, dan begint de termijn te lopen op de daaropvolgende dinsdag”).

Zaterdag is m.i. voor de toepassing van de bovenvermelde bepalingen van het algemeen procedurereglement dan ook een werkdag, nu de toepasselijke regelgeving – in tegenstelling bijvoorbeeld tot art. 39/57, § 2 van de wet van 15 december 1980, voor wat de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft – geen uitdrukkelijke indicatie van het tegendeel bevat.

De aangetekende brief op vrijdag 6 september 2013 ter post afgegeven zijnde, is de derde werkdag als bedoeld in art. 4, § 2, derde lid van het algemeen procedurereglement te dezen dan ook dinsdag 10 september 2013. Dit is meteen ook de eerste dag van de beroepstermijn. Die termijn nam dan weer een einde op vrijdag 8 november 2013.

7.6. Verzoeker heeft zijn beroep maar ingesteld met een ter post aangetekende brief van dinsdag 12 november 2013. Hij verklaart in dat verband dat de beslissing van 6 september 2013 hem werd betekend op 12 september 2013.

De zinsnede “behoudens bewijs van het tegendeel”, waarvan sprake in art. 4, § 2, derde lid van het algemeen procedurereglement, mag er dan wel op zijn gericht de geadresseerde van de brief de mogelijkheid te bieden “het bewijs te leveren [dat] hij de brief op een andere, latere dag heeft ontvangen” (Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 24 mei 2011 “tot wijziging van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State”, BS 15 juni 2011, p. 34.657), daarmee wordt geenszins afbreuk gedaan aan de vaste rechtspraak van de Raad van State dat dit “ontvangen” regelmatig geschiedt – in het geval dat de bestemmeling niet thuis is – door het achterlaten van een bericht van de aangetekende zending in diens brievenbus en niet door het daadwerkelijk afhalen van het schrijven op het postkantoor (Vgl. RvS 18 november 2013, nr. 225.507, Gülsatar). Verzoeker brengt niet het minste bewijs bij dat voormeld bericht niet of op een latere datum in zijn brievenbus werd achtergelaten.

De auditeur-verslaggever heeft overigens zelf navraag gedaan bij de postdiensten in verband met de bestelling van de aangetekende zending van 6 september 2013. Die hebben op 13 mei 2014 aan de auditeur-verslaggever verklaard wat volgt: “Deze aangetekende zending werd op 9 september 2013 vruchteloos aangeboden bij de bestemmeling thuis, en er werd een bericht achtergelaten. Op 12 september 2013 om 11u06 heeft de bestemmeling ze in het postkantoor Sint-Andries te Brugge afgehaald”.

Voor zover enkel overmacht er dan nog anders kan toe doen besluiten, dient vastgesteld te worden dat verzoeker geen elementen bijbrengt die daarop wijzen.

7.7. Het beroep, ingesteld op dinsdag 12 november 2013, is m.i. derhalve laattijdig en dus niet ontvankelijk.

Arrest

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 november 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de delibererende klassenraad van de opleiding “hoger beroepsonderwijs verpleegkunde” van het V.-instituut te Brugge van 29 augustus 2013, waarbij wordt beslist dat N.d.S.d.R. niet geslaagd is voor de module “toegepaste verpleegkunde” en van de beslissing van de algemeen directeur van de scholengroep 27 van het Gemeenschapsonderwijs van 6 september 2013 om de over N.d.S.d.R. delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.

...

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

...

B. Ratione temporis

Exceptie

8. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve opgeworpen dat het voorliggende beroep, dat verzoeker heeft ingesteld op 12 november 2013, laattijdig is en derhalve niet ontvankelijk.

In haar laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij het auditoraatsverslag.

Beoordeling

9. De door verzoeker bestreden beslissing van de algemeen directeur is op vrijdag 6 september 2013 met een gewone aangetekende brief ter post afgegeven.

Luidens art. 4, § 2, derde en vierde lid van het algemeen procedurereglement is dan “de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn” en geldt het postmerk “als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering”.

Voor de toepassing van bedoeld artikel worden de zaterdag en de zondag niet als een werkdag beschouwd.

Dit betekent dat woensdag 11 september 2013 – dat is de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief – de eerste dag is van de termijn voor het indienen van huidig verzoekschrift, welke ook is inbegrepen in die termijn, en dat de verjaringstermijn van zestig dagen verstreek op zaterdag 9 november 2013. Omdat die dag echter een zaterdag is, wordt de vervaldag met toepassing van art. 88, derde lid van het algemeen procedurereglement verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

Aangezien 10 november 2013 een zondag is en maandag 11 november 2013 een feestdag, is het op de eerstvolgende werkdag, namelijk op dinsdag 12 november 2013 ingestelde beroep tijdig.

10. De exceptie wordt verworpen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/04/2016 - 13:13
Laatst aangepast op: ma, 18/04/2016 - 12:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.