-A +A

Prospectus aansprakelijkheid IPR

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
woe, 28/01/2015

Artikel 15, 1. van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding een verzoeker die als consument bij een beroepsmatig handelende derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zonder dat tussen die consument en de emittent van die obligatie een overeenkomst wordt gesloten - het is aan het verwijzende gerecht om dit te verifiëren - zich niet op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen die emittent instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.

Artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding een verzoeker die van een derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zonder dat de instelling die die obligatie heeft uitgegeven jegens die verzoeker vrijwillig een verbintenis is aangegaan - het is aan het verwijzende gerecht om dit te verifiëren - zich niet op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen die emittent instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.

Artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, voor zover die aansprakelijkheid niet berust op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, punt 1, van die verordening. Op grond van punt 3. van voormeld artikel 5 zijn de gerechten van de woonplaats van de verzoeker - uit hoofde van het intreden van de schade - bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.

In het kader van de toetsing van de bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 44/2001, hoeft geen uitgebreide bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Het aangezochte gerecht kan zijn internationale bevoegdheid echter toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/12
Pagina: 
881
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Harald Kolassa / Barclays Bank plc.)

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, 1., sub a) en 15, 1. van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. 2001, L. 12, p. 1).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen de heer Kolassa, woonachtig te Wenen (Oostenrijk), en Barclays Bank. plc (hierna: “B.B.”), gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), over schadevordering op grond van contractuele en precontractuele aansprakelijkheid en aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van deze bank wegens de waardevermindering van een financiële investering die hij met een door deze laatste uitgegeven financieel instrument had gerealiseerd.

Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3. De punten 2 en 11 tot en met 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luiden als volgt:

“(2) Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.

[…]

(11) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(12) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

(13) In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

(14) De autonomie van de partijen bij een andere overeenkomst dan een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst, waarvoor slechts een beperkte autonomie geldt met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, moet worden geëerbiedigd, behoudens de exclusieve bevoegdheidsgronden die in de verordening zijn neergelegd.

(15) Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. […]”

4. De artikelen 2 tot en met 31 van voormelde verordening, die in Hoofdstuk II van deze laatste staan, bevatten bevoegdheidsregels.

5. Afdeling 1 van dit Hoofdstuk II, met het opschrift “Algemene bepalingen”, is geformuleerd als volgt:

“Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

6. Artikel 5, 1. en 3. van deze verordening bepaalt:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;
punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;
[…]

3) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.”

7. In Afdeling 4 van hetzelfde Hoofdstuk II, “Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, staat onder meer artikel 15 van verordening nr. 1408171, dat in het eerste lid bepaalt:

“Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5, wanneer

het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken,
het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken,
in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”
8. Artikel 16 van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen is dezelfde Afdeling 4 van Hoofdstuk II, bevat in de leden 1 en 2 de volgende bepalingen:

“1. De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

2. De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

9. Hoofdstuk II van voormelde verordening bevat voorts een Afdeling 8, met het opschrift “Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid”, waarin zijn opgenomen de artikelen 25 en 26 met de volgende bepalingen:

“Art. 25. Het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 22 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

Art. 26. 1. Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening.

2. Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

[…]”

Oostenrijks recht
10. Artikel 11 van het Kapitalmarktgesetz (wet op de kapitaalmarkt), in de versie die op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is, bepaalde:

“1. Tegenover iedere belegger zijn voor de schade die deze heeft geleden als gevolg van het feit dat hij zijn vertrouwen heeft gesteld in de informatie in het prospectus of in de andere krachtens deze federale wet vereiste informatie (§ 6), die voor de beoordeling van de effecten of investeringen relevant is, aansprakelijk:

de uitgevende instelling, voor de onjuiste of onvolledige informatie door haar schuld of door de schuld van haar medewerkers of andere personen op wie voor de opstelling van het prospectus een beroep is gedaan;
de controleur van het prospectus, voor de onjuiste of onvolledige controles door zijn schuld of door de schuld van zijn medewerkers of andere personen op wie voor de controle van het prospectus een beroep is gedaan;
[...]
de persoon die in eigen naam of namens een ander de contractuele verbintenis van de belegger in ontvangst heeft genomen en de bemiddelaar bij de overeenkomst, voor zover de aangesproken personen beroepshalve handelen of bemiddelen in effecten of beleggingen en zij of hun medewerkers wisten dat de in punt 1 bedoelde informatie of de controle onjuist of onvolledig was dan wel daar wegens grove nalatigheid geen weet van hadden […]
2. Bij waardepapieren of beleggingen van buitenlandse uitgevende instellingen rust de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ook op de persoon die in Oostenrijk het aan de prospectusplicht onderworpen aanbod doet.

3. Wanneer meerdere personen aansprakelijk zijn, zijn deze hoofdelijk aansprakelijk. Aan de aansprakelijkheid van iedere persoon wordt niet afgedaan doordat andere personen tot vergoeding van dezelfde schade gehouden zijn.

4. De aansprakelijkheid kan niet vooraf worden uitgesloten of beperkt ten nadele van de beleggers.

[…]

8. Het voorgaande doet niet af aan schadevorderingen wegens schending van andere wettelijke voorschriften of schending van overeenkomsten.”

11. Artikel 26 van het Investmentfondsgesetz (wet op de investeringsfondsen), in de versie van toepassing op de feiten in het hoofdgeding, bepaalde:

“1. Aan de verkrijger van een aandeel in een buitenlands beleggingsfonds moeten vóór de sluiting van de overeenkomst kosteloos het fondsreglement en/of de statuten van de beleggingsmaatschappij, een prospectus van de buitenlandse beleggingsmaatschappij en een kopie van het verzoek tot sluiting van een overeenkomst worden verstrekt. Het aanvraagformulier moet informatie bevatten over de emissiepremie en de aan de beleggingsmaatschappij te betalen jaarlijkse vergoeding.

2. Het prospectus dient alle informatie te bevatten die op het tijdstip van de indiening van het verzoek van wezenlijk belang is voor de waardering van de aandelen in het buitenlandse beleggingsfonds. […] Voorts moet het prospectus met name de volgende informatie bevatten:

de naam of handelsnaam, de rechtsvorm, de zetel en het eigen kapitaal (het maatschappelijke kapitaal, verminderd met het niet gestorte geplaatste kapitaal en vermeerderd met de reserves) van de buitenlandse beleggingsmaatschappij, van de onderneming die over de belegging van het ingelegde geld beslist (beheersmaatschappij), van de onderneming die de aandelen verkoopt (verkoopmaatschappij) en van de depositobank;
de handelsnaam, de zetel en het adres van de vertegenwoordiger en de uitkerende organen;
welke zaken voor het vermogen mogen worden verworven, volgens welke beginselen zij worden gekozen, of alleen tot de beurs - en in voorkomend geval tot welke beurzen - toegelaten effecten worden verworven, hoe de opbrengst van het vermogen wordt besteed en, in voorkomend geval, binnen welke grenzen een deel van het vermogen in banktegoeden wordt gehouden;
de voorwaarden waaronder de houders van aandelen betaling van het met hun aandeel overeenstemmende deel van het vermogen kunnen verlangen en de hiervoor bevoegde organen;
[…] De juistheid en de volledigheid van het prospectus en van de wijzigingen ervan worden door de vertegenwoordiger als controleur van het prospectus gecontroleerd. Voor de opstelling, de wijziging en de controle van het prospectus en voor de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het prospectus zijn zowel voor de emittent als voor de controleur van het prospectus de bepalingen van [de wet op de kapitaalmarkt] van overeenkomstige toepassing. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12. Kolassa heeft als consument met tussenkomst van de Oostenrijkse bank direktanlage.at AG (hierna: “direktanlage.at”) 68.180,36 EUR geïnvesteerd in X1 Global EUR Indexcertificaten (hierna: “certificaten”). De certificaten zijn uitgegeven door Barclays Bank, een in het handelsregister van het Verenigd Koninkrijk ingeschreven bank die ook te Frankfurt am Main (Duitsland) een filiaal heeft.

13. Bij de uitgifte van de certificaten heeft Barclays Bank een basisprospectus gedateerd 22 september 2005 verspreid. De certificaten zijn onderworpen aan algemene voorwaarden die op 20 december 2005 ter kennis van het publiek zijn gebracht. Op verzoek van Barclays Bank is het basisprospectus ook in Oostenrijk verspreid. Het openbaar aanbod tot inschrijving vond plaats tussen 20 december 2005 en 24 februari 2006, de certificaten werden op 31 maart 2006 uitgegeven. De terugbetaling vervalt in 2016. Volgens de … voorwaarden kan de inschrijvingsovereenkomst bovendien worden opgezegd.

14. De certificaten worden uitgegeven in de vorm van obligaties aan toonder. Het terug te betalen bedrag, en daarmee de waarde van die obligaties, worden bepaald door een index van een portefeuille van onderliggende fondsen, zodat die waarde rechtstreeks op die portefeuille is geïndexeerd. De portefeuille moest worden gecreëerd en beheerd door de vennootschap X1 Fund Allocation GmbH, die door Barclays Bank is belast met het investeren van het geld van de uitgifte van de certificaten. Dat geld is grotendeels verloren gegaan. Op dit moment wordt de waarde van genoemde certificaten geschat op 0 EUR, hetgeen Kolassa echter bestrijdt.

15. Blijkens de verwijzingsbeslissing zijn de certificaten verkocht aan institutionele beleggers, die ze hebben doorverkocht, onder meer aan consumenten. In casu heeft direktanlage.at de certificaten waarop Kolassa wenste in te schrijven besteld bij haar Duitse moedermaatschappij, DAB Bank AG, gevestigd te München (Duitsland), die ze op haar beurt bij Barclays Bank heeft gekocht. De bestellingen werden steeds namens de betrokken ondernemingen geplaatst en uitgevoerd. Overeenkomstig haar algemene voorwaarden heeft direktanlage.at de bestelling van Kolassa “via de effectenrekening” uitgevoerd, dat wil zeggen zij heeft als dekkingsfonds de certificaten in eigen naam en voor rekening van haar cliënten te München in bewaring gehouden. Kolassa kon slechts aanspraak maken op levering van de certificaten ter hoogte van zijn aandeel in het dekkingsfonds, de certificaten zelf konden niet aan hem worden overgedragen.

16. Als benadeelde belegger heeft Kolassa bij het Handelsgericht Wien beroep ingesteld en betaling van een bedrag van 73.705,07 EUR wegens contractuele en precontractuele aansprakelijkheid en aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad van Barclays Bank gevorderd. Hij heeft betoogd dat indien deze laatste zich rechtmatig had gedragen, hij de investering niet zou hebben gerealiseerd, maar zijn kapitaal in een neutraal gericht fonds zou hebben geplaatst, in welk geval hij op de vervaldatum het gevorderde bedrag, te weten de investering vermeerderd met interesten, zou hebben ontvangen.

17. Kolassa betoogt dat voormeld gerecht bevoegd is, primair op grond van artikel 15, 1., sub c) van verordening nr. 44/2001, of subsidiair op grond van artikel 5, 1., sub a) en 3. van die verordening.

18. Voor het verwijzende gerecht betwist Barclays Bank zowel de grieven van Kolassa ten gronde als de bevoegdheid van het aangezochte gerecht.

19. Daarop heeft het Handelsgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

“1. a) Moet de zinsnede '[v]oor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd' in artikel 15, 1. van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat

een verzoeker die als consument op de secundaire markt een obligatie aan toonder heeft verworven en thans vorderingen instelt tegen de uitgevende instelling uit hoofde van prospectusaansprakelijkheid, wegens niet-nakoming van informatie- en toezichtverplichtingen en op grond van de voorwaarden van de obligatielening, zich kan beroepen op deze bevoegdheidsgrond wanneer hij, door het stuk van een derde te kopen, indirect is toegetreden tot de overeenkomst tussen de uitgevende instelling en de oorspronkelijke inschrijver op de obligatielening?
(indien de eerste vraag, sub a), i), bevestigend wordt beantwoord) de verzoeker zich ook kan beroepen op de bevoegdheidsgrond van het bovenvermelde artikel 15 wanneer de derde van wie hij de toonderobligatie heeft gekocht, deze obligatie tevoren heeft verworven voor een gebruik dat als bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, dit wil zeggen dat de verzoeker de obligatieovereenkomst overneemt van een persoon die geen consument is?
(indien de eerste vraag, sub a), i) en ii), bevestigend wordt beantwoord) de verzoeker zich ook kan beroepen op de in het bovenvermelde artikel 15 bedoelde bevoegdheidsgrond voor consumentenovereenkomsten wanneer hij niet zelf de obligatie houdt maar de derde die door hem is belast met de verwerving van de obligatie en zelf geen consument is, die het stuk zoals overeengekomen op eigen naam als trustee voor de verzoeker in bewaring houdt en jegens wie de verzoeker enkel een verbintenisrechtelijke aanspraak op levering heeft?
b) (Indien de eerste vraag, sub a), i), bevestigend wordt beantwoord) Verleent artikel 15, 1. van verordening [nr. 44/2001] het gerecht dat kennis neemt van contractuele vorderingen verband houdend met de verwerving van een obligatie, tevens een accessoire bevoegdheid tot kennisneming van vorderingen uit onrechtmatige daad verband houdend met diezelfde verwerving?

2. a) Moet de uitdrukking 'ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst' in artikel 5, 1., sub a) van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat

een verzoeker die op de secundaire markt een toonderobligatie heeft verworven en thans vorderingen instelt tegen de uitgevende instelling uit hoofde van prospectusaansprakelijkheid, wegens niet-nakoming van informatie- en toezichtverplichtingen en op grond van de voorwaarden van de obligatielening, zich kan beroepen op deze bevoegdheidsgrond wanneer hij, door de obligatie van een derde te kopen, indirect is toegetreden tot de overeenkomst tussen de uitgevende instelling en de oorspronkelijke inschrijver op de obligatielening?
(indien de tweede vraag, sub a), i), bevestigend wordt beantwoord) de verzoeker zich ook kan beroepen op de in het bovenvermelde artikel 5, 1., sub a) bedoelde bevoegdheidsgrond wanneer hij niet zelf de obligatie houdt maar de derde die door hem is belast met de aankoop van het stuk, die het zoals overeengekomen op eigen naam als trustee voor de verzoeker in bewaring houdt en jegens wie de verzoeker enkel een verbintenisrechtelijke aanspraak op levering heeft?
b) (Indien de tweede vraag, sub a), i), bevestigend wordt beantwoord) Verleent artikel 5, 1., sub a) van verordening [nr. 44/2001] het gerecht dat kennis neemt van contractuele vorderingen verband houdend met de verwerving van een obligatie, tevens een accessoire bevoegdheid tot kennisneming van vorderingen uit onrechtmatige daad verband houdend met diezelfde verwerving?

3. a) Zijn kapitaalmarktrechtelijke, op prospectusaansprakelijkheid gegronde vorderingen en vorderingen wegens niet-nakoming van beschermings- en informatieverplichtingen in verband met de uitgifte van een obligatielening aan toonder vorderingen uit hoofde van verbintenissen uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, 3. van verordening [nr. 44/2001]?

(Indien de derde vraag, sub a), eerste alinea, bevestigend wordt beantwoord) geldt dat ook wanneer deze vorderingen tegen de uitgevende instelling worden ingesteld door een persoon die niet zelf de obligatie houdt, maar die enkel een verbintenisrechtelijke aanspraak op levering heeft jegens degene die het stuk als trustee voor hem in bewaring houdt?
b) moet de uitdrukking 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen' in artikel 5, 3. van verordening [nr.44/200l] aldus worden uitgelegd dat in geval van aankoop van een waardepapier op grond van opzettelijk onjuiste informatie,

ervan moet worden uitgegaan dat de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan, de woonplaats van de gelaedeerde is, als het centrum van zijn vermogen?
(Indien de derde vraag, sub b), i), bevestigend wordt beantwoord) geldt dat ook wanneer de kooporder en de overschrijving van het geld kunnen worden herroepen totdat de transactie is afgewikkeld, en de afwikkeling in een andere lidstaat plaatsvond enige tijd na de debitering van de bankrekening van de gelaedeerde?
4. Is het gerecht in het kader van de toetsing van de bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 25 en 26 van verordening [nr. 44/2001] verplicht om betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn ('dubbel relevante feiten'), te onderwerpen aan een uitgebreide bewijsprocedure of moet het bij zijn uitspraak over de bevoegdheidsvraag ervan uitgaan dat de stellingen van de verzoekende partij juist zijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
20. Met zijn eerste vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of artikel 15, 1. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een verzoeker die als consument bij een beroepsmatig handelende derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zich op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen de emittent van die obligatie instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.

21. Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat voor zover verordening nr. 44/2001 in de plaats is getreden van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. 1972, L. 299, p. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag, de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de in dit verdrag neergelegde bepalingen ook geldt voor die van de verordening, wanneer de bepalingen van deze instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (arrest Maletic, C-478/12, EU:C:2013:735, punt 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

22. Voorts moet aan de in verordening nr. 44/2001 gebruikte begrippen, inzonderheid die in artikel 15, 1. van deze verordening, een autonome uitlegging worden gegeven, waarbij vooral te rade moet worden gegaan bij het stelsel en de doelstellingen van deze verordening, teneinde de uniforme toepassing daarvan in alle lidstaten te verzekeren (zie arrest eská spoitelna, C-419/11 , EU:C:2013:165, punt 25 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

23. Artikel 15, 1. van verordening nr. 44/2001 is van toepassing indien is voldaan aan drie voorwaarden, te weten, in de eerste plaats dat een contractpartij een consument is die handelt in een kader dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd; in de tweede plaats dat de overeenkomst tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar daadwerkelijk is gesloten, en in de derde plaats dat een dergelijke overeenkomst valt onder een van de in lid 1., sub a) tot en met c) van dit artikel 15 bedoelde categorieën. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat wanneer aan een van de drie voorwaarden niet is voldaan, de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld volgens de regels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten (arrest eská spoitelna, EU:C:2013:165, punt 30).

24. In dit verband volgt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat aan de in het voorgaande punt vermelde eerste en derde voorwaarde in casu is voldaan, zoals de advocaat-generaal overigens in punt 28 van zijn conclusie opmerkt.

25. Volstaan kan dus worden met te onderzoeken of de tweede voorwaarde, te weten dat een overeenkomst is gesloten met de verwerende beroepsbeoefenaar, in omstandigheden als in het hoofdgeding vervuld is.

26. In dit verband volgt uit de beknopte weergave van de feiten door het verwijzende gerecht dat - het staat niettemin aan dit laatste gerecht dit te verifiëren - er geen overeenkomst is gesloten tussen Barclays Bank en Kolassa, daar deze laatste niet de houder is van de in punt 14 van het onderhavige arrest vermelde obligaties, die door direktanlage.at als dekkingsfonds in eigen naam in bewaring werden gehouden. Daarentegen kon Kolassa, eveneens volgens voormeld gerecht, aanspraak maken op levering van de certificaten voor het aandeel in het dekkingsfonds, zonder dat de certificaten zelf aan hem konden worden overgedragen.

27. Volgens Kolassa gebiedt in dergelijke omstandigheden de doelstelling de consument te beschermen, te kiezen voor een economische benadering en te constateren dat inderdaad een overeenkomst is gesloten, in de zin van artikel 15, 1. van verordening nr. 44/2001, tussen hem en Barclays Bank, daar direktanlage.at de rol van tussenpersoon heeft gespeeld.

28. Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat artikel 15, 1. van verordening nr. 44/2001 afwijkt zowel van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, 1. van deze verordening, waarbij bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, als van de in artikel 5, 1. van deze verordening geformuleerde bijzondere bevoegdheidsregel inzake overeenkomsten, volgens welke de bevoegdheid toekomt aan het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Dit artikel 15, 1. moet dus noodzakelijkerwijs eng worden uitgelegd (zie arrest eská spoitelna, EU:C:2013:165, punt 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

29. Voorts kan met de voorwaarde dat er een overeenkomst is gesloten tussen de consument en de verwerende beroepsbeoefenaar worden gewaarborgd dat voorzienbaar is welk gerecht bevoegd is, volgens punt 11 van de considerans van verordening nr. 44/2001 een van de doelstellingen van deze laatste.

30. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het vereiste dat een overeenkomst is gesloten met de verwerende beroepsbeoefenaar zelf, niet aldus kan worden uitgelegd dat het ook vervuld is in geval van een reeks overeenkomsten uit hoofde waarvan de verwerende beroepsbeoefenaar tegenover de consument bepaalde rechten en verplichtingen heeft.

31. Dit wordt bevestigd bij lezing van artikel 15 van verordening nr. 44/2001, in samenhang met artikel 16 van deze verordening.

32. De bevoegdheidsregels die voor door consumenten gesloten overeenkomsten zijn neergelegd in artikel 16, 1. van voormelde verordening zijn volgens de bewoordingen van dit artikel immers enkel van toepassing op de vordering van de consument tegen de wederpartij bij de overeenkomst, hetgeen noodzakelijkerwijs impliceert dat de consument met de verwerende beroepsbeoefenaar een overeenkomst heeft gesloten.

33. Het Hof heeft weliswaar verklaard dat het begrip “wederpartij bij de overeenkomst” in artikel 16, 1. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op de contractpartij van de marktdeelnemer waarmee de consument die overeenkomst heeft gesloten (arrest Maletic, EU:C:2013:735, punt 32), maar deze uitlegging berust op specifieke omstandigheden waarin de consument vanaf het begin onlosmakelijk contractueel gebonden was aan twee contractpartijen. Voor het overige zou uitsluiting van de in de lidstaat van de consument gevestigde contractpartij van het toepassingsgebied van genoemd artikel 16 tot gevolg hebben gehad dat het gerecht waarbij de vordering tot hoofdelijke veroordeling van de twee contractpartijen aanhangig was gemaakt, enkel bevoegd zou zijn geweest jegens de in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer.

34. Deze uitlegging kan niet opgaan in de omstandigheden van het hoofdgeding, waarin met de verwerende beroepsbeoefenaar in het geheel geen overeenkomst is gesloten.

35. Blijkens het voorgaande moet artikel 15, 1. van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding een verzoeker die als consument bij een beroepsmatig handelende derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zonder dat tussen die consument en de emittent van die obligatie een overeenkomst wordt gesloten - het is aan het verwijzende gerecht om dit te verifiëren - zich niet op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen die emittent instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.

Tweede vraag
36. Met zijn tweede vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vordering tegen de instelling die een obligatie aan toonder heeft uitgegeven, die is gebaseerd op de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid, een verzoeker die die obligatie van een derde heeft verworven de in deze bepaling vastgelegde bevoegdheid kan inroepen.

37. Voor de beantwoording van deze vraag zij meteen al in herinnering gebracht dat het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, 1. van verordening nr. 44/2001 niet kan worden geacht te verwijzen naar de kwalificatie die de toepasselijke nationale wet geeft aan de voor de nationale rechter aan de orde zijnde rechtsverhouding. Dit begrip moet daarentegen autonoom moeten worden uitgelegd onder verwijzing naar het stelsel en de doelstellingen van deze verordening, ten einde de eenvormige toepassing van deze laatste in alle lidstaten te waarborgen (arresten Handte, C-26/91, EU:C:1992:268, punt 10 en eská spoitelna, EU:C:2013:165, punt 45).

38. Anders dan artikel 15, 1. van verordening nr. 44/2001 vereist, vormt de sluiting van een overeenkomst geen voorwaarde voor toepassing van artikel 5, 1. van deze verordening, zodat indien bevoegdheid op grond van de eerste bepaling is uitgesloten, daarmee niet noodzakelijkerwijs wordt vooruitgelopen op de toepasselijkheid van de tweede bepaling.

39. Ofschoon echter artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 niet vereist dat een overeenkomst is gesloten, moet er voor de toepassing van dit artikel wel een verbintenis zijn, aangezien de rechterlijke bevoegdheid op grond van deze bepaling wordt bepaald door de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Voor toepassing van de in voormelde bepaling neergelegde bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst is derhalve vereist dat een door een persoon tegenover een andere persoon vrijwillig aangegane verbintenis kan worden aangewezen waarop de vordering van de verzoeker berust (zie arrest eská spoitelna, EU:C:2013:165, punten 46 en 47).

40. In dit verband blijkt uit de beknopte weergave van de feiten door het verwijzende gerecht dat in de omstandigheden van het hoofdgeding geen sprake is van een door Barclays Bank jegens Kolassa vrijwillig aangegane verbintenis, ook al heeft Barclays Bank op grond van het toepasselijk nationaal recht bepaalde verplichtingen jegens Kolassa.

41. Uit het voorgaande volgt dat artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding een verzoeker die van een derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zonder dat de instelling die die obligatie heeft uitgegeven jegens die verzoeker vrijwillig een verbintenis is aangegaan - het is aan het verwijzende gerecht om dit te verifiëren - zich niet op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen die emittent instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.

Derde vraag
42. Met zijn derde vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende wettelijke informatieverplichtingen, zodat de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen erop kan worden gebaseerd.

43. In dit verband zij meteen al eraan herinnerd dat artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 autonoom en eng moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest Coty Germany, C-360/12, EU:C:2014:1318, punten 43-45).

44. Dat neemt niet weg dat het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 elke vordering omvat die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een “verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, 1., sub a) van die verordening (arrest Brogsitter, C-548/12, EU:C:2014:148, punt 20). Vastgesteld moet dus worden dat de vorderingen tegen een emittent op grond van het prospectus en wegens niet-nakoming van andere wettelijke verplichtingen tot informatie van de beleggers vorderingen uit onrechtmatige daad zijn voor zover zij niet worden gedekt door het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” zoals gedefinieerd in punt 39 van het onderhavige arrest.

45. Voor de toepassing van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 in omstandigheden als die in het hoofdgeding zij in herinnering gebracht dat de woorden “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in deze bepaling zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arrest Coty Germany, EU:C:2014:1318, punt 46).

46. In dit verband is het vaste rechtspraak dat de bevoegdheidsregel van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (arrest Coty Germany, EU:C:2014:1318, punt 47).

47. Aangezien de bepaling van een van de aanknopingspunten die in de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak zijn erkend, het mogelijk moet maken de bevoegdheid te leggen bij het gerecht dat objectief gezien het best in staat is om te beoordelen of de verwerende partij aansprakelijk kan worden gesteld, kan enkel het gerecht van het rechtsgebied waar het relevante aanknopingspunt zich bevindt, rechtsgeldig worden aangezocht (arrest Coty Germany, EU:C:2014:1318, punt 48).

48. Het Hof heeft verklaard dat met de uitdrukking “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet wordt gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (arrest Kronhofer, C-168/02, EU:C:2004:364, punt 21).

49. Zo rechtvaardigt het enkele feit dat de verzoeker financiële gevolgen ondervindt niet dat de gerechten van de woonplaats van deze laatste bevoegd zijn wanneer - zoals in de zaak waarin het arrest Kronhofer (EU:C:2004:364) is gewezen - zowel de schadebrengende gebeurtenis als het intreden van de schade zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen (zie in die zin arrest Kronhofer, EU:C:2004:364, punt 20).

50. Daarentegen is bevoegdheid van die gerechten gerechtvaardigd voor zover de woonplaats van de verzoeker inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade.

51. In dit verband volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de waardedaling van de certificaten niet te wijten was aan de wisselvalligheden van de financiële markten, maar aan het beheer van de fondsen waarin het geld uit de uitgifte van die certificaten is geïnvesteerd, dat aan het einde een positieve waardeontwikkeling ervan heeft belet, en dat het handelen of nalaten dat Barclays Bank werd verweten in verband met de wettelijke informatieverplichtingen, had plaatsgevonden vóór de belegging door Kolassa en volgens deze laatste bepalend was voor die belegging.

52. In de veronderstelling dat het doen en het niet doen van Barclays Bank een voor het intreden van de door Kolassa geleden schade noodzakelijke voorwaarde hebben gevormd, wat voor de toepassing van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 volstaat (zie in die zin arrest DFDS Torline, C-18/02, EU:C:2004:74, punt 34), moet in dit verband wel nog worden onderzocht in hoeverre op grond van de omstandigheden in het hoofdgeding kan worden geconstateerd dat de woonplaats van de verzoeker de plaats van het schadebrengende feit of van het intreden van de schade is.

53. Aangaande de gebeurtenis die de gestelde schade heeft veroorzaakt, te weten de beweerde niet-nakoming door Barclays Bank van haar wettelijke verplichtingen op het gebied van het prospectus en informatie van de beleggers, moet worden opgemerkt dat het handelen of het nalaten dat een dergelijke niet-nakoming kan opleveren niet kan worden gesitueerd in de woonplaats van de beweerdelijk benadeelde belegger, daar niets in het dossier erop wijst dat de besluitvorming voor de door deze bank voorgestelde investeringsmodaliteiten en voor de inhoud van de desbetreffende prospectussen heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar die belegger woont, noch dat die prospectussen oorspronkelijk elders dan in de lidstaat van vestiging van genoemde bank zijn opgesteld en uitgegeven.

54. Aangaande het intreden van de schade daarentegen moet worden geconstateerd dat in omstandigheden zoals die samengevat in punt 51 van het onderhavige arrest de schade zich voordoet op de plaats waar de belegger ze ondervindt.

55. De gerechten van de woonplaats van de verzoeker zijn - uit hoofde van het intreden van de schade - bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.

56. De aldus bepaalde plaats waar de schade intreedt, strookt in omstandigheden zoals die bedoeld in punt 51 van het onderhavige arrest met het doel van verordening nr. 44/2001, de rechtsbescherming van in de Unie gevestigde personen te versterken - de verzoeker kan gemakkelijk bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder kan redelijkerwijs voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (zie in die zin arrest Kronhofer, EU:C:2004:364, punt 20) - daar de emittent van een certificaat die zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot het prospectus niet nakomt erop moet rekenen, wanneer hij besluit het prospectus voor dat certificaat in andere lidstaten te laten notificeren, dat in die lidstaten wonende onvoldoende geïnformeerde marktdeelnemers in dat certificaat investeren en schade lijden.

57. Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, voor zover die aansprakelijkheid niet berust op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, 1. van die verordening. Op grond van punt 3. van voormeld artikel 5 zijn de gerechten van de woonplaats van de verzoeker - uit hoofde van het intreden van de schade - bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.

Vierde vraag
58. Met zijn vierde vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of in het kader van de toetsing van de internationale bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 44/2001, betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn aan een uitgebreide bewijsprocedure moeten worden onderworpen of dat veeleer voor de beslissing over de bevoegdheidsvraag ervan moet worden uitgegaan dat de beweringen van enkel de verzoekende partij juist zijn.

59. Vast staat dat verordening nr. 44/2001 de omvang van de controleverplichtingen die op de nationale gerechten bij de verificatie van hun internationale bevoegdheid rusten, niet uitdrukkelijk bepaalt.

60. Het betreft hier weliswaar een aspect van intern procesrecht, dat voormelde verordening niet unificeert (zie in die zin arrest G, C-92/10, EU:C:2012:142, punt 44), maar de toepassing van de relevante nationale regels mag geen afbreuk doen aan het nuttig effect van verordening nr. 44/2001 (zie arrest Shevill e.a., C-68/93, EU:C:1995:61, punt 36 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

61. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het doel van rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (zie arrest Benincasa, C-269/95, EU:C:1997:337, punt 27). Aangaande de toepassing van dit vereiste in het kader van de bijzondere bevoegdheden die in het hoofdgeding aan de orde zijn heeft het Hof om te beginnen verklaard dat de rechter die een uit een overeenkomst ontstaan geschil moet beoordelen, de voornaamste voorwaarden voor zijn bevoegdheid - ook ambtshalve - mag nagaan in het licht van de door de belanghebbende partij verstrekt overtuigende en relevante gegevens waaruit het al dan niet bestaan van de overeenkomst blijkt (arrest Effer, nr. 38/81, EU:C:1982:79, punt 7).

62. Voorts heeft het Hof, specifiek voor artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001, gepreciseerd dat de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van zijn internationale bevoegdheid, niet de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering volgens de regels van nationaal recht beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid op grond van deze bepaling rechtvaardigen (arrest Folien Fischer en Fofitec, C-133/11, EU:C:2012:664, punt 50). De verwijzende rechter mag dus uitgaan van verzoekers beweringen inzake de voorwaarden voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, zij het enkel om na te gaan of hij krachtens die bepaling bevoegd is (arrest Hi Hotel HCF, C-387/12, EU:C:2014:215, punt 20).

63. Indien reeds in dit stadium van de procedure moest worden overgegaan tot een gedetailleerde bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, zou daarmee vooruit worden gelopen op het onderzoek van de gegrondheid.

64. Wanneer de verweerder de beweringen van de verzoeker betwist hoeft de nationale rechter dus weliswaar niet in het stadium van de bepaling van de bevoegdheid over te gaan tot een bewijsprocedure, maar zowel het doel van een goede rechtsbedeling - dat aan verordening nr.44/2001 ten grondslag ligt - als de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies vereisen dat het aangezochte gerecht zijn internationale bevoegdheid kan toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.

65. Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat in het kader van de toetsing van de bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 44/2001, geen uitgebreide bewijsprocedure hoeft te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Het aangezochte gerecht kan zijn internationale bevoegdheid echter toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.

Kosten
66. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (4de k.) verklaart voor recht:

Artikel 15, 1. van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding een verzoeker die als consument bij een beroepsmatig handelende derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zonder dat tussen die consument en de emittent van die obligatie een overeenkomst wordt gesloten - het is aan het verwijzende gerecht om dit te verifiëren - zich niet op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen die emittent instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.
Artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding een verzoeker die van een derde een obligatie aan toonder heeft verworven, zonder dat de instelling die die obligatie heeft uitgegeven jegens die verzoeker vrijwillig een verbintenis is aangegaan - het is aan het verwijzende gerecht om dit te verifiëren - zich niet op de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid kan beroepen voor de vordering die hij tegen die emittent instelt op grond van de voorwaarden van de obligatielening, niet-nakoming van de informatie- en toezichtverplichtingen en de prospectusaansprakelijkheid.
Artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, voor zover die aansprakelijkheid niet berust op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, punt 1, van die verordening. Op grond van punt 3. van voormeld artikel 5 zijn de gerechten van de woonplaats van de verzoeker - uit hoofde van het intreden van de schade - bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.
In het kader van de toetsing van de bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 44/2001, hoeft geen uitgebreide bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Het aangezochte gerecht kan zijn internationale bevoegdheid echter toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 11:24
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 11:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.