-A +A

Procesrechtsmisbruik bij tegenspraak bij de evenredige verdeling na beslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 28/09/2017

Het recht op tegenspraak van de schuldenaar bij de vereffening-verdeling na beslag is geen vrijgeleide om tergend en roekeloos in het wilde weg opmerkingen te formuleren.

Een dergelijke houding maakt procesrechtsmisbruik uit. De schuldenaar riskeert alsdan een geldboete in de zin van art. 780bis Ger.W. en een schadevergoeding ten behoeve van de schadelijdende schuldeisers.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1576
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.17.0135.N

Central Bank Of Irak t/ Vennootschap naar Duits recht GMBH U.T.P. und E. von I. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 7 november 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert in wezen aan dat de eiseres niet kon worden veroordeeld tot een geldboete van 2.500 euro op grond van art. 780bis Ger.W. noch tot schadevergoeding ten laste van de verweerster sub 1 en verweersters sub 3 tot en met 7, aangezien haar vordering tot opschorting van de verdeling legitiem was en de afwijzing ervan door de appelrechter niet wettig verantwoord is, zodat er geen aanleiding kan zijn tot enig procesmisbruik bij het voeren van tegenspraak bij de evenredige verdeling.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt, in essentie, dat de eiseres het voorwerp was van diverse derdenbeslagen in handen van C. AG, die verklaarde een bedrag van 1.179.807.732 fr. schuldig te zijn en hiervan afgifte deed in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder die hierop overging tot een evenredige verdeling tussen de samenlopende schuldeisers, waaronder de verweersters. Nadien is komen vast te staan dat één van de schuldeisers, NV I., niet over een schuldvordering beschikte en deze vennootschap een bedrag van 9.578.668,91 euro terugstortte aan de gerechtsdeurwaarder met het oog op de herverdeling tussen de overige schuldeisers en deze op 8 augustus 2014 een nieuw ontwerp van evenredige verdeling opstelde. De eiseres is van oordeel dat NV I. nog een hoger bedrag diende terug te storten, gelet op de rente en zij vordert de opschorting van de verdeling tot de afwikkeling van de ter zake gevoerde procedure voor het Hof van Beroep te Gent.

3. Overeenkomstig de artt. 1627 e.v. Ger.W. gaat de gerechtsdeurwaarder over tot het opmaken van een ontwerp van verdeling tussen de samenlopende schuldeisers en worden de schuldeisers voldaan overeenkomstig dit ontwerp, behalve in geval van betwisting nopens de verdeling, in welk geval de beslagrechter die uitspraak doet over de zwarigheden, de tabel van de verdeling afsluit en de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig deze tabel de schuldeisers betaalt. De tegenspraak kan enkel betrekking hebben op de verdeling en kan er niet toe leiden dat de regelmatigheid van de voorafgaande procedure ter discussie wordt gesteld. Het voeren van tegenspraak kan blijk geven van misbruik van procesrecht wanneer dit recht wordt uitgeoefend op een kennelijk onzorgvuldige wijze. Na het verstrijken van de termijn van tegenspraak bedoeld in art. 1629 Ger.W. kunnen schuldeisers geen tegenspraak meer doen gelden en kan evenmin met andere schuldeisers rekening worden gehouden. Het eventueel batig saldo komt toe aan de beslagen schuldenaar. Indien de schuldeiser wiens schuldvordering achteraf niet blijkt te bestaan, overgaat tot restitutie van het ontvangen bedrag, maakt de gerechtsdeurwaarder, in dezelfde vormen, de verdeling van dit bedrag tussen de overige schuldeisers die waren betrokken bij de evenredige verdeling.

4. De appelrechter oordeelt dat het feit dat «NV I. de gelden terug heeft overgemaakt op de kwaliteitsrekening van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, [niet] impliceert dat de gelden zouden toekomen aan [de eiseres]», «er niet valt in te zien waarom het «ongepast» zou zijn de thans bestreden evenredige verdeling verder te zetten», «indien er een batig saldo zou zijn, wat tot op heden geenszins aannemelijk zou zijn en in elk geval niet bewezen is, dit tegoed via de Deposito- en Consignatiekas zal worden overgemaakt aan [de eiseres]», «het niet opgaat in deze procedure, in dit stadium, onder het mom van «tegenspraak» andere twistpunten, eerdere procedures ter discussie te stellen, net zo min als een tegenspraak erop gericht kan zijn een niet eerder ingediende schuldvordering voor het eerst te doen gelden» en «de intresten op de gekantonneerde gelden [...] het lot volgen van de toegekende sommen en worden proportioneel verdeeld onder de schuldeisers van wie de schuldvordering in aanmerking werd genomen overeenkomstig dezelfde verdeelsleutel».

5. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat er geen reden is tot opschorten van de verdelingsprocedure, de eiseres hierbij ook geen belang heeft en de houding van de eiseres «in de gegeven omstandigheden [...] dilatoir is en derhalve leidt tot een volstrekt nodeloze, tijdrovende en kostelijke onterechte belasting van de hierbij betrokken actoren en tot een ongeoorloofd uitstel van de uitbetaling van de in beslag genomen tegoeden», verantwoordt haar beslissing naar recht en voldoet aan het voorschrift van art. 149 Gw.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Noot: 

Het opleggen van de sanctie vergt geen opzet of bedrog

• Cass. 21/04/2017, juridat

AR C.16.0458.N

samenvatting

De gehele of gedeeltelijke veroordeling tot de oorzaken van het beslag is een facultatieve privaatrechtelijke sanctie die kan worden opgelegd aan de derde-beslagene die door zijn doen of nalaten de werking van het beslag dwarsboomt. De rechter beschikt weliswaar voor het opleggen van deze sanctie over een beoordelings- en matigingsbevoegdheid en kan, in uitzonderlijke gevallen beslissen, om hetzij deze sanctie niet op te leggen, hetzij deze te matigen.



Indien de rechter op grond van de omstandigheden van de zaak op onaantastbare wijze oordeelt over het opleggen van de sanctie en het matigen ervan, dan beschikt het Hof in graad van beroep over een marginaal toetsingsrecht ter zake de evenredigheid tussen de zwaarte van de inbreuk en de opgelegde sanctie.



Let wel zelfs zonder opzet, bedrog of kwade trouw van de derde beslagene kan de sanctie worden opgelegd. Ander gesteld, voor de toepassing van de burgerlijke sanctie van artikel 1452 gerechtelijkwetboek is geen opzet, bedrog of kwade trouw vereist.

tekst arrest

Nr. C.16.0458.N

1. FONTEYNE & CIE nv, met zetel te 8820 Torhout, Bakvoordestraat 26,

2. F. F.,

eisers,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

verweerder,



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 2015.



II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.



III. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



1. Krachtens artikel 1452, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de derde-beslagene, binnen vijftien dagen na het derdenbeslag, gehouden verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. Deze bepaling is krachtens artikel 1539, vierde lid, van overeenkomstige toepassing bij uitvoerend beslag onder derden.



Krachtens de artikelen 1456 en 1542 Gerechtelijk Wetboek kan de derde-beslagene, die zijn verklaring niet doet binnen vijftien dagen na het derdenbeslag, of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, tot schuldenaar worden verklaard voor het geheel of voor een gedeelte van de oorzaken van het beslag, alsmede voor de kosten daarvan.



2. De gehele of gedeeltelijke veroordeling tot de oorzaken van het beslag is een privaatrechtelijke sanctie die kan worden opgelegd aan de derde-beslagene die door zijn doen of nalaten de werking van het beslag dwarsboomt. De rechter be-schikt voor het opleggen van deze sanctie over een beoordelings- en matigingsbevoegdheid en kan, in uitzonderlijke gevallen beslissen, om hetzij deze sanctie niet op te leggen, hetzij deze te matigen.



Indien de rechter op grond van de omstandigheden van de zaak op onaantastbare wijze oordeelt over het opleggen van de sanctie en het matigen ervan, dan beschikt het Hof niettemin over een marginaal toetsingsrecht ter zake de evenredig-heid tussen de zwaarte van de inbreuk en de opgelegde sanctie.



3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de sanctie enkel kan worden opge-legd indien aan de derde-beslagene een intentioneel element zoals bedrog of kwade trouw kan worden verweten, faalt het naar recht.



4. De appelrechters stellen vast dat:



- de verweerster op 3 februari 2011, 14 april 2011 en 6 juli 2011 bewarende en uitvoerende beslagen heeft gelegd in handen van de eisers voor achterstallige RSZ-bijdragen voor respectievelijk 24.960,97 euro, 48.038,07 euro en 49.154,14 euro;



- de eisers telkens nalieten een verklaring van derde-beslagene af te leggen.



5. De appelrechters oordelen dat de eisers die "actief zijn in het handelsverkeer en moeten geacht worden op de hoogte te zijn van hun verplichtingen in het kader van een derdenbeslag", zich niet kunnen "beroepen op hun beweerde goede trouw en onwetendheid" omdat "immers vaststaat dat zij hun verplichting als derde-beslagene hebben miskend en dit verschillende malen na elkaar". Het arrest dat op grond hiervan beslist dat er "geen redenen [zijn] om de sanctie te matigen" is naar recht verantwoord.



Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.



Dictum



Het Hof,



Verwerpt het cassatieberoep.



Veroordeelt de eisers tot de kosten.



Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.215,33 euro.



Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 21 april 2017 uitgesproken 



26359/W/2



VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geven te kennen:

1. de naamloze vennootschap FONTEYNE & CIE, met vennootschapsze-tel te 8820 Torhout, aan de Bakvoordestraat 26, en met het onderne-mingsnummer 0440.907.857,

2. de heer F. F.,

eisers tot cassatie, wat volgt.

De eisers, voornoemd, verklaren hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hieronder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hier-onder nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 8 september 2015 door de veertiende kamer van het hof van beroep te Gent, werd gewezen in de zaak, in-geschreven op de algemene rol onder het nummer 2013/AR/1834, van de eisers, als appellanten, tegen:

de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij besluitwet van 28 december 1944, met zetel te 1060 Brussel, aan het Victor Hortaplein 11, en met het ondernemingsnummer 0206.731.645,

toen geïntimeerde, thans verweerder in cassatie,

en tegen die verwerende partij.

Deze voorziening in cassatie is gesteund op het volgende middel en conclusie.



II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. De verweerder liet op 3 januari 2011 bewarend beslag onder derden leggen in handen van de eisers, op alle sommen, gelden, waarden en voorwerpen die zij ver-schuldigd zijn of zullen zijn aan de GCV Belpromeat. Op 10 januari 2011 werd het bewarend beslag aangezegd.

Op 31 januari 2011 ging de verweerder over tot omzetting van het bewarend der-denbeslag naar een uitvoerend derdenbeslag. Het beslag werd gelegd tot zekerheid en tot invordering van achterstallige RSZ-bijdragen voor een bedrag van 24.960,97 euro in hoofdsom, meer opslagen, interest en kosten.

Op 14 april 2011 liet de verweerder opnieuw uitvoerend beslag onder derden leg-gen in handen van de eisers lastens de GCV Belpromeat, tot zekerheid en tot beta-ling van een bedrag van 48.038,07 euro in hoofdsom, meer bijdrageopslagen, inte-rest en kosten.

Op 6 juli 2011 ging de verweerder andermaal over tot uitvoerend derdenbeslag in handen van de eisers lastens de GCV Belpromeat, ter invordering van achterstalli-ge RSZ-bijdragen ten belope van 49.154,14 euro in hoofdsom, meer opslagen, in-terest en kosten.

De eisers gingen niet over tot het opmaken van een verklaring als bedoeld in arti-kel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek.

2. Op 6 december 2012 liet de verweerder de eisers dagvaarden voor de beslag-rechter te Brugge. Hij vorderde de eisers schuldenaar te verklaren voor het geheel van de oorzaken en kosten van het bewarend beslag onder derden van 3 januari 2011 lastens GCV Belpromeat, omgezet in uitvoerend beslag onder derden op 31 januari 2011, op 14 april 2011 en op 6 juli 2011.

Bij beschikking van 16 april 2013 verklaarde de beslagrechter de vordering toe-laatbaar en als volgt gegrond. De beslagrechter verklaarde de eisers schuldenaar van de oorzaken en de kosten van het bewarend beslag onder derden van 3 januari 2011, omgezet naar uitvoerend beslag op 31 januari 2011, van het uitvoerend be-slag onder derden van 14 april 2011 en van het uitvoerend beslag onder derden van 6 juli 2011. De eisers werden bovendien veroordeeld tot betaling van de kos-ten van de procedure.

3. Tegen de beschikking van 16 april 2013 tekenden de eisers hoger beroep aan.

In een arrest van 8 september 2015 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Het hof van beroep bevestigt de beschikking in al zijn onderdelen en veroordeelt de eisers tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Tegen dat arrest voeren de eisers het volgende middel tot cassatie aan.

 

III. MIDDELEN

Enig middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1445, 1452, 1456, 1539 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek

- artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955

 

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep toe-laatbaar doch ongegrond. Het hof van beroep bevestigt de beschikking in al haar onderdelen en veroordeelt de eisers tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle overwegingen en motieven waarop zij steunen, die hier als integraal hernomen worden beschouwd, en in het bijzonder op de volgende overwegingen:

"III. Beoordeling

3.1. Het [hof van beroep] dient zich uit te spreken over de vraag of de eer-ste rechter terecht de sanctie van de schuldenaarsverklaring van de derde-beslagene ten aanzien van [de eisers] heeft toegepast voor het geheel van de oorzaken van de beslagen onder derden die [de verweerder] liet leggen in handen van [de eisers] lastens de GCV BELPROMEAT.

3.2. [De eisers] gaan niet akkoord met hun schuldenaarsverklaring, ook al geven zij beiden toe geen verklaring van derde-beslagene te hebben ver-richt.

[De eiseres] voert aan dat zij dacht geen schuldenaarsverklaring te moeten afleggen nu zelf zij ten tijde van de beslagen geen schuldenaar was van de GCV BELPROMEAT, maar schuldeiser en het bedrag dat deze vennoot-schap nog aan haar verschuldigd was veel groter was dan wat zij zelf nog aan GCV BELPROMEAT diende te betalen. Zij beroept zich derhalve op wettelijke compensatie van haar schuld ten aanzien van GCV BELPRO-MEAT met een schuldvordering die zij zelf op deze vennootschap zou be-zitten en die door [de verweerder] niet zou zijn betwist.

Tot staving van haar stelling verwijst zij naar een verklaring van de zaak-voerder van de beslagen vennootschap GCV BELPROMEAT van 31 juli 2011 (d.i. na de drie beslagen), een verklaring van de boekhouder geda-teerd op 26 april 2013 (d.i. 10 dagen na de thans bestreden beschikking) en een stuk uit de boekhouding.

[De eiser] stelt dat hij ook geen verklaring moest doen omdat er hoege-naamd geen sprake was van enige openstaande schuldvordering van de beslagen vennootschap ten aanzien van hemzelf. Hij ging ervan [uit] dat het beslag lastens hem op een vergissing berustte nu hij zelf nog nooit een persoonlijke schuld had gehad ten aanzien van de GCV BELPROMEAT.

Beide [eisers] beklemtonen dat zij te goeder trouw hebben gehandeld en wijzen erop dat de sanctie van schuldenaarsverklaring facultatief is, dat [de verweerder] geen enkele schade zou hebben geleden door hun nalatigheid, minstens dat de sanctie moet gematigd worden vermits de toepassing van de sanctie een veel te strenge bestraffing zou uitmaken.

3.3. Binnen de vijftien dagen na het uitvoerend derdenbeslag is de derde-beslagene gehouden verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. De verklaring van derde-beslagene moet overeenkomstig artikel 1452 Ger.W. nauwkeurig alle dienstige gegevens vermelden voor de vaststelling van de rechten van partijen en, naargelang het geval, in het bijzonder:

1° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeis-baarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten;

2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene;

3° de opgave van de beslagnemingen onder derden, waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven (art.1452Ger.W.).

De tijdige afgifte van deze verklaring is van fundamenteel belang voor de beslagleggende schuldeiser, omdat het hem in staat stelt zo spoedig moge-lijk te vernemen of de derde-beslagene al dan niet schuldenaar is van zijn debiteur en hij zo kan te weten komen of zijn vordering door het beslag verzekerd is, dan wel of hij bijkomende maatregelen moet nemen. De vraag of de derde-beslagene al dan niet schuldenaar is van de beslagene moet op precieze wijze kunnen worden afgeleid aan de hand van een volledige en nauwkeurige verklaring van derde-beslagene.

3.4. Indien de derde-beslagene zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan hij, nadat hij daartoe voor de beslagrechter werd opgeroepen, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het be-slag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn [...].

Bij uitvoerend derdenbeslag kan de toepassing van artikel 1542, eerste lid Ger.W. leiden tot de effectieve veroordeling van de derde-beslagene tot be-taling van de bedragen, waarvoor beslag is gelegd, zijnde de oorzaken van het beslag.

3.5. Bij de toepassing van de sanctie van schuldenaarsverklaring heeft de beslagrechter een zekere beoordelingsmacht. Het gaat om een facultatieve sanctie, zoals blijkt uit de formulering ervan ("kan") en bovendien beschikt de rechter over een matigingsrecht ("geheel of ten dele"). De rechter oord-eelt in feite, op onaantastbare wijze, of de sanctie bepaald in de artikelen 1456 en 1542 Ger.W. al dan niet dient te worden toegepast en zo ja, in welke mate [...].

Hij mag daarbij onderzoeken of er sprake is van bedrog, opzet of nalatigheid van de derde-beslagene. Hij kan beslissen dat de sanctie niet wordt opgelegd wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen. Hij kan rekening houden met de omstandigheden, zoals de verschoonbaarheid van het verzuim, de hoedanigheid van partijen, de vertrouwdheid met het derdenbeslag.

De schuldenaarsverklaring wordt in ieder geval uitgesproken wanneer er sprake is van fraude, collusie en in gevallen van onverschoonbare onzorg-vuldigheid, maar de sanctie is niet tot deze gevallen beperkt. Bij een vast-gestelde inbreuk op de verklaringsplicht, moet de sanctie in principe worden opgelegd en kan de rechter enkel besluiten tot het niet-opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigden [...].

3.6. De sanctie strekt er niet toe beweerde schade te vergoeden die de be-slagleggende schuldeiser lijdt ten gevolge van het verzuim van de derde-beslagene, maar enkel de derde-beslagene te sanctioneren voor zijn ver-zuim. De schuldenaarsverklaring heeft geen indemnitair karakter. De om-vang van de veroordeling van de derde-beslagene is niet afhankelijk van de schade van de beslaglegger.

De afwezigheid van schade is dan ook geen beletsel voor het uitspreken van de sanctie, nu de sanctie geen indemnitair karakter heeft. Om die reden moet de sanctie ook niet beperkt blijven tot het bedrag van de schuld-vordering van de debiteur op de derde-beslagene, d.w.z. tot het voorwerp van het beslag, maar kan zij uitgebreid worden tot de oorzaken van het be-slag. De afwezigheid van schade kan wel een element zijn waarmee reke-ning kan worden gehouden bij de uitoefening van het matigingsrecht [...].

3.7. De sanctie moet worden opgelegd telkens de handelwijze van de der-de-beslagene ertoe strekt de figuur van het derdenbeslag te frustreren. Bij een vastgestelde inbreuk moet de sanctie in principe worden opgelegd. De rechter kan enkel besluiten tot het niet opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigen. Aangezien het gaat om een resultaatsverbintenis, kan enkel overmacht de derde-beslagene exonereren. Aan de verdere concrete omstandigheden van het geval kan vervolgens voldoende recht worden gedaan bij de uitoefening van het ma-tigingsrecht.

3.8. Om na te gaan of de sanctie van schuldenaarsverklaring zich ten aan-zien van [de eisers] opdringt en, zo ja, of deze moet gematigd worden, dient rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak.

[De verweerder] beschikte over een aanzienlijke schuldvordering ten aan-zien van de GCV BELPROMEAT.

Ter invordering van [zijn] schuldvordering liet [hij] in januari 2011, april 2011 en juli 2011 éénmaal bewarend en vervolgens driemaal uitvoerend derden-beslag leggen in handen van [de eisers]. In elk van deze vier exploten wer-den [de eisers] uitdrukkelijk gewezen op hun verplichtingen als derde-beslagene, door opname van de tekst van voornoemd artikel 1452 Ger.W. in het exploot van beslag waarin duidelijk wordt aangegeven dat zij een verklaring van derde-beslagene dienen te doen binnen de vijftien dagen, alsook wat deze verklaring dient in te houden.

Enkel door het afleggen van deze verklaring kon [de verweerder] vernemen wat het exacte voorwerp was van het beslag en of [hij] kon hopen op de re-cuperatie van [zijn] schuldvordering.

[De eisers] lieten evenwel na een verklaring van derde-beslagene te doen, ook al werden zij telkens opnieuw in elk opeenvolgend beslagexploot ge-wezen op hun wettelijke plicht.

Op grond van de concrete elementen van het dossier is het [hof van be-roep] van oordeel dat er geen sprake is van ernstige omstandigheden die het verzuim van [de eiseres] tot nakoming van haar resultaatsverbintenis kunnen verschonen. Er is daarentegen sprake van een ernstige tekortko-ming op hun verplichting om tijdig een nauwkeurige en volledige schul-denaarsverklaring af te leggen.

[De eisers] dienden een verklaring af te leggen binnen de 15 dagen, zelfs indien zij ten tijde van het beslag geen schuldenaar (meer) waren van de beslagen vennootschap. De bewering van [de eiseres] dat er sprake zou zijn van wettelijke compensatie tussen haar schuld aan de GCV BELPRO-MEAT en een vordering die zij zelf zou bezitten op deze firma, werd niet bewezen aan de hand van de stukken die [de eisers] aan de eerste rechter hebben voorgelegd. Uit die stukken blijkt helemaal niet dat de voorwaarden voor wettelijke compensatie reeds ten tijde van het eerste derdenbeslag (3 juli 2011) daadwerkelijk vervuld waren.

Bovendien werden de ingeroepen stukken opgesteld op een verdacht tijd-stip, nadat de beslagen reeds gelegd waren of kort na de uitspraak van de thans bestreden beschikking.

Maar ook de stukken die [de eisers] thans in hoger beroep voorleggen [...], tonen niet aan dat de voorwaarden voor wettelijke compensatie reeds ver-vuld waren ten tijde van het beslag.

De meeste facturen uitgaande van GCV BELPROMEAT en gericht aan [de eiseres] werden opgemaakt op een verdacht tijdstip, op 1 juni en 30 juni (dus nadat reeds driemaal beslag was gelegd) en bevatten alle de eigen-handig geschreven vermelding dat zij strekken ter compensatie van de fac-turen die [de eiseres] nog aan BELPROMEAT nog verschuldigd zou ge-weest zijn.

Het betreft bovendien facturen waarbij de beslagen vennootschap aan [de eiseres] aanzienlijke bedragen aanrekende voor elektriciteit diepvries (12.100 EUR en tweemaal 9.075 EU) voor een periode september 2010-juni 2011, de huur van trekkers voor de periode februari-juni 2011 en niet nader gespecifieerde werken uitgevoerd 2010 door werknemers BELPROMEAT voor een bedrag van 46.464,00 EUR, 21.054,00 EUR, 6.347,00 EUR en 7.834 EUR.

Zelfs indien er sprake zou geweest zijn van compensatie tussen de weder-zijdse schuldvorderingen, wat op grond van de stukken niet met zekerheid kan worden vastgesteld, merkt het [hof van beroep] ten overvloede op dat dit verweer van [de eisers] niet de minste afbreuk doet aan hun verplichting om na de opeenvolgende derdenbeslagen in hun handen de vereiste wet-telijke verklaring van derde-beslagene af te leggen.

De vraag of er mogelijks sprake zou zijn van wettelijke compensatie, is niet aan de orde in het kader van het thans voorliggende geschil omtrent de schuldenaarsverklaring.

[De eisers] werpen ten onrechte op dat zij zich zouden vergist hebben nu zij meenden geen schuldenaarsverklaring te moeten afleggen omdat zij geen schuldenaren waren van de beslagen vennootschap. De inhoud van de wettelijke plicht, die hen tot viermaal toe in het beslagexploot werd mee-gedeeld, is hieromtrent heel duidelijk. De wetgever eist van de derde-beslagene dat hij in elk geval verklaart of hij al dan niet schuldenaar (ge-weest) is. De omstandigheid dat de derde-beslagene geen schuldenaar (meer) is van de beslagene, ontslaat deze derde-beslagene niet van zijn verplichting om een verklaring af te leggen.

Het getuigt van verregaande onzorgvuldigheid om niet het minste gevolg te geven aan de opeenvolgende derdenbeslagen die hen werden betekend in de loop van 2011. rekening houdend met hun professionele hoedanigheid, is hun handelwijze niet normaal en voorzichtig te noemen.

3.9. De sanctie van schuldenaarsverklaring is verantwoord. [De eisers] kunnen zich niet beroepen op hun beweerde goede trouw en onwetendheid, noch op de bewering dat hun nalatigheid geen schade zou veroorzaakt hebben. Het staat immers vast dat zij hun verplichting als derde-beslagene hebben miskend en dit verschillende malen na elkaar.

De sanctie moet worden opgelegd nu de handelwijze van [de eisers] duide-lijk voor gevolg heeft de figuur van het derdenbeslag te frustreren. De plicht tot het afleggen van een verklaring van derde-beslagene is een resultaats-verbintenis en de handelwijze van [de eisers], die erin bestaat eenvoudig-weg geen verklaring van derde-beslagene te doen leidt tot een belemmering van de figuur van het derdenbeslag, wat moet worden gesanctioneerd. De omstandigheid dat het beslag onder derden mogelijks geen tegoeden trof is geen excuus voor het niet afleggen van de verklaring. De derde-beslagenen zijn actief in het handelsverkeer en moeten geacht worden op de hoogte te zijn van hun verplichtingen in het kader van een derdenbeslag.

[De eisers] zijn volledig in gebreke gebleven om een verklaring af te leggen na het uitvoerend derdenbeslag. Dit volstrekt gebrek aan medewerking verantwoordt dat [de eisers] schuldenaar worden verklaard voor de oorza-ken van het beslag. De toepassing van de door [de verweerder] gevorderde sanctie dringt zich op.

3.10. [De eisers] vragen ondergeschikt de sanctie van de schuldenaarsver-klaring te matigen. Zij stellen dat de afwezigheid van schade voor de be-slagleggende schuldeiser een element is waarmee de rechter rekening kan houden voor de vermindering van de sanctie. Zij menen dat niet bewezen is dat hun verzuim op enigerlei wijze de kansen van [de verweerder] om de tegoeden van zijn schuldenaar te vinden, heeft aangetast. Dit zou ook blij-ken uit de beroepsbesluiten van [de verweerder], waarin de enige schade die door haar wordt opgeworpen, de verschillende akten betreft die aan haar betekend werden, alsook de huidige procedurekosten.

Zij beklemtonen dat zij geen van beiden ooit schuldenaar van BELPRO-MEAT geweest zijn en dat moet vermeden worden dat bij de toepassing van de sanctie de schuldeiser zich uiteindelijk bevindt in een betere toestand die hem ertoe zou brengen de beslagen onder derden te vermenigvuldigen in de hoop een solvabele maar nalatige derde te vinden. Zij hebben niet moedwillig nagelaten een verklaring af te leggen. Zij vragen de sanctie te matigen door bijvoorbeeld enkel een schadevergoeding toe te kennen voor de gemaakte uitvoerings- en procedurekosten.

Het [hof van beroep] ziet geen redenen om de sanctie te matigen. [De ei-sers] voeren geen enkele grond van verschoonbaarheid aan. [De eisers], handelaren zijnde, wisten of minstens behoorden te weten hoe zij hun des-betreffende verplichtingen dienen na te komen of hadden zich dienaan-gaande kunnen informeren.

Het hoger beroep is ongegrond."

(p. 4, tweede helft, tot p. 10, van het bestreden arrest).



Grieven

1.1. Luidens artikel 1445, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan iedere schuldeiser, op grond van authentieke of onderhandse stukken, bij gerechtsdeur-waarder, onder een derde, bewarend beslag leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is. Bij stilzitten van zijn schuldenaar kan de schuldeiser, luidens het tweede lid van hetzelfde artikel, met toepassing van ar-tikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde procedure voeren. De akte van beslag bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar de bepalingen ervan moet gedragen, zo bepaalt het derde lid van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek.

Krachtens artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek is de derde-beslagene ge-houden binnen vijftien dagen na het derden-beslag, verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. De verklaring moet nauw-keurig alle dienstige gegevens voor de vaststelling van de rechten van partijen vermelden en, naar gelang van de gevallen, inzonderheid:

1° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten;

2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schul-denaar is van de beslagene;

3° de opgave van de beslagnemingen onder derden waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven.

4° in voorkomend geval, de bedragen voorzien van een code die op de creditzij-de van een zichtrekening ingeschreven werden en de datum van de inschrij-ving ervan indien deze gebeurde tijdens de dertig dagen die de datum van het beslag voorafgaan.

Indien het derden-beslag op roerende goederen geschiedt, moet de derde-beslagene een omstandige staat van de bedoelde goederen bij zijn verklaring voe-gen.

Indien hij zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan de derde-beslagene, die daartoe voor de beslagrechter wordt opgeroepen, met toepassing van artikel 1456, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde procedure, die in die gevallen te zijnen laste vallen.

1.2. Ook de schuldeiser die een uitvoerbare titel bezit, kan met toepassing van ar-tikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek bij deurwaardersexploot uitvoerend be-slag onder derden leggen, op de bedragen en zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd zijn. Bij stilzitten van zijn schuldenaar, kan de schuldeiser, met toe-passing van artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde rechtspleging in-stellen. Luidens artikel 1539, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vinden de artikelen 1452 tot 1455 toepassing op het uitvoerend beslag onder derden. De tekst van die artikelen evenals die van artikel 1543 wordt in de akte van beslag overgenomen.

Indien hij zijn verklaring niet doet binnen vijftien dagen na het derden-beslag of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan en zoals gezegd wordt in artikel 1452, kan de derde-beslagene die daartoe voor de beslagrechter wordt gedagvaard, schuldenaar verklaard worden, voor het geheel of voor een gedeelte van de oorza-ken van het beslag, alsmede voor de kosten daarvan, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn, zo bepaalt artikel 1542, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

1.3. Uit de voornoemde bepalingen, inzonderheid uit de artikelen 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechter, wanneer de derde-beslagene de verklaring als bepaald in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek niet heeft gedaan en daartoe voor de beslagrechter wordt opgeroepen, enerzijds oordeelt of de sanctie van schuldenaarsverklaring moet worden toegepast, en anderzijds oordeelt in welke mate die sanctie moet worden toegepast. De rechter beschikt derhalve over een matigingsrecht.

Wanneer de derde-beslagene door bedrog, kwade trouw of schuldig verzuim pro-beert de goederen van de beslagen schuldenaar te onttrekken aan het onderpand van de schuldeisers, is de toepassing van de sanctie, weze het geheel of ten dele, volledig verantwoord.

Bij gebreke van een intentioneel element als bedrog of kwade trouw, is de schul-denaarsverklaring voor het geheel van de oorzaken en de kosten van het beslag, niet verantwoord want disproportioneel. In dat geval dient de rechter met toepas-sing van het hem toegekende matigingsrecht en rekening houdend met alle hem nuttig voorgelegde elementen, te oordelen voor welk deel de schuldenaarsverkla-ring wordt uitgesproken.

De sanctie van schuldenaarsverklaring met toepassing van de artikelen 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek is een sanctie met een repressief karakter, zo-dat de toetsing zich niet beperkt tot de wettigheid ervan. Op straffe van misken-ning van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hieronder afgekort als EVRM, dient de sanctie evenredig te zijn met de inbreuk.

Uw Hof is bevoegd na te gaan of de schuldenaarsverklaring op wettige gronden wordt uitgesproken en of zij in het concrete geval geen onevenredige sanctie uit-maakt.

2. Zoals het hof van beroep overweegt, vroegen de eisers in ondergeschikte orde de sanctie van de schuldenaarsverklaring te matigen (p. 10, tweede alinea, van het bestreden arrest). In dat verband overweegt het hof van beroep dat de eisers (p. 10, tweede en derde alinea, van het bestreden arrest):

- stellen dat de afwezigheid van schade door de beslagleggende schuldeiser een element is waarmee de rechter rekening kan houden voor de vermindering van de sanctie,

- menen dat niet bewezen is dat hun verzuim op enigerlei wijze de kansen van de verweerder om de tegoeden van zijn schuldenaar te vinden, heeft aangetast, wat ook zou blijken uit de beroepsbesluiten van de verweerder, waarin de enige schade die door haar wordt opgeworpen, de verschillende akten betreft die aan haar betekend werden, alsook de huidige procedurekosten,

- beklemtonen dat zij geen van beiden ooit schuldenaar van de GCV Belpromeat geweest zijn en dat moet vermeden worden dat bij de toepassing van de sanctie de schuldeiser zich uiteindelijk bevindt in een betere toestand die hem ertoe zou brengen de beslagen onder derden te vermenigvuldigen in de hoop een solvabele maar nalatige derde te vinden,

- aanvoeren niet moedwillig te hebben nagelaten een verklaring af te leggen,

- vragen de sanctie te matigen door bijvoorbeeld enkel een schadevergoeding toe te kennen voor de gemaakte uitvoerings- en procedurekosten.

Het hof van beroep oordeelt geen reden te zien om de sanctie te matigen, op de loutere grond dat de eisers geen enkele grond van verschoonbaarheid aanvoeren en zij, handelaren zijnde, wisten of minstens behoorden te weten hoe zij hun desbetreffende verplichtingen dienen na te komen of zich dienaangaande hadden kunnen informeren (p. 10, vierde alinea, van het bestreden arrest).

Door op die loutere grond te oordelen dat er geen reden is de sanctie te matigen, verantwoordt het hof van beroep zijn bevestiging van de beslissing de eisers voor het geheel schuldenaar te verklaren van de oorzaken van de gelegde beslagen niet naar recht (miskenning van de artikelen 1445, 1452, 1456, 1539 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek) en legt het aan de eisers een onevenredige sanctie op (schending van artikel 6 van het EVRM).

Door bij de uitoefening van zijn matigingsrecht te weigeren rekening te houden met hierboven weergegeven aanvoeringen van de eisers, miskent het hof van be-roep evenzeer de artikelen 1445, 1452, 1456, 1539 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek, en beslist het tot een voor de eisers onevenredige sanctie (schending van artikel 6 van het EVRM).

 

Conclusie

De beslissing van het hof van beroep dat het hoger beroep ongegrond is, is niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel als ge-schonden aangehaalde bepalingen).



TOELICHTING

Het middel behoeft geen toelichting.



OM DEZE REDENEN

Concluderen de eisers dat het uw Hof behage

- de bestreden beslissing te vernietigen,

- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,

- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.



Gent, 17 oktober 2016

Voor de eisers,

 

Willy van Eeckhoutte,

advocaat bij het Hof van Cassatie.

 

Inventaris van de stukken die bij deze voorziening worden gevoegd:

1. Pro-fiscoverklaring

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/05/2018 - 19:05
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 23:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.