-A +A

Raad van State betwisting mandaat advocaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 27/06/2017
A.R.: 
238.644

De zienswijze van verzoeker, dat enkel een «hard» bewijs het vermoeden kan weerleggen, kan de Raad evenwel niet bijvallen. Het staat aan de partij die de regelmatigheid van de beslissing om te handelen betwist, om dit door alle mogelijke rechtsmiddelen te bewijzen

Alle mogelijke rechtsmiddelen betekent, naar het oordeel van de Raad van State, dat het een partij onder meer toegelaten is het tegenbewijs te leveren op grond van vermoedens en om voldoende gewichtige, duidelijke en overeenstemmende indiciën aan de rechter voor te leggen die ernstige twijfels kunnen wekken, die minstens tot gevolg hebben dat de bewijslast wordt omgekeerd. Des te meer is dit zo, bedenkt de Raad van State, indien verzoeker in reactie op de verwerende partijen opmerkelijk ambigu blijft.

Het hier besproken vermoeden verplicht ertoe, tot weerlegging, aan te nemen dat de beslissing om een beroep in te stellen op regelmatige wijze van het wettelijk bevoegde orgaan is uitgegaan. Het stelt dit orgaan er niet van vrij om daarbij de verjaringstermijn na te leven, die immers in de annulatieprocedure voor de Raad van State de openbare orde raakt wegens de eigenheid van het objectief contentieux en de beginselen die de werking van de openbare dienst beheersen. Indien er al een regularisatie «te bekwamer tijd» denkbaar is, zoals verzoeker betoogt met verwijzing naar art. 848 Ger.W., dan nog kan dit ook enkel binnen de verjaringstermijn.

Anders oordelen zou aan de verjaringstermijn die zich in de procedures voor de Raad van State aan alle partijen opdringt, voor één categorie van partijen – rechtspersonen vertegenwoordigd door een advocaat – elke betekenis ontnemen en zo zou het weerlegbaar wettelijk vermoeden zelf zinloos worden.

Nog anders verwoord: het vermoeden dat de raadsman is gemandateerd, neemt niet weg dat de beslissing om een beroep in te stellen door het wettelijk bevoegde orgaan binnen de voorgeschreven termijn moet zijn genomen, zij het dat rechtspersonen die een beroep doen op de bijstand van een raadsman, het weerlegbaar vermoeden genieten dat die dubbele voorwaarde vervuld is. De weerlegbaarheid ziet dan ook op de beide voorwaarden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
626
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.G.D.K. t/ Sport Vlaanderen e.a.

Arrest nr. 238.644

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van «de beslissing van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 waarmee zij beslist een impulssubsidie toe te kennen aan de 19 in de bestreden beslissing vermelde projecten en geen impulssubsidie toe te kennen aan het project van [A.G.D.K.]».

...

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

...

Beoordeling

...

10. Naast het hier niet aan de orde staande vermoeden ten gunste van de lastgeving van de advocaat, heeft de wetgever met het bij de wet van 20 januari 2014 ingevoegde art. 19, zesde lid RvS-Wet ook een vermoeden ingesteld met betrekking tot de regelmatigheid van het besluit om in rechte te treden. De advocaat wordt immers verondersteld gemandateerd te zijn «door de handelingsbekwame persoon die hij beweert te vertegenwoordigen».

Uit de parlementaire bespreking van deze bepaling blijkt met andere woorden dat de wetgever voor ogen stond het weerlegbaar vermoeden in te voeren dat de advocaat over een lastgeving van zijn cliënt beschikt én dat de beslissing om in rechte te treden is genomen door een fysieke persoon die handelingsbekwaam is of door de wettelijk bevoegde organen van een rechtspersoon (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 18-19).

11. Art. 19, zesde lid RvS-Wet is geen door de wet ingevoerde fictie maar, zoals vermeld, een wettelijk vermoeden, dat – net zoals dat het geval is voor het vermoeden ingesteld bij art. 440, tweede lid Ger.W. – weerlegbaar is door de partij die de regelmatigheid van het mandaat betwist.

De Raad van State valt verzoeker hierin bij dat een partij aan zo’n weerleggen niet toekomt door loutere gissingen of twijfels te uiten. Dit zou immers de negatie zijn van de bewijslast die op de partij rust die de ontvankelijkheid betwist.

De zienswijze van verzoeker, dat enkel een «hard» bewijs het vermoeden kan weerleggen, kan de Raad evenwel niet bijvallen. Het staat aan de partij die de regelmatigheid van de beslissing om te handelen betwist, om dit «door alle mogelijke rechtsmiddelen te bewijzen», zo is te lezen in de memorie van toelichting bij wat art. 19, zesde lid RvS-Wet is geworden (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 19). Alle mogelijke rechtsmiddelen betekent, naar het oordeel van de Raad van State, dat het een partij onder meer toegelaten is het tegenbewijs te leveren op grond van vermoedens en om voldoende gewichtige, duidelijke en overeenstemmende indiciën aan de rechter voor te leggen die ernstige twijfels kunnen wekken, die minstens tot gevolg hebben dat de bewijslast wordt omgekeerd. Des te meer is dit zo, bedenkt de Raad van State, indien verzoeker in reactie op de verwerende partijen opmerkelijk ambigu blijft.

12. De verwerende partijen hebben de exceptie in de memorie van antwoord aan de hand van de voor hen beschikbare of beschikbaar gestelde documenten voldoende onderbouwd met de hiervóór vermelde vaststellingen, die alle in de richting wijzen dat de raad van bestuur niet eerder dan op 28 juni 2016 is opgetreden, wat ondertussen ook zo gebleken is.

13. Het hier besproken vermoeden verplicht ertoe, tot weerlegging, aan te nemen dat de beslissing om een beroep in te stellen op regelmatige wijze van het wettelijk bevoegde orgaan is uitgegaan. Het stelt dit orgaan er niet van vrij om daarbij de verjaringstermijn na te leven, die immers in de annulatieprocedure voor de Raad van State de openbare orde raakt wegens de eigenheid van het objectief contentieux en de beginselen die de werking van de openbare dienst beheersen. Indien er al een regularisatie «te bekwamer tijd» denkbaar is, zoals verzoeker betoogt met verwijzing naar art. 848 Ger.W., dan nog kan dit ook enkel binnen de verjaringstermijn. Anders oordelen zou aan de verjaringstermijn die zich in de procedures voor de Raad van State aan alle partijen opdringt, voor één categorie van partijen – rechtspersonen vertegenwoordigd door een advocaat – elke betekenis ontnemen en zo zou het weerlegbaar wettelijk vermoeden zelf zinloos worden. Nog anders verwoord: het vermoeden dat de raadsman is gemandateerd, neemt niet weg dat de beslissing om een beroep in te stellen door het wettelijk bevoegde orgaan binnen de voorgeschreven termijn moet zijn genomen, zij het dat rechtspersonen die een beroep doen op de bijstand van een raadsman, het weerlegbaar vermoeden genieten dat die dubbele voorwaarde vervuld is. De weerlegbaarheid ziet dan ook op de beide voorwaarden.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/12/2017 - 11:55
Laatst aangepast op: zo, 10/12/2017 - 11:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.