-A +A

Raad van State administratieve overheden ten aanzien waarvan de raad van state bevoegd is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 26/06/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
417

...

4.1. Overwegende dat verzoekster geen aangestelde is van de R.I.B.Z. of een anderszins met een overeenkomst verbonden werkneemster van die vereniging; dat conform art. 17, § 5, en art. 20, § 1, van het rechtspositiedecreet verzoekster – zoals elk ander tijdelijk personeelslid – wordt aangeworven door de directeur, weliswaar wat haar betreft dan op voordracht van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer; dat ook bij een eventuele latere vaste benoeming krachtens art. 37, § 1, van het rechtspositiedecreet de voordracht is vereist van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, maar de benoeming zelf gebeurt door de raad van bestuur van de scholengroep van het Gemeenschapsonderwijs; dat de instelling met rechtspersoonlijkheid «het Gemeenschapsonderwijs», waarvan de organen de beslissing tot aanstelling of benoeming nemen, als functioneel gedecentraliseerde dienst onbetwist een administratieve overheid is; dat verzoekster, als personeelslid van dat Gemeenschapsonderwijs, de wettigheid van de haar betreffende rechtspositionele beslissingen die uitgaan van het Gemeenschapsonderwijs aan het oordeel van de Raad van State mag onderwerpen met inachtneming van de algemene regels die de ontvankelijkheid van dergelijke beroepen beheersen;

4.2. Overwegende dat de handelingen die verzoekster te dezen mede bestrijdt, beslissingen zijn die niet uitgaan van het Gemeenschapsonderwijs, maar van organen van de R.I.B.Z. en waarbij haar voordracht voor het schooljaar 2003-2004 en voor het schooljaar 2004- 2005 wordt ingetrokken of geweigerd; dat de vraag rijst of ook die handelingen onderworpen kunnen worden aan de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State; dat immers overeenkomstig art. 14, § 1, van de R.v.St.-Wet deze enkel kennis mag nemen van beroepen tot nietigverklaring, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel;

Overwegende dat buiten betwisting staat dat de R.I.B.Z. niet kan worden beschouwd als een openbare dienst in de organieke betekenis; dat de R.I.B.Z. een vereniging zonder winstoogmerk is die is opgericht door privépersonen;

Overwegende dat een dergelijke vereniging in beginsel geen handelingen stelt die aan de wettigheidscontrole van de Raad van State zijn onderworpen; dat evenwel het enkele feit dat een instelling geen organiek verband heeft met de overheid, de bevoegdheid van de Raad van State niet uitsluit; dat immers instellingen die zijn opgericht door privépersonen, maar erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, als administratieve overheden kunnen optreden in de zin van art. 14 van de R.v.St.-Wet, mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden; dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen daarbij een deel van het openbaar gezag uitoefenen; dat het feit dat de R.I.B.Z. een instelling is die is opgericht door privépersonen en door privépersonen kan worden afgeschaft, niet uitsluit dat het hem toegelaten kan zijn beslissingen te nemen die derden binden;

5.1. Overwegende dat de R.I.B.Z. zelf doet gelden de «erkende» vereniging te zijn om de taken van inspectie en begeleiding van een levensbeschouwelijk vak – de niet-confessionele zedenleer – uit te voeren in het raam van het inspectiedecreet; dat dit refereert aan de erkenning bedoeld in art. 5, eerste lid, van het inspectiedecreet: «Per erkende godsdienst en voor de niet- confessionele gemeenschap wordt slechts één instantie of één vereniging erkend door de Vlaamse regering voor het uitvoeren van de in dit decreet vermelde opdrachten»;

Overwegende dat de thans voorliggende beslissing evenwel niet kadert in een van de taken die de R.I.B.Z. uitoefent op grond van het inspectiedecreet, maar wel te situeren valt in het rechtspositiedecreet;

Overwegende dat de R.I.B.Z. verschillende bevoegdheden uitoefent bij de aanstelling, de benoeming, de tucht en het ontslag van de leerkrachten niet-confessionele zedenleer in het Gemeenschapsonderwijs; dat zijn interventie als «bevoegde instantie» blijkens de desbetreffende bepalingen in het toepasselijke rechtspositiedecreet meestal onontbeerlijk is opdat het schoolbestuur rechtsgeldig kan beslissen;

Overwegende dat de decreetgever aldus in het rechtspositiedecreet verschillende taken specifiek heeft opgedragen aan de «bevoegde instantie» met betrekking tot de leerkrachten die instaan voor het onderricht in de niet-confessionele zedenleer dat door het Gemeenschapsonderwijs luidens art. 24, § 1, vierde lid, van de Grondwet tot het einde van de leerplicht moet worden aangeboden;

Overwegende dat de R.I.B.Z. deelt in de uitoefening van het openbaar gezag wanneer hij zich van de hem aldus door de decreetgever opgedragen taken kwijt;

Overwegende dat de R.I.B.Z. niet betwist als bevoegde instantie door de overheid erkend te zijn; dat art. 3, eerste lid, 32), van het rechtspositiedecreet daarover zelfs geen twijfel laat; dat zo een erkenning niet, zoals eerste verwerende partij betoogt, een loutere reglementering en stimulering van private activiteiten beoogt, maar wel degelijk ertoe strekt de R.I.B.Z. te habiliteren – en dan nog als enige voor de niet-confessionele gemeenschap – de taken uit te voeren die hem specifiek zijn opgedragen door de decreetgever bij het rechtspositiedecreet;

Overwegende dat art. 86, 9), van het rechtspositiedecreet, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, luidt:

«Onverminderd de bepalingen van artikel 23 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling worden de tijdelijk aangestelde en de vast benoemde personeelsleden tenzij anders bepaald ambtshalve en zonder opzegging ontslagen: (...) 9) vanaf het ogenblik waarop het hoofd van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer (thans vervangen bij decreet van 7 juli 2006, vanaf 1 september 2006: de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer), aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer een einde maakt.

Indien het een vast benoemd personeelslid betreft wordt hem een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld, wordt het buiten kader geaffecteerd aan een instelling en tewerkgesteld door de raad van bestuur die het met een opdracht kan belasten, en kan het, naar rato van de grootte van die opdracht, worden vervangen. Het geniet de brutowedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was»;

Overwegende dat hieruit volgt dat, eens dat is vastgesteld dat aan de in art. 86, 9), gestelde voorwaarden is voldaan, het schoolbestuur nog slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid; dat de beslissing van de R.I.B.Z. bijgevolg de definitieve ambtsneerlegging van het betrokken personeelslid determineert; dat de beslissing van de R.I.B.Z. aldus verschijnt als een voor derden – inzonderheid het schoolbestuur – bindende beslissing;

Overwegende dat te dezen aan de opdracht van verzoekster weliswaar geen onmiddellijk einde is gemaakt en zij van de inspecteur het schooljaar nog mocht beëindigen; dat dit slechts een kwestie van gradatie is; dat immers voor een aanstelling in het daaropvolgende schooljaar ook een voordracht vereist was van de R.I.B.Z. en uit de feiten blijkt dat de inspecteur die voordracht heeft geweigerd, of, met zijn woorden: ze heeft «ingetrokken»; dat die intrekking voor het volgende schooljaar in dezelfde mate rechtstreeks op het decreet gebaseerde verplichtingen doet ontstaan ten aanzien van het schoolbestuur, omdat verzoekster met de woorden van de inspecteur immers «niet meer in aanmerking zal komen voor een aanstelling als leermeester niet-confessionele zedenleer in de Scholengroep»; dat het schoolbestuur door het intrekken van die voordracht immers niet rechtsgeldig nog de aanstelling van verzoekster mocht verlengen;

Overwegende dat de R.I.B.Z. bijgevolg beantwoordt aan het voor de rechtsmacht van de Raad van State uiteindelijk determinerende criterium, namelijk de vraag of hij beslissingen kan nemen die derden kunnen binden;

5.2. Overwegende dat hetgeen voorafgaat tot de conclusie voert dat een beslissing waarbij de R.I.B.Z. ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs de voordracht van een leermeester niet-confessionele zedenleer intrekt en aan de opdracht een einde maakt, een rechtshandeling is die het voorwerp kan zijn van een nietigverklaring door de Raad van State; dat de Raad van State bevoegd is om van het beroep kennis te nemen;

6.1. Overwegende dat thans de noodzaak wordt onderzocht van de door de R.I.B.Z. voorgestelde prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof, ten aanzien van de zienswijze, «dat enkel de instantie, bevoegd voor de niet-confessionele zedenleer, gekwalificeerd wordt als administratieve overheid in de zin van art. 14 van de R.v.St.-Wet» en dat «een dergelijke kwalificatie niet zou worden opgedrongen aan de instanties of verenigingen van de overige levensbeschouwingen», en de volgens de R.I.B.Z. daaruit voortvloeiende schending van art. 10 en 11 van de Grondwet die hem ertoe brengen een vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld te willen zien;

6.2. Overwegende dat de bovenstaande conclusie evenwel niet was dat de R.I.B.Z. in alle omstandigheden een administratieve overheid is, maar wel dat hij optreedt «als» administratieve overheid voor bepaalde van zijn beslissingen of tenminste voor de in de huidige zaak bestreden beslissingen, zodat die beslissingen het karakter hebben van aanvechtbare administratieve rechtshandelingen;

Overwegende dat de redenering die tot de bovenstaande conclusie heeft geleid, niet anders is dan die welke toegepast zou moeten worden op een soortgelijke beslissing, getroffen krachtens dezelfde bepalingen van het rechtspositiedecreet, over een godsdienstleerkracht in het Gemeenschapsonderwijs, die uitgaat van de bevoegde instantie van een erkende eredienst; dat immers dezelfde regelgeving die hier is besproken de erkenning regelt van die bevoegde instanties en hun werking bepaalt in het raam van het rechtspositiedecreet; dat ook de derdenbindende werking van een dergelijke beslissing identiek is; dat de Raad van State overigens in zijn arrest nr. 135.938, Van Butsele, van 12 oktober 2004 tot een gelijke behandeling heeft besloten, waarin hij heeft overwogen «dat de Raad van State voor de voorliggende zaak dan ook de leer handhaaft, en gelet op de uitdrukkelijk gewilde gelijkstelling van de situatie van de leerkrachten levensbeschouwelijke vakken in art. 86, 9), van het rechtspositiedecreet bij art. 89 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI (zie ook Parl. St. Vl.P. 1998-1999, nr. 1377/2, p. 2 en 4, en nr. 1377/3, p. 17), te dezen tot de niet-confessionele zedenleer doortrekt, van de arresten nr. 16.993, Van Grembergen, van 25 maart 1975, nr. 24.004, Petit, van 22 februari 1984 en nr. 25.995, Van Peteghem, van 20 december 1985»; dat die overweging niet minder geldt in de voorliggende zaak; dat eerste verwerende partij bijgevolg beoogt de Raad van State een vraag te doen stellen over een interpretatie die de Raad niet bijvalt; dat er geen reden is om aan het Grondwettelijk Hof een «prejudiciële» vraag te stellen over een vermeende, maar niet aangetoonde ongelijke behandeling van de R.I.B.Z. tegenover «de instanties of verenigingen van de overige levensbeschouwingen»; dat de tweede door de R.I.B.Z. voorgestelde vraag niet ontvankelijk is;

7.1. Overwegende dat eerste verwerende partij ook voor de eerste door haar voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof waarin zij een toetsing voorstelt aan art. 19 van de Grondwet, uitgaat van de verkeerde premisse dat zij «als administratieve overheid» wordt gekwalificeerd; dat, als gezien, enkel bepaalde van door haar gestelde handelingen onder de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State worden geacht te komen;

Overwegende dat de Raad ten overvloede bedenkt dat hij in eerdere arresten, hiervoor vermeld, al heeft aangegeven dat het bestuur zich niet in de plaats van de levensbeschouwelijke instantie uit te spreken heeft over de kern van de betrokken levensbeschouwing of om de authenticiteit en geloofwaardigheid vast te stellen van degenen die het levensbeschouwelijk onderricht geven, mits de instantie binnen de perken van de haar gegeven bevoegdheid blijft; dat de Raad dat in de voorliggende zaak niet anders ziet; dat hij daarenboven ook de eigen opdracht als annulatierechter niet ruimer opvat;

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/11/2009 - 23:27
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.