-A +A

Productaansprakelijkheid en normale verwachting van het product

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Turnhout
Datum van de uitspraak: 
din, 22/03/2016

Art. 1 van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken bepaalt dat een producent aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product.

Producent is de fabrikant van een eindproduct, de fabrikant van een onderdeel van een eindproduct, de fabrikant of producent van een grondstof, iedereen die zich als fabrikant of producent aandient door zijn naam, zijn merk of een ander herkenningsteken op het product aan te brengen (art. 3 van dezelfde wet).

Volgens art. 5 van dezelfde wet wordt een product als gebrekkig beschouwd indien het, alle omstandigheden in acht genomen, niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten. Van een koersfiets mag de bestuurder ervan verwachten dat de door hem ontwikkelde spierkracht aanleiding geeft tot een verplaatsing over een zekere afstand en dit in min om meer comfortabele omstandigheden, afhankelijk van onder andere de bandenspanning.

Een ontploffing van een band tijdens deze verplaatsing behoort zeker en vast niet tot het gebruikelijke verwachtingspatroon.

Publicatie
tijdschrift: 
RW
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
115
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F.L. t/ BV A.V. en NV R.-P.

1. Feiten en antecedenten

Op 25 juli 2008 is de heer F.L. ingevolge een ontploffing van de voorste band van zijn koersfiets gevallen waarbij hij zich bezeerde. Deze koersfiets is van het merk R. en wordt geproduceerd door de NV R.P. De fietsband zelf is van het merk V.

Bij tussenvonnis van 6 november 2012 heeft de rechtbank de heer ir. J.V. aangesteld met opdracht: “De fietsband “V.H.F.R. 23-622 (700×23C) Ax. 11 bar/160 psi”:

– te onderzoeken;

– de eventuele gebreken in deze band vast te stellen en de oorzaken ervan te beschrijven;

– in bevestigend geval, na te gaan of deze gebreken aanleiding hebben gegeven dan wel kunnen geven tot een ontploffing van deze band”.

Op 8 januari 2015 is het verslag van de heer J.V. toegekomen ter griffie van de rechtbank. De deskundige besluit:

1. De kwestieuze fietsband is een rood-zwarte V. handmade F. r. band met maten 23/622 (700×23C) en maximale bandendruk 11 bar (160 psi). De fietsband is pas nieuw en weinig gebruikt.

2. De metalen hieldraden zijn aan één zijde van de band uit het karkas over een lengte van ± 8 cm uitgescheurd. Aan beide kanten van de hiel, ter hoogte van de velgrand en hieldraden, zijn er garens over gescheurd. De stalen hieldraden zijn licht verwrongen, maar niet over gebroken.

3. Er is ook schade vastgesteld aan de binnenzijde van de kwestieuze band. Dit wijst op het gebruik van een bandijzer of een of ander puntig voorwerp zoals een schroevendraaier.

4. Dit voorwerp heeft ook het karkas op de hiel beschadigd. De buitenste polymeerlaag waarmee de polyamide garens van het karkas worden vastgehouden, werd stuk geschuurd. Door deze plaatselijke verzwakking is de binnenste laag polyamide garens niet bestand tegen het telkens plooien van het karkas en de hoge druk die in de band heerst als men aan het fietsen is. Uiteindelijk scheurt de band op die plaats plots door, de binnenband stulpt uit en ontploft tijdens het rijden. Omdat er enkele meters afgelegd werden met de kapotte band, is er verdere schade opgetreden aan de buitenwang van de band.

5. De schade aan kwestieuze band is niet ontstaan door een teveel aan kleine luchtbelletjes of door inhomogeniteit van het polymeermateriaal. Zowel microscopisch als radiografisch en na vergelijking met een referentieband, hebben we hiervan niets waargenomen.

6. De schade is ontstaan tijdens een verkeerde montage of demontage van de band. Het is niet na te gaan of dit gedaan werd door de verkoper van de fiets, de fietshandelaar, of de gebruiker van de fiets. De fiets was immers al een maand in gebruik en er was al 70 km mee gefietst.

2. In rechte

1. De heer F.L. acht BV A.V. en de NV R.P. in de eerste plaats in solidum aansprakelijk voor de door hem geleden schade.

Eiser verwijt verweersters dat de door hem geleden schade veroorzaakt werd door een gebrek in hun product (art. 1 wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken).

Daarnaast betoogt de heer F.L. dat het op de markt brengen van een onveilig product een fout uitmaakt in de zin van art. 1382 BW.

BV A.V. en de NV R.P. vorderen in essentie de afwijzing van deze eis.

Krachtens art. 870 Ger.W. rust de bewijslast bij de heer F.L.

2. De heer F.L. spreekt verweersters op de eerste plaats aan op basis van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken.

3. Art. 1 van deze wet bepaalt dat een producent aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product.

Producent is de fabrikant van een eindproduct, de fabrikant van een onderdeel van een eindproduct, de fabrikant of producent van een grondstof, iedereen die zich als fabrikant of producent aandient door zijn naam, zijn merk of een ander herkenningsteken op het product aan te brengen (art. 3 van dezelfde wet).

4. Op grond van art. 3 van dezelfde wet zijn naar het oordeel van de rechtbank zowel eerste als tweede verweerster als producent te beschouwen. Eerste verweerster heeft immers de band geproduceerd. Onder de benaming “R.” heeft tweede verweerster op haar beurt de bewuste fiets geleverd aan fietshandelaar L. die hem op zijn beurt verkocht heeft aan eiser.

5. Volgens art. 5 van dezelfde wet wordt een product als gebrekkig beschouwd indien het, alle omstandigheden in acht genomen, niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten. Van een koersfiets mag de bestuurder ervan verwachten dat de door hem ontwikkelde spierkracht aanleiding geeft tot een verplaatsing over een zekere afstand en dit in min om meer comfortabele omstandigheden, afhankelijk van onder andere de bandenspanning.

Een ontploffing van een band tijdens deze verplaatsing behoort zeker en vast niet tot het gebruikelijke verwachtingspatroon. De rechtbank besluit dan ook dat de fiets op gezegde plaats en datum een gebrek vertoonde.

Dat de schade niet ontstaan is door een teveel aan kleine luchtbelletjes of door inhomogeniteit van het polymeermateriaal is hierbij van geen tel. Van een “redelijk nieuwe en weinig gebruikte” fietsband mag een consument immers verwachten dat deze niet zomaar ontploft.

6. Het exploot van dagvaarding dateert van 4 april 2011. De vordering is derhalve tijdig ingesteld, binnen drie jaar na de val (art. 12 Wet Productaansprakelijkheid).

7. Door de val met een gebrekkige koersfiets heeft de heer L.F. schade opgelopen, namelijk fietskledij, fietshelm, medische kosten ... en besluit de rechtbank dat de heer L.F. aldus slaagt in de op hem rustende bewijslast (art. 7 Wet Productaansprakelijkheid).

8.a. Volgens art. 8b Wet Productaansprakelijkheid kan een producent zich van zijn aansprakelijkheid bevrijden door een tegenbewijs te leveren, namelijk door aan te tonen dat het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek (nog) niet bestond op het tijdstip waarop men het in het verkeer heeft gebracht. Uit het verslag van de gerechtsdeskundige blijkt dat “de schade is ontstaan tijdens een verkeerde montage of demontage van de band”.

BV A.V. voert aan dat zij enkel fabrikant van banden is, maar niet de monteur ervan op wielen. Uit niets blijkt dat het gebrek ontstaan is op het ogenblik van de fabricatie van de band als zodanig. Deze verweerster slaagt derhalve in het tegenbewijs overeenkomst art. 8b Wet Productaansprakelijkheid, want zij maakt op afdoende wijze aannemelijk dat het gebrek nog niet bestond op het tijdstip waarop zij de band in het verkeer heeft gebracht.

8.b. Dezelfde conclusie geldt evenwel niet voor tweede verweerster. Naar het oordeel van de rechtbank maakt zij immers niet afdoende aannemelijk dat het gebrek nog niet bestond op het tijdstip waarop zij de fiets met bewuste band in het verkeer heeft gebracht.

De louter eenzijdige bewering dat fietshandelaar L. dan wel de heer L.F. zelf kwestieuze band op verkeerde wijze gemonteerd dan wel gedemonteerd zou hebben, volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet. Blijkens stuk 18 heeft fietshandelaar L. deze fiets immers in zijn geheel aangekocht bij de leverancier, d.w.z. bij tweede verweerster.

Uit enig ander objectief gegeven blijkt evenmin dat de heer L.F. zelf kwestieuze band gemonteerd dan wel gedemonteerd zou hebben.

De eigen bewering van tweede verweerster kan niet anders dan als speculatie worden gekwalificeerd.

9. Eiser spreekt verweersters tevens aan op grond van art. 1382 BW.

Ten aanzien van eerste verweerster bewijst hij evenwel geen fout. De schade is immers niet ontstaan door een teveel aan kleine luchtbelletjes of door inhomogeniteit van het polymeermateriaal, zoals blijkt uit het verslag van de gerechtsdeskundige.

Hij bewijst naar het oordeel van de rechtbank evenmin een fout in de zin van art. 1382 BW.

Eiser kwalificeert de fout “het op de markt brengen van een onveilig product”.

Tweede verweerster geniet hierbij het vermoeden van onschuld en het is aan eiser om overeenkomstig art. 870 Ger.W. het bewijs te leveren van o.a. die fout.

Het gebrekkig zijn in de zin van de Wet Productaansprakelijkheid impliceert niet zonder meer een fout in de zin van art. 1382 BW. In het kader van de Wet Productaansprakelijkheid geldt immers een foutloze of objectieve aansprakelijkheid (waaraan de producent slechts uitzonderlijk kan ontsnappen) (B. Tilleman en A. Verbeke, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2005, 67).

Te dezen slaagt eiser niet in de op hem rustende bewijslast.

10. Gelet op wat voorafgaat, dient de door eerste verweerster ingestelde vordering tot vrijwaring afgewezen te worden, want zij is zonder voorwerp.

11. Eiser vordert deels vergoeding voor zaakschade (11.1 en 11.2) en deels vergoeding voor persoonsschade (...).

11.1. Herstellingskosten fiets: blijkens art. 11, § 2 Wet Productaansprakelijkheid wordt schade toegebracht aan het gebrekkige product niet vergoed.

11.2. Kledij- en helmschade: art. 11, § 2 Wet Productaansprakelijkheid stelt daarenboven een franchise van 500 euro in, zodat de rechtbank (gelet op de grootte-orde van het gevorderde bedrag, nl. 375 euro) deze schade niet hoeft te begroten.

...

Noot: 

Britt Weyts, De Wet Productaansprakelijkheid: het voorzienbaar foutief gebruik van een product en de legitieme veiligheidsverwachtingen van «het grote publiek», onder voormeld arrest in het RW.

Rechtsleer:

• T. Vansweevelt, «De wet van 25 februari 1991 inzake produktenaansprakelijkheid», T.B.B.R. 1992, 96-122 en 184-216;

• M. Fallon, «La loi du 25 février 1991 relative à la responsabilité du fait des produits défectueux», J.T. 1991, 465-473

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/10/2016 - 10:45
Laatst aangepast op: za, 08/10/2016 - 10:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.